Opinie

Gustaaf Cornelis

‘Consensus en voortschrijdend inzicht: waarom bollebozen nu en dan het roer omgooien’

Gustaaf Cornelis Wetenschapsfilosoof aan de VUB

Voor de Universiteit Van Vlaanderen staat Gustaaf Cornelis, wetenschapsfilosoof aan de VUB, stil bij de vraag waarom het soms lijkt alsof wetenschappers vaak van gedachten veranderen. ‘Wetenschap hoort traag te evolueren: het is immers een creatief proces, dat gewoon erg veel tijd vraagt.’

Wetenschappelijke kennis komt op een dynamische en gecontroleerde wijze tot stand met erkende methoden en technieken door vakkundige onderzoekers. Hoe is het dan mogelijk dat de bollebozen om de haverklap het roer omgooien?

Wanneer we met de neus op de wetenschappelijke feiten worden gedrukt, hebben we wel meermaals de indruk dat wetenschappers van de ene op de andere dag wat anders vertellen, het onderling oneens zijn of – en dat vinden we al helemaal onbegrijpelijk – het klaarblijkelijk ook niet weten. We hebben oog voor wetenschappelijke conclusies als het ons direct aangaat, als het wetenschappelijke verhaal rechtstreeks ingrijpt op ons leven. Dan zijn we extreem gevoelig voor tegenspraak en pikken we eruit wat in ons kraam past. Ofwel profiteren we ervan dat ‘de wetenschap ook geen antwoorden heeft’ (zodat we naar alternatieven op zoek moeten gaan), ofwel kiezen we de positie die ons het beste schikt. Maar we kunnen ook ontredderd raken. Ons wereldbeeld steunt in grote mate op de door de eeuwen heen vergaarde kennis – we staan er niet bij stil dat zowat alles intussen herzien, dan wel grondig genuanceerd werd. Laat ons wel wezen, zonder de toegepaste wetenschap zouden we bijna letterlijk geen meter verder geraken: we stappen naar het restaurant om de hoek begeleid door een app op onze smartphone. Enkel het eten op het bord is nog niet voorgekauwd. We zijn compleet afhankelijk van wat er in de wereld van de wetenschap gebeurt, en zien ons vertrouwen liever niet geschaad.

Consensus en voortschrijdend inzicht: waarom bollebozen nu en dan het roer omgooien.

Vandaag zijn er zowat twintigduizend wetenschappelijke tijdschriften waarin wetenschappers hun bevindingen publiceren. In de zeventiende eeuw kon je die op één hand tellen. Vorige eeuw duurde het zowat een half jaar voor een onderzoeker zijn/haar/hun artikel zag verschijnen, nu pronken de tijdschriften ermee dat ze de publicatietijd hebben verkort tot minder dan een maand. Kortom: het gaat tegenwoordig snel, heel snel. Er komen dus dagelijks veel nieuwe inzichten bij. Het heeft er onder andere mee te maken dat er erg veel wetenschappers zijn, wat maakt dat er ook een grote concurrentie bestaat. Want die mensen moeten wel een job vinden aan universiteiten of onderzoekscentra die er uiteraard niet in overvloed zijn. Jobzekerheid hangt onder andere af van de publicatiehoeveelheid. Dat leest u goed. Aan de kwaliteit van de publicaties lijken de academische werkgevers niet te twijfelen omdat ze een blind vertrouwen hebben in de wederzijdse controle door wetenschapsmensen. Daar loopt het wel eens mis, precies omdat die controle erg snel wordt uitgevoerd. Mensen maken fouten. Onderzoekers maken fouten tijdens het onderzoek. Hier en daar lopen ze de kantjes eraf. Niets menselijks is de wereld van de wetenschap vreemd. Redenen om aan wetenschap te twijfelen?

De nieuwe inzichten komen voor een groot deel neer op verfijningen en herzieningen. Wetenschappelijk kennis van om en nabij vijf jaar oud wordt tegenwoordig als belegen beschouwd. Waar je van Newton met zijn gravitatietheorie naar Einstein met zijn algemene relativiteitstheorie nog 200 jaar nodig had, is gebleken dat van ‘masker onnuttig’ naar ‘masker nuttig’ in de COVID-19 context minder dan 200 dagen nodig waren. Einsteins algemene relativiteitstheorie staat er echter als een rots. Dat er in het verleden paradigmawissels waren, betekent geenszins dat er noodzakelijk ooit een einde aan het succes van Einstein zal komen. Met mondmaskers lag het wat voor de hand.

Veranderen wetenschapsmensen van gedachten omdat ze zich vergissen? Uit het bovenstaande volgt zo het een en ander. Wetenschappers kunnen zich verrekenen maar dan zal de wederzijdse controle snel op die vergissing uitkomen. Vergissingen gaan meestal terug op een slordigheid. Al gebeurt het ook wel dat een groep onderzoekers collectief dwaalt; dat heeft vaak te maken met groepsdynamica, wederzijdse beïnvloeding, of allerlei biases waarmee wetenschapsmensen als iedereen behept zijn. Zoals de confirmatiebias: ze zoeken naar bevestiging van hun vermoeden, doen bewust aan ‘cherry picking’, of zien écht niet wat hun theorie tegenspreekt. Newton heeft zich helemaal niet vergist met zijn gravitatietheorie. Er ging alleen een hele tijd over om vast te stellen dat er al te veel buiten de theorie viel én een alternatief voor handen was. Nu gaat het, zoals gezegd, er heel wat sneller aan toe en lijkt het alsof wetenschappers zich grondig vergissen: vorig jaar zeiden ze dit, vandaag zeggen ze wat anders. Maar wat ze vorig jaar zeiden, was net zo goed gebaseerd op onderzoek dat – hoogstwaarschijnlijk — volgens de regels van de kunst werd uitgevoerd. Een verandering van gedachten is niets anders dan voortschrijdend inzicht.

Als de druk nog wat wordt verhoogd, bijvoorbeeld wanneer er politieke beslissingen van afhangen, moet wetenschap draaien op een al te grote snelheid. Wetenschap hoort echter traag te evolueren: het is immers een creatief proces, dat gewoon erg veel tijd vraagt. Enkel op die manier kan je slordig wetenschappelijk werk vermijden en kan de noodzakelijke wederzijdse controle op degelijke wijze worden uitgevoerd. Je zou trouwens verbaasd zijn hoe voorzichtig wetenschappers zich in hun artikels uitlaten inzake de conclusies van hun studies: ‘dient verder te worden onderzocht’, ‘kanttekeningen moeten worden gemaakt’, ‘we leggen de nadruk op de beperkingen van deze studie’. Overigens hoeft er maar weinig variatie te zijn in de randvoorwaarden van een studie om een ander resultaat op te leveren. Geef trouwens dezelfde meetgegevens aan verschillende groepen en er komen andere, soms tegenstrijdige resultaten uit. Geen van de groepen heeft zich hier vergist: ze hebben gewoon andere, legitieme keuzes gemaakt in de loop van het onderzoek.

Als wetenschapsmensen van gedachten veranderen is dat omdat de wetenschappelijke feiten die verandering noodzaken. Wetenschappelijke feiten zijn niet vaststaand: het zijn constructies, door mensen, door teams van mensen, bediscussieerd op conferenties, onderwerp van controverse in tijdschriften. Wanneer politici en bevolking zenuwachtig op antwoorden zitten te wachten, in de volle overtuiging dat er één waarheid is en dat de wetenschap die kan achterhalen, dan komen de wetenschapsmensen met weliswaar op onderzoek gebaseerde oplossingen, maar verliest de boodschap de vrijwaring omtrent onzekerheden, eigen aan het wetenschappelijke proces. Over wetenschappelijke theorieën kan je enkel maar zeggen dat de ene waarschijnlijker is dan de andere. Soms wisselt die waarschijnlijkheid en veranderen de wetenschapsmensen terecht van gedachten. Overtuigd vasthouden om andere dan wetenschappelijke redenen is juist het einde van wetenschap.

Partner Content