Waarom zelfs een schilder als Jan van Eyck ooit Brugge is moeten ontvluchten

Jan van Eyckplein in Brugge. © iStock
Ewald Pironet
Ewald Pironet Senior writer van Knack

Als op 1 februari 2020 de aan hem gewijde grote tentoonstelling opent in het Museum voor Schone Kunsten Gent, zal Vlaanderen Jan van Eyck opnieuw omarmen als een van zijn grootste kunstenaars. Maar dat is hij niet altijd geweest. Rond 1437 moest de schilder van Het Lam Gods zelfs Brugge ontvluchten, uit lijfsbehoud.

De alternatieve canon: terwijl de regering-Jambon een Vlaamse canon voorbereidt, kijktKnack weg van de alom bekende ankerpunten. Welke feiten en gebeurtenissen zijn onbekend maar onontbeerlijk voor wie de geschiedenis van Vlaanderen écht wil kennen?

Voorgesteld door: Jan Dumolyn

Waarom? Ook in de Bourgondische gouden jaren waren er sociale spanningen

In de vijftiende eeuw kende het graafschap Vlaanderen een vroege bloeiperiode, zij het als deel van een ruimer geheel – het Bourgondische rijk. Vanaf 1384 mocht Filips de Stoute, de hertog van Bourgondië, zich ook graaf van Vlaanderen noemen: hij was de man van Margareta Van Male, het enige kind van graaf Lodewijk van Male, die dat jaar overleed. De welstand en luister van Bourgondisch Vlaanderen trok talentrijke vreemdelingen aan. Zo ook de broers Hubert en Jan van Eyck, twee schilders uit het nabije graafschap Loon (dat deels overlapt met het huidige Limburg). Jan van Eyck werd al snel een vertrouweling van de Bourgondische hertogen, en dan vooral van Filips de Goede, de kleinzoon van Filips de Stoute.

Jan Dumolyn: ‘Op 7 januari 1430 trouwde Filips de Goede in Sluis, de Brugse voorhaven, met Isabella van Portugal. Hij had zijn geniale hofschilder Jan van Eyck naar dat land gestuurd om een portret van haar te maken. Omdat Van Eyck beter dan wie ooit natuurgetrouwe portretten kon maken, wist de hertog voor de bruiloft tenminste al hoe zijn aanstaande eruitzag.’

De Bourgondische vorsten waren verwant aan de Franse kroon. Om hun macht en invloed te bestendigen, steunden ze overal in hun uitgestrekte gebieden op plaatselijke topmedewerkers – ‘collaborateurs’ avant la lettre. Zo was in 1425 Jan van Eyck in Brugge door Filips de Goede gerekruteerd als kamerknecht, een eretitel voor wie in de dichte nabijheid van de vorst mocht verblijven. In feite moest hij op elk moment opdrachten als kunstenaar voor hem vervullen.

Brugge had een puissant rijke bovenlaag, maar de middenklassen stonden onder druk en de werkende bevolking verpauperde.

In 1431 besloot Van Eyck zich definitief in Brugge te settelen. Hij schilderde voor Italiaanse kooplieden en hoge clerici, portretteerde lieden uit het edelsmeedambacht, en bleef tegelijk opdrachten voor de hertog uitvoeren. In opdracht van het stadsbestuur beschilderde hij ook de gevelbeelden van het stadhuis. Brugge was een bruisende cultuurstad in de eerste helft van de vijftiende eeuw, beaamt Dumolyn. ‘Maar die bloei verborg economische moeilijkheden. De traditionele lakennijverheid was sinds het einde van de veertiende eeuw in een crisis verzeild. Niet alle Bruggelingen profiteerden van de gedeeltelijke reconversie naar luxenijverheid en de productie van duurzame verbruiksgoederen en confectie. Intussen verhoogde de Bourgondische staat de fiscale druk. Brugge had dus wel een puissant rijke bovenlaag – daar vond Jan van Eyck zijn klandizie – maar de middenklassen stonden onder druk en de werkende bevolking verpauperde.’

In 1436 brak een totale crisis uit toen de Engelsen Vlaanderen binnenvielen. Op verzoek van Filips de Goede streden Vlaamse stadsmilities aan zijn zijde. Ze belegerden de Engelse invasietroepen in Duinkerke. Uit onvrede met de Bourgondische strategie braken ze het beleg van die stad vroegtijdig op. Terug in Brugge weigerden ze de stad weer binnen te gaan voor aan hun eisen was voldaan. De Brugse troepen richtten zich zelfs tegen Sluis, dat als een ongehoorzame voorhaven werd beschouwd. Waarop Filips de Schone Sluis steunde, maar daardoor alle gezag in Brugge verloor.

Een opstandig regime van ambachtsdekens werd geïnstalleerd. Steeds meer figuren en families uit de rijke elite ontvluchtten Brugge. Ten laatste in 1437 volgde Jan van Eyck hun voorbeeld. Vijf jaar eerder had hij zijn bekendste werk voltooid, dat door zijn inmiddels overleden broer Hubert begonnen was, Het Lam Gods. Maar ondanks zijn prestige moest ook hij de benen nemen.

Dumolyn: ‘Deze episode uit het leven van de grootste Zuid-Nederlandse meester is bij kunstliefhebbers amper bekend. Ze herinnert aan de controverse die bij onze noorderburen heerst over hun Gouden Eeuw. In het Belgisch-Vlaamse historische narratief is de Bourgondische periode ook zo’n tijd van innovatieve kunstenaars en een bloeiende cultuur in steden als Brugge. Maar ook in die Bourgondische gouden jaren waren er sociale spanningen en andere schaduwzijden.’

Jan Dumolyn is verbonden aan de Universiteit Gent. Hij is gespecialiseerd in de middeleeuwse geschiedenis van Vlaamse steden en de geschiedenis van de sociale strijd. Hij is coauteur van Brugge: een middeleeuwse metropool (850-1555), dat dit jaar verscheen,en gastcurator van de tentoonstelling Van Eyck: een optische revolutie, van 1 februari tot 30 april 2020 in MSK Gent.

De alternatieve canon

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content