Opinie

Luce Beeckmans

‘Hoe laten we covid-19 onze steden hertekenen?’

Luce Beeckmans Luce Beeckmans is professor aan de Universiteit Gent. Ze schrijft hier in eigen naam.

‘Ook vandaag zorgt het coronavirus ervoor dat sommigen hun ‘recht op de stad’ verliezen’, schrijft onderzoeker Luce Beeckmans (UGent).

In sommige steden heeft het coronavirus vandaag reeds een impact op de inrichting en het gebruik van de stedelijke ruimte. Van Berlijn tot Bogota worden straten opengesteld voor fietsers en voetgangers om ‘physical distancing’ te faciliteren. Ondertussen klinkt bij ons ook de roep om de stad in het kader van covid-19 te gaan hertekenen ‘met verkeerskegels, nadarhekken en een streepje verf’. Sommigen zijn nog ambitieuzer en zien in de pandemie een kans om de discipline van de stedenbouw te herdenken. In de column ‘’t Stad als vaccin, onze buurt als medicijn‘, vraagt stedenbouwkundige Maarten Van Acker zich in Gazet Van Antwerpen af of we onze omgeving zo kunnen inrichten dat die bijdraagt aan onze immuniteit en gezondheid. Het klinkt als muziek in de oren. Maar toch vraag ik me af: een medicijn voor wie en voor wat?

Hoe laten we covid-19 onze steden hertekenen?

Een blik op de geschiedenis toont immers dat een stedenbouw als directe respons op epidemieën niet per definitie tot een ‘gezonde stad’ leidt, zoals Van Acker suggereert. Van krotopruimingen in de industriële 19e eeuwse Europese stad tot ‘slum clearances‘ in de Global South: zelden zijn het enkel gezondheidsmotiveringen die aan de basis van stedelijke saneringen liggen. Niet weinig is een versterkte ruimtelijke segregatie en een exclusieve stedelijkheid het gevolg.

In deze context is het interessant om even naar de Afrikaanse stadsontwikkeling tijdens de kolonisatie te kijken. Niet alleen zorgden de koloniale machtsverhoudingen daar voor een uitvergroting van stedenbouwkundige interventies die ook elders plaatsvonden, de ‘rassenkwestie’ maakt ze ook leesbaarder. De grote preoccupatie voor volksgezondheid bij het koloniale bestuur in Afrika was natuurlijk terecht. De dreiging van dodelijke epidemieën was immers reëel en aanzienlijk. Epidemieën werden er echter aangegrepen als een kans om raciale segregatie in de stedelijke ruimte in te voeren, een fenomeen dat historicus Maynard Swanson in 1977 samenbracht onder de noemer het ‘sanitation syndrome’. Haarfijn toont hij hoe in Zuid-Afrika rond 1900 een hygiënistisch discours werd gebruikt om de invoering van raciale segregatie een rationeel kader en een wetenschappelijke grond te geven.

Ook in Dakar, Dar es Salaam en Kinshasa kwamen hygiëne en volksgezondheid hoog op de stedenbouwkundige agenda, zij het met enkele decennia vertraging. Het sanitation syndrome kreeg er echter een andere ruimtelijke invulling dan in Zuid-Afrika, waar Afrikanen mijlenver buiten de stad werden verwijderd en in de zogenaamde homelands werden ondergebracht. In deze steden werd een onbebouwde zone tussen de Afrikaanse en Europese wijken ingepland: het ‘cordon sanitaire’. Het moest ervoor zorgen dat epidemieën als de pest en tropische ziektes als malaria niet door ratten en insecten van de ‘besmette’ Afrikaanse wijk naar de Europese wijk werden overgebracht. Er bestond echter weinig eensgezindheid over de breedte van deze bufferzones die de Europese wijk, met haar geasfalteerde boulevards, ruime, groene percelen, en villa’s uit duurzame materialen van de Afrikaanse wijk, waar dit alles ontbrak, moest scheiden. Dokters, die universele experts werden beschouwd die ook over de stedenbouw gingen, schreven in de verschillende kolonies andere afmetingen voor, wat de pseudo-wetenschappelijkheid van de interventie aantoont. De praktijk van raciale segregatie in de Afrikaanse stad evolueerde niettemin van een tijdelijke (nood)oplossing als reactie op de uitbraak van besmettelijke ziektes naar een legitieme sanitaire en zelfs stedenbouwkundige ingreep. Uiteindelijk werd een hygiënistisch discours aangewend om Afrikanen de toegang tot de stad te ontzeggen. Exact dit gevaar loert nu ook om de hoek.

Ook vandaag zorgt het coronavirus er immers voor dat sommigen hun ‘recht op de stad’ verliezen. Toen de lockdown werd afgekondigd in Delhi, stroomden duizenden mensen de stad uit, simpelweg omdat ze er geen permanent onderdak hadden. Ook bij ons zijn er heel wat daklozen en vluchtelingen voor wie de oproep om in je ‘kot’ te blijven pijnlijk aantoont dat hun recht op huisvesting niet wordt gewaarborgd. En met de sluiting van het Klein Kasteeltje verloren asielzoekers hun (officiële) toegang tot het territorium.

In anticipatie op en exit-strategie wordt momenteel aan de Belgische Kust het idee van een strandpas uitgedokterd waarbij de toegang tot de publieke ruimte, in dit geval het strand, zou worden gereguleerd op basis van eigendomsrecht (een woonst hebben aan de kust) of het betalen van belastingen (belasting op tweede verblijf of een toeristen­belasting). In feite is dit niet anders dan een tijdelijke privatisering van het strand die voor we het weten permanente allures kan krijgen.

Misschien is dit een voorbode van hoe de covid-19-pandemie onze steden van morgen zal hertekenen? Een stedenbouw als directe respons op covid-19 lijkt in elk geval een uitnodiging voor een opmars van gated communities wereldwijd of exclusieve huisvestings- en co-housingprojecten à la Nieuw Zuid in Antwerpen of de Nieuwe Dokken in Gent, waarbij wat in de publieke ruimte zit, zoals moes- en speeltuinen, wordt gereproduceerd, maar slechts voor enkelen toegankelijk is.

Natuurlijk is niemand gekant tegen een stad met meer veilige, beweegvriendelijke en groene, open ruimtes waar we allen op anderhalve meter van elkaar kunnen bewegen. De vraag is echter wie er nog in de post-covid-19 stad zal rondlopen? We zien nu al dat de uitbraak van covid-19 resulteert in een erg ongelijke toegang tot de publieke ruimte en als het ware een voorschrift vormt voor een exclusieve woningbouw. Daarop een stad bouwen lijkt niet aangewezen. Stedenbouwkundige lessen trekken uit de covid-19 lockdown lijkt evenwel een goed idee. Maar misschien moeten we dan niet vertrekken vanuit de geprivilegieerde ervaringen van zij die de lockdown als een opportuniteit hebben gezien (bijvoorbeeld om op de boulevard te joggen). Misschien moeten we net vertrekken vanuit het perspectief van zij die door de lockdown helemaal uit de boot zijn gevallen. Het gaat dan over een stedenbouw die voorziet in meer kwalitatieve en betaalbare huurwoningen, die het mogelijk maakt om op de (woon)ladder op te klimmen en die zorgt voor een gelijke toegang tot de publieke ruimte en voorzieningen. Want wat als we de zee deze zomer eens in de eerste plaats toegankelijk zouden maken voor zij (waaronder veel zorgverleners) die geen eigendom of tuin hebben? Zou dat niet het begin van een rechtvaardige stedenbouw en ruimtelijke ordening kunnen zijn?

Luce Beeckmans is senior FWO postdoctoraal onderzoeker, verbonden aan de Vakgroep Architectuur en Stedenbouw van UGent.

Partner Content