Ik ben dit academiejaar gestart met een college over wetenschap en democratie. Dat leek me een interessant en spannend onderwerp in deze coronatijd. Ik wilde hiermee studenten aan het denken zetten over de vraag hoe wetenschap en experts zich kunnen verhouden ten aanzien van democratie en politieke besluitvorming. Dit is een oude én zeer actuele vraag. Het heeft Plato, Francis Bacon, John Stuart Mill en Karl Popper bezig gehouden en we worstelen er vandaag nog steeds mee.

Sommigen zijn met Plato van mening dat wetenschap althans op bepaalde punten de democratie beter zou vervangen. Op 25 juni 2019 zegt wetenschapsjournalist Dirk Draulans in een gesprek op de Afspraak met de toenmalige bouwmeester Leo Van Broeck dan hij het inzake klimaatbeleid helemaal heeft gehad met de democratische besluitvorming. Het is tijd dat experts het overnemen. We kunnen ons daar wel iets bij voorstellen. Democratie werkt immers oeverloos traag (procedures, debatten, amendementen... ), is geïnstitutionaliseerd korte termijndenken (tot de volgende verkiezing) en kan de verkeerde mensen aan de macht brengen (Trump). Hoe zou democratie dan het hoofd kunnen bieden aan iets als een klimaat- of coronacrisis?

De legitimiteit van politieke beslissingen ligt nog steeds bij de burgers, niet bij de wetenschap.

Maar ook de omgekeerde vraag is interessant: is wetenschap wel in staat om een acute crisis aan te pakken? De bestuurswetenschappers Mirko Noordegraaf en Wouter van Dooren wijzen er terecht op dat de normale werking van wetenschap haaks staat op crisisbeheer. Wetenschap neemt de trage weg van het voortschrijdend inzicht, terwijl een crisis snelle beslissingen vergt. Wetenschap leeft van het intellectueel conflict, werkt met onzekerheden en waarschijnlijkheden, zoekt nuance en vindt complexiteit. Crisisbeheer vraagt daarentegen eenduidigheid, zekerheid, eenvoudig en krachtdadig beleid. In een crisis dreigt wetenschap ook op een oneigenlijke manier onderdeel van politieke besluitvorming te worden. Experts worden politiek-strategisch ingezet om beleid te legitimeren. De wetenschap wordt hiertoe gepersonifieerd in enkele figuren. Zij moeten niet alleen de verspreiding van het virus onderzoeken en documenteren, hun gezicht moet ook mee helpen de crisis te bezweren. Op die manier worden die experts goeroe's die niet bekritiseerd mogen worden, terwijl ze bij anderen openlijk afkeer oproepen die zelfs tot bedreiging kunnen leiden. Dit soort reacties zijn erg onprettig voor de betrokkenen, maar doen ook het statuut van de wetenschap geen goed.

In een crisis als deze komt de lastige relatie tussen wetenschap en democratie op scherp te staan. Ze dreigen op elkaars terrein te komen terwijl ze een duidelijk van elkaar te onderscheiden logica volgen en een andere kerntaak hebben. Wetenschap is beschrijvend en zoekt hoe de wereld in elkaar zit. Wetenschappers verzamelen feiten en schrijven modellen en scenario's uit. Politici maken beleidskeuzes en willen kosten en baten verdelen op een manier die strookt met hun ideologie. Politieke keuzes zijn niet neutraal en volgen nooit zomaar uit de wetenschappelijke feiten. Wetenschappers kunnen alleen de mogelijkheden zichtbaar maken en informeren over de gevolgen van keuzes.

Wetenschap gaat vooruit via peer review, herhaald experiment en geduldig onderzoek. Het wordt bedreven door wetenschappers. Democratie daarentegen is de plek waar het publiek debat zich afspeelt. Iedereen mag eraan deelnemen en de politici die het beleid maken (of in de oppositie afkraken) zijn volksvertegenwoordigers die ons allen mee in de res publica betrekken.

Dit brengt me tot twee overwegingen.

Vooreerst: over de geldigheid van wetenschappelijke bevindingen moeten we inderdaad geen democratisch debat organiseren. Weinigen zijn echt goed geplaatst om wetenschappelijke kennis te beoordelen. Maarten Boudry heeft overschot van gelijk: de wetenschappelijke methode en gemeenschap leveren na verloop van tijd robuuste kennis op die je als enkeling niet met één welgemikte 'zilveren kogel' zomaar aan flarden kan schieten. We moeten in dat opzicht dringend verduidelijken wat we onder kritisch denken verstaan. Vaak wordt verwezen naar het Kantiaanse dictum sapere aude, durf te denken - ook de baseline van de UGent. Ik kom echter wel eens mensen tegen die een T-shirt dragen met daarop in het groot use your brain waarvan ik ernstig twijfel of dat wel goed komt als ze zich zouden beperken tot het (zelfverklaard kritisch) gebruik van hun brein. We moeten opnieuw tot een opvatting komen waarin vertrouwen een centrale plaats krijgt in onze opvatting over wat kritisch denken is en hoe we de juiste feiten kunnen achterhalen. Kritisch denken is echt niet hetzelfde als zelf voortdurend het onze ervan willen denken. Het heeft vooral ook te maken met het durven vertrouwen stellen in instanties die het vertrouwen waard zijn.

Op dat punt ben ik al een tijdje niet zonder zorgen als ik zie hoe allerhande krachten vandaag proberen om wetenschap, academici en experts, maar ook de zogenaamde Main Stream Media verdacht te maken. Volgens het populistische denkschema behoren wetenschappers en journalisten tot de volksvijandige elite, en zowel Trump als allerlei alternatieve (complot- en natuur-)denkers presenteren onder het mom van kritisch denken hun eigen alternatieve feiten, berekeningen en interpretaties - vaak op eigen sociale media.

Ten tweede: wetenschappers en experts die zich inlaten met beleid en politieke keuzes (en dat doen ze in de coronakwestie hier vaak), moeten op dat punt wel debat en kritiek vanuit de bredere samenleving willen aanvaarden. Zoniet worden ze autoritair en dan word ik als burger lastig. Over beleid kunnen we immers wel een veel bredere discussie voeren dan over wetenschap. De legitimiteit van politieke beslissingen ligt immers nog steeds bij de burgers, niet bij de wetenschap.

Ik ben voor evidence-based beleid: een beleid dat voor het bereiken van haar doelstellingen maximaal rekening houdt met de best mogelijke wetenschappelijke inzichten en beschikbare data. Maar de vraag wat die doelstellingen moeten zijn en welke richting het uit moet met onze samenleving, is zelf geen wetenschappelijke vraag. Ze kan en mag dus ook niet enkel door wetenschappers en experts beantwoord worden.

Ik volg op dat punt Max Weber die in 1919 in zijn beroemde lezing Wetenschap als beroep stelt dat er geen wetenschappelijke manier bestaat om praktische (morele, politieke) standpunten te verdedigen. Alle natuurwetenschappen - zo schrijft hij - geven antwoord op de vraag wat we moeten doen als we het leven technisch willen beheersen. Maar de vraag óf en in welke mate we het technisch willen beheersen, valt buiten de wetenschap. Geneeskunde kan levens verlengen, maar geeft geen antwoord op de vraag welk leven levenswaardig is. Of mondmaskers de circulatie van het virus bemoeilijken is een wetenschappelijke kwestie, in welke mate en omstandigheden we mondmaskers willen verplichten is een politieke zaak. Wetenschappers kunnen nadenken welke maatregelen nodig zijn in functie van flatten of crush the curve. Maar de keuze voor een van deze (of een ander) scenario is politiek. Meer algemeen: wetenschappers kunnen erop wijzen waar het virus zich gemakkelijk en gevaarlijk kan verspreiden, maar de vraag waar we als samenleving het voorzorgsprincipe wensen te hanteren en waar we eventueel wat risico willen nemen, is politiek. Wetenschappers mogen zich evident in deze discussie mengen en hebben wat mij betreft de morele plicht om dat met de juiste feiten te doen, maar men moet beseffen dat de wetenschapper hier dan in de eerste plaats als burger spreekt.

Ik ben het dus eens met Plato dat we een schip best laten besturen door iemand die iets van navigatie kent, maar ik voeg er als democraat wel steeds aan toe dat het ons als passagiers toekomt om de richting en de bestemming te bepalen.

Ik ben dit academiejaar gestart met een college over wetenschap en democratie. Dat leek me een interessant en spannend onderwerp in deze coronatijd. Ik wilde hiermee studenten aan het denken zetten over de vraag hoe wetenschap en experts zich kunnen verhouden ten aanzien van democratie en politieke besluitvorming. Dit is een oude én zeer actuele vraag. Het heeft Plato, Francis Bacon, John Stuart Mill en Karl Popper bezig gehouden en we worstelen er vandaag nog steeds mee.Sommigen zijn met Plato van mening dat wetenschap althans op bepaalde punten de democratie beter zou vervangen. Op 25 juni 2019 zegt wetenschapsjournalist Dirk Draulans in een gesprek op de Afspraak met de toenmalige bouwmeester Leo Van Broeck dan hij het inzake klimaatbeleid helemaal heeft gehad met de democratische besluitvorming. Het is tijd dat experts het overnemen. We kunnen ons daar wel iets bij voorstellen. Democratie werkt immers oeverloos traag (procedures, debatten, amendementen... ), is geïnstitutionaliseerd korte termijndenken (tot de volgende verkiezing) en kan de verkeerde mensen aan de macht brengen (Trump). Hoe zou democratie dan het hoofd kunnen bieden aan iets als een klimaat- of coronacrisis? Maar ook de omgekeerde vraag is interessant: is wetenschap wel in staat om een acute crisis aan te pakken? De bestuurswetenschappers Mirko Noordegraaf en Wouter van Dooren wijzen er terecht op dat de normale werking van wetenschap haaks staat op crisisbeheer. Wetenschap neemt de trage weg van het voortschrijdend inzicht, terwijl een crisis snelle beslissingen vergt. Wetenschap leeft van het intellectueel conflict, werkt met onzekerheden en waarschijnlijkheden, zoekt nuance en vindt complexiteit. Crisisbeheer vraagt daarentegen eenduidigheid, zekerheid, eenvoudig en krachtdadig beleid. In een crisis dreigt wetenschap ook op een oneigenlijke manier onderdeel van politieke besluitvorming te worden. Experts worden politiek-strategisch ingezet om beleid te legitimeren. De wetenschap wordt hiertoe gepersonifieerd in enkele figuren. Zij moeten niet alleen de verspreiding van het virus onderzoeken en documenteren, hun gezicht moet ook mee helpen de crisis te bezweren. Op die manier worden die experts goeroe's die niet bekritiseerd mogen worden, terwijl ze bij anderen openlijk afkeer oproepen die zelfs tot bedreiging kunnen leiden. Dit soort reacties zijn erg onprettig voor de betrokkenen, maar doen ook het statuut van de wetenschap geen goed. In een crisis als deze komt de lastige relatie tussen wetenschap en democratie op scherp te staan. Ze dreigen op elkaars terrein te komen terwijl ze een duidelijk van elkaar te onderscheiden logica volgen en een andere kerntaak hebben. Wetenschap is beschrijvend en zoekt hoe de wereld in elkaar zit. Wetenschappers verzamelen feiten en schrijven modellen en scenario's uit. Politici maken beleidskeuzes en willen kosten en baten verdelen op een manier die strookt met hun ideologie. Politieke keuzes zijn niet neutraal en volgen nooit zomaar uit de wetenschappelijke feiten. Wetenschappers kunnen alleen de mogelijkheden zichtbaar maken en informeren over de gevolgen van keuzes.Wetenschap gaat vooruit via peer review, herhaald experiment en geduldig onderzoek. Het wordt bedreven door wetenschappers. Democratie daarentegen is de plek waar het publiek debat zich afspeelt. Iedereen mag eraan deelnemen en de politici die het beleid maken (of in de oppositie afkraken) zijn volksvertegenwoordigers die ons allen mee in de res publica betrekken.Dit brengt me tot twee overwegingen. Vooreerst: over de geldigheid van wetenschappelijke bevindingen moeten we inderdaad geen democratisch debat organiseren. Weinigen zijn echt goed geplaatst om wetenschappelijke kennis te beoordelen. Maarten Boudry heeft overschot van gelijk: de wetenschappelijke methode en gemeenschap leveren na verloop van tijd robuuste kennis op die je als enkeling niet met één welgemikte 'zilveren kogel' zomaar aan flarden kan schieten. We moeten in dat opzicht dringend verduidelijken wat we onder kritisch denken verstaan. Vaak wordt verwezen naar het Kantiaanse dictum sapere aude, durf te denken - ook de baseline van de UGent. Ik kom echter wel eens mensen tegen die een T-shirt dragen met daarop in het groot use your brain waarvan ik ernstig twijfel of dat wel goed komt als ze zich zouden beperken tot het (zelfverklaard kritisch) gebruik van hun brein. We moeten opnieuw tot een opvatting komen waarin vertrouwen een centrale plaats krijgt in onze opvatting over wat kritisch denken is en hoe we de juiste feiten kunnen achterhalen. Kritisch denken is echt niet hetzelfde als zelf voortdurend het onze ervan willen denken. Het heeft vooral ook te maken met het durven vertrouwen stellen in instanties die het vertrouwen waard zijn.Op dat punt ben ik al een tijdje niet zonder zorgen als ik zie hoe allerhande krachten vandaag proberen om wetenschap, academici en experts, maar ook de zogenaamde Main Stream Media verdacht te maken. Volgens het populistische denkschema behoren wetenschappers en journalisten tot de volksvijandige elite, en zowel Trump als allerlei alternatieve (complot- en natuur-)denkers presenteren onder het mom van kritisch denken hun eigen alternatieve feiten, berekeningen en interpretaties - vaak op eigen sociale media. Ten tweede: wetenschappers en experts die zich inlaten met beleid en politieke keuzes (en dat doen ze in de coronakwestie hier vaak), moeten op dat punt wel debat en kritiek vanuit de bredere samenleving willen aanvaarden. Zoniet worden ze autoritair en dan word ik als burger lastig. Over beleid kunnen we immers wel een veel bredere discussie voeren dan over wetenschap. De legitimiteit van politieke beslissingen ligt immers nog steeds bij de burgers, niet bij de wetenschap. Ik ben voor evidence-based beleid: een beleid dat voor het bereiken van haar doelstellingen maximaal rekening houdt met de best mogelijke wetenschappelijke inzichten en beschikbare data. Maar de vraag wat die doelstellingen moeten zijn en welke richting het uit moet met onze samenleving, is zelf geen wetenschappelijke vraag. Ze kan en mag dus ook niet enkel door wetenschappers en experts beantwoord worden. Ik volg op dat punt Max Weber die in 1919 in zijn beroemde lezing Wetenschap als beroep stelt dat er geen wetenschappelijke manier bestaat om praktische (morele, politieke) standpunten te verdedigen. Alle natuurwetenschappen - zo schrijft hij - geven antwoord op de vraag wat we moeten doen als we het leven technisch willen beheersen. Maar de vraag óf en in welke mate we het technisch willen beheersen, valt buiten de wetenschap. Geneeskunde kan levens verlengen, maar geeft geen antwoord op de vraag welk leven levenswaardig is. Of mondmaskers de circulatie van het virus bemoeilijken is een wetenschappelijke kwestie, in welke mate en omstandigheden we mondmaskers willen verplichten is een politieke zaak. Wetenschappers kunnen nadenken welke maatregelen nodig zijn in functie van flatten of crush the curve. Maar de keuze voor een van deze (of een ander) scenario is politiek. Meer algemeen: wetenschappers kunnen erop wijzen waar het virus zich gemakkelijk en gevaarlijk kan verspreiden, maar de vraag waar we als samenleving het voorzorgsprincipe wensen te hanteren en waar we eventueel wat risico willen nemen, is politiek. Wetenschappers mogen zich evident in deze discussie mengen en hebben wat mij betreft de morele plicht om dat met de juiste feiten te doen, maar men moet beseffen dat de wetenschapper hier dan in de eerste plaats als burger spreekt. Ik ben het dus eens met Plato dat we een schip best laten besturen door iemand die iets van navigatie kent, maar ik voeg er als democraat wel steeds aan toe dat het ons als passagiers toekomt om de richting en de bestemming te bepalen.