Schrijver Benno Barnard nam in 2022 afscheid van zijn mentor en vriend Jeroen Brouwers

Jeroen Brouwers, 30 april 1940 – 11 mei 2022. ©  IMAGEDESK

Gevierd auteur Jeroen Brouwers overleed op 11 mei 2022. Schrijver Benno Barnard moest afscheid nemen van een vriend.

Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten

Jeroen Brouwers en ik waren intiem bevriend, maar toen hij op 11 mei dit jaar stierf, een oude man inmiddels, hadden wij elkaar al een jaar of wat niet meer gezien of gesproken. Als ik door de telescoop van de geschiedenis naar de oorzaak van onze onmin speur, valt die bijna niet meer te ontwaren – iets met een schenking van zijn brieven aan het literair museum. Tijdens onze brouille wisselden we een paar diplomatieke boodschappen, die vijandig noch hartelijk waren. Toen mijn dochtertje stierf, schreef hij mij een rouwbetuiging, die eindigde met de woorden: ‘Wees statig in je verdriet.’

Statig – dat was zo’n typisch Jeroenwoord. Ik moest erom lachen, voor zover dat rond Kerstmis 2016 mogelijk was. Hoe deed je dat, statig zijn in je verdriet? In zwart pak en met een hoge hoed op door het dorp schrijden en met droge ogen het rouwbeklag van je dorpsgenoten in ontvangst nemen? Evengoed was ik hem diep dankbaar voor die brief.

Ook hij had een kind verloren, zijn oudste zoon, Daan. Zijn verdriet daarover verborg hij, maar ik weet dat hij op zijn knieën Daan om vergiffenis heeft gesmeekt – hij was een slechte vader geweest, vond hij zelf. Dat alles vertelde hij me na een fles jenever en het typeert zijn rare, paradoxale karakter: charmant, hard, wrokkig, onstuimig, sentimenteel. Een man wiens hart een steen was die week werd wanneer hij Orpheus hoorde zingen, alleen was hij zelf Orpheus.

Luide akoestiek omringde hem, retoriek, brede gebaren, omhelzingen, geruzie, maar het was de drukte van een overgevoelige. Heel zijn werk, niet alleen die ene titel, was een kroniek van zijn karakter: één deel polemiek, één deel lyriek, soms ook polemische lyriek of lyrische polemiek – leest u bijvoorbeeld maar wat hij over zijn moeder schrijft in Bezonken rood.

Was hij overigens een goeie polemist? Volgens Arnon Grunberg niet. Die schreef: ‘Is dit een polemiek, dan is elke dominee een begenadigd polemist.’ Grunberg bezondigt zich hier aan lui en ijdel gebruik van het woord ‘dominee’, wat mijn eigen overgevoeligheid prikkelt: ik ben namelijk een domineeszoon en Grunbergs dominees zijn louter rede-kunstige exemplaren.

Zonder te willen psychologiseren – alsjeblieft zeg, ik ben de antichrist van de psychologie, de psychologie drijft de westerse wereld naar de rand van de afgrond – zeg ik u dat de polemieken van Jeroen uitingen waren van een nooit werkelijk genezen, altijd weer schrijnende, uit zijn kindertijd stammende wond. Al zijn polemieken zijn samen te vatten in een paar woorden uit Bezonken rood: ‘Naar de hel met haar. Ik bedoel: naar de hel met alle moeders.’

Zijn literaire polemieken zeiden precies hetzelfde: ‘Slechte schrijvers, jullie zijn bedriegers, jullie laten mij en de literatuur in de steek, net zoals mijn moeder dat ooit heeft gedaan toen ze me in een kostschool opsloot. Naar de hel met jullie.’

In mij waardeerde hij het verwante drukke karakter en hij zag dat ik als gezel van de meester – ik was begin dertig toen ik hem leerde kennen, hij al een gevestigde romancier – wel iets beloofde. Ja, ik durf wel te zeggen dat Jeroen mijn prozastijl bewonderde. Tegelijkertijd verklaarde hij niets van poëzie te begrijpen, wat hem er wel niet van afhield ooit een brief vol lofprijzing aan mijn vader te sturen (niet de dominee, maar de dichter) – hij was hem diep dankbaar voor die brief. En Jeroen zou zeer zeker de opvatting van Gustave Flaubert hebben beaamd dat een prozaregel even onveranderbaar moet zijn als een versregel.

Vrienden? Collega’s? Hoe vaak ben ik door anderen niet zijn leerling genoemd! Een van zijn leerlingen, want er waren ook andere jongere schrijvers die zich aan de voeten van deze goeroe zetten. En zo zie ik onze onderlinge verhouding zich aftekenen, die om te beginnen voortvloeide uit een bijzondere karakteristiek van Jeroens werk, vooral het vroege, autobiografische werk, en in het bijzonder Groetjes uit Brussel. Het was uitgesproken verslávend voor de taalgevoelige, romantische aspirant-schrijver, alsof er een bedwelmende rook uit opsteeg, iets als de hallucinaties uit de rotsspleet in Delphi…

Luide akoestiek omringde hem. Maar het was de drukte van een overgevoelige.

Denkend aan Jeroen zie ik die geweldige kop weer voor me, het struweel van zijn wenkbrauwen, die borende blauwe ogen; ik hoor dat gehijg en gesnuif weer. Ik voel die imposante buik bij onze omhelzing. En ik denk: een beer. Dat was zijn totemdier. Met die consonanten begint zijn achternaam. En het vormt een etymologische band met mijn eigen achternaam, waarvan de eerste lettergreep een oud-Germaanse vorm van ‘beer’ is.

De getemde beer was niets voor hem, hij had een afkeer van Olivier B. Bommel. Als beer kon hij zich nogal ongelikt gedragen – ook mij is dat niet vreemd. Zo raakte onze vriendschap op een gegeven moment dus vertroebeld. Jeroen kreeg spijt van onze ruzie en liet mij via een vriend weten dat hij de vriendschap graag wilde herstellen. Of ik maar contact met hem wilde opnemen. Ik schreef hem dat ik niet begreep waarom hij geen contact met mij opnam. Koppigheid was een van de karaktertrekken die bij ons allebei waren ingeplant. En zo werd het weer stil tussen ons.

De beer intussen, de solitaire brompot, was het geliefkoosde totemdier van Flaubert. Hebt u ooit de talloze gelijkenissen tussen Jeroen en Gustave tot u laten doordringen? Brompot, polemist, briefschrijver (genre: epistolaire bezetene), liefhebber van scabreuze grappen. De voorkeur voor isolement: het Croisset van Jeroen was een illegaal neergezet buitenhuisje in een bos in Zutendaal (tegen het einde van zijn leven pestte de kleinburgerlijke Vlaamse politiek hem daar weg, ook al was de bouwovertreding niet door hem begaan). Wat nog meer? Obsessie met de moederfiguur, zij het dat Gustave dol was op zijn moeder. Gezet. Ziekelijk: epilepsie in het geval van Gustave (later ook syfilis), kortademigheid in het geval van Jeroen.

Aan een operatie hield hij een gat ter hoogte van zijn adamsappel over, waarin een plastic pijpje paste: het leek alsof zijn aamborstige gepiep hem langs die weg verliet. Toen ik dat gat ooit ‘symbolisch’ noemde, zei hij: ‘Typisch een dichter. Wat symboliseert het dan?’ Niets misschien. Of wat u maar wilt. Zijn debuut heette Het mes op de keel.

Een meermaals getrouwde Gustave – dat is misschien het opvallendste verschil.

Stijl – laten we het daar nog even over hebben. Al mijn literaire helden zijn grote stilisten: Nabokov, Roth, Schulz, Flaubert, Brouwers. Stijl redt deze epische gestalten van de hen omringende stompzinnigheid. Ik gebruik met opzet dat ‘stompzinnigheid’ (ik gebruik íéder woord met opzet) omdat Flaubert het zo graag gebruikte. Natuurlijk, beslist, wat u zegt, voor Flaubert was stijl een functie van zijn onderwerp, de specifieke schrijfstijl van een roman vloeide voort uit de stof. Jeroen daarentegen was een ‘monogrammatische’ stilist: hij zette met een klap zijn initialen als een onmiskenbare stempel op iedere tekst die hij afleverde, van een kattebelletje tot Cliënt E. Busken.

In die laatste roman, zult u tegenwerpen, bepaalt het onderwerp toch juist de stijl? Jazeker, maar evengoed heeft dat Nederlands alle kenmerken van het onverwisselbare hogere gepriegel van deze horlogemaker, een ambacht waarmee hij ooit in een brief aan mij de stilistische perfectieneurose vergeleek.

Ik heb veel van Jeroen gehouden en zijn dood herinnerde mij aan onze dwaasheid. Ruzie! Ik mag wel zeggen dat ik in mijn trieste literaire leven veel smerigs heb ondervonden, maar dat Jeroen een van de weinigen was die mij overlaadden met geschenken. En dat onze ruzie stompzinnig was.

Een paar dagen na 11 mei ontving ik een bericht van Gwennie, zijn weduwe. ‘Het is erg jammer dat jullie de voorbije jaren gebrouilleerd raakten,’ schreef ze, ‘maar weet dat Jeroen niet boos meer was. ‘“Benno en ik hebben maar vijf minuten nodig om alles uit te praten, dan is het klaar.” Dat heb ik hem een paar keer horen zeggen wanneer er bezoek was en je ter sprake kwam.’

Aldus werd onze vriendschap hersteld.

‘Ik hoop’, voegde ze eraan toe, ‘dat het een beetje gaat met jou en je gezin. In de aanloop naar Kerst dwalen jullie ieder jaar door mijn hoofd.’

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content