Opinie

Tinne Leysen

‘Waarom slagen we er niet in om voor iedere baby en peuter een plek te garanderen in een kwaliteitsvolle kinderopvang?’

Ik ben jong en moet zelf nog kinderen krijgen. Hopelijk is tegen die tijd het kinderopvanglandschap veranderd’, schrijft Tinne Leysen, masterstudente sociaal werk en sociaal beleid aan de KU Leuven. Ze blijft bezorgd achter na gesprekken met alle betrokken partijen in het debat over de kinderopvang. ‘Kinderbijslag is namelijk een recht van elk kind en er is plaats op school voor bijna iedere 2,5 tot 18-jarige. Waarom slaagt het beleid er dan niet in om voor iedere baby en peuter een plek te garanderen in een kwaliteitsvolle kinderopvang?’

Er staan momenteel veel vacatures open en er is een ‘war for talent’ in alle sectoren. Waarom zou je dan kiezen voor een job met een laag inkomen en, een te hoge werklast? In de kinderopvang vertrekt meer personeel dan dat er instroomt. Het tekort aan (kwalitatieve) kinderopvang is bijgevolg nijpend. Zo waren er volgens het Agentschap Opgroeien anno 2020 in de Vlaamse Gemeenschap 94.924 formele opvangplaatsen voor ongeveer 195.000 baby’s en peuters.

De voornaamste oorzaak ligt volgens de bevraagden bij de te hoge kind-ratio. Acht à negen kinderen per begeleider is te veel om kwalitatieve opvang te kunnen bieden. Het is ook het hoogst vergeleken met andere Europese landen zoals Nederland, Finland en Denemarken, die drie tot vijf kindjes vooropstellen. Kwalitatieve kinderopvang creëert nochtans een meer gelijke start voor kinderen die opgroeien in armoede of leven in kwetsbare omstandigheden. Net die groepen vinden door de schaarste geen opvang.

In 2014 besliste toenmalig minister Jo Vandeurzen (CD&V) met een nieuw decreet om de tekorten weg te werken door de ratio van 6,5 kinderen per begeleider op te trekken. Het perspectief van de kinderbegeleider werd daarbij te veel over het hoofd gezien. Is werken in de kinderopvang nog wel werkbaar? De keuze voor kwantiteit boven kwaliteit en voor de economische functie boven de sociale en pedagogische komt ons op de lange termijn duur te staan.

De Vlaamse overheid ziet kinderopvang nog te veel als een economisch instrument voor werkende ouders. Nochtans wordt de kleuterschool voor driejarigen wel gezien als nodig en nuttig voor de pedagogische ontwikkeling van het kind. Volgens kinderpsychiater Binu Singh zijn de eerste duizend dagen van een kind belangrijk voor de latere ontwikkeling. Daarom stelde Connor Rousseau (Vooruit) voor om kinderopvang verplicht te maken vanaf de leeftijd van een half jaar. Zo wil hij gaan naar een meer rechtvaardige samenleving om aan de sociale functie van kinderopvang te kunnen voldoen.

In tegenstelling tot Rousseau ben ik tegenstander van verplichte kinderopvang. In de huidige context is dat ook niet mogelijk door de tekorten en onwenselijk door de ondermaatse kwaliteit buiten de wil van de tewerkgestelden. Enerzijds dient de ratio per begeleider te dalen om de kwaliteit te optimaliseren. Anderzijds zijn er betere arbeidsvoorwaarden nodig om meer én hoger geschoold personeel aan te trekken. Als we het voorbeeld van Nederland, Finland of Denemarken volgen, hebben we verschillende opleidingsniveaus op de werkvloer nodig. In Vlaanderen situeert de kinderopvang voor baby’s en peuters zich in een versnipperd landschap. Zo heb je medewerkers die quasi dezelfde job uitoefenen, maar dan onder een verschillend statuut met andere arbeidsvoorwaarden.

Moeten we niet naar meer uniformiteit met bijvoorbeeld een eengemaakt statuut zoals het onderwijs? Moeten we niet starten met het vergroten van een betaalbaar en kwalitatief aanbod? Moeten we daarnaast niet vertrouwen creëren bij mensen die de opvang nodig hebben, maar er nu geen gebruik van (kunnen) maken? Door de negatieve mediaberichten verliezen ouders het vertrouwen. Die berichten zijn ook nefast voor de arbeidsvreugde en de voldoening van het huidig personeel en voor de aantrekkelijkheid van het beroep voor wie werk zoekt.

Naast een ‘war for talent’ is er ook een ‘war for attention’. Iedere sector heeft dringende prioriteiten waardoor er een constante competitie is tussen thema’s die op de politieke agenda kunnen verschijnen. De thema’s die politici oppikken, zijn vaak die waarmee ze op korte termijn kunnen scoren bij de kiezer. Toch zijn het voor de kinderopvang net de socio-economische langetermijngevolgen die belangrijk zijn, zoals minder schooluitval, werkloosheid of criminaliteit. Na het spijtige incident in Mariakerke, is de aandacht plots veel groter. Waar in de kinderopvangsector al jaren gestreden wordt, krijgt nu de aandacht die het verdient. Daarom moeten we nu het momentum pakken om iets te veranderen.

Tinne Leysen is laatstejaarsstudente master sociaal werk en sociaal beleid aan de KU Leuven en dochter van een onthaalouder. Thuis ziet ze vanop de eerste rij hoe haarmoeder iedere week (toekomstige) ouders moet teleurstellen omdat ze geen plaats heeft in haar kinderopvang.

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content