Lojze Kovacic - De nieuwkomers

29/07/10 om 19:01 - Bijgewerkt om 19:01

Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog wordt een gezin over de Zwitserse grens gezet. In Slovenië lijden de nieuwkomers, zoals het boek van Lojze Kovacic heet, honger. Het weinige dat ze hebben, is onvoldoende om genoeg te zijn.

Lojze Kovacic - De nieuwkomers

Vertaald door Roel Schuyt

Uitgeverij: Van Gennep, Amsterdam

Aantal pagina's: 295

Prijs: 19,90 euro

ISBN: 978-90-551-5698-6

Lojze Kovacic - De nieuwkomers

Bubi zegt niet dat hij woedend is, maar drukt zijn razernij zo uit: 'Mijn ogen stonden zo wijd open dat ik me afvroeg waar ik eigenlijk was.' In zo'n passage zien we hoe Lojze Kovacic, de auteur van De nieuwkomers, een verdubbeling ondergaat: de schrijver is tegelijk het jongetje dat hij schept. De mentale spanning tussen die twee ongelijkheden resulteert in een autobiografische literatuur die eerder een vorm van geïntensifieerde werkelijkheid dan verzinsel is.

In het oeuvre van Kovacic raken we met dat procedé snel vertrouwd. Soms zegt Bubi zonder meer dat hij - behalve misschien bij God - nergens bij hoort. Maar soms is het ingewikkelder dan dat. Als de jongen zichzelf in de etalage van de goudsmid weerspiegeld ziet, is hij ontdaan: 'Wat was ik ontgoocheld toen ik de gedaante zag waarin ik zat, ik voelde me nog neerslachtiger dan daarnet... Het liefst had ik mezelf letterlijk uit mezelf naar buiten willen trekken... me aan de lucht vastgrijpen om me uit mijn armzalige omhulsel te bevrijden.'

Bubi is de roepnaam van de jongen die in De nieuwkomers eigenlijk Alois Samson heet. De roman begint met het vertrek van de Samsons uit Basel, Zwitserland, 1938. De Sloveense vader (Vati) en de Duitse moeder worden samen met hun kinderen uit Zwitserland verjaagd omdat Vati het in betere tijden verzuimd heeft het Zwitserse staatsburgerschap aan te vragen.

Die nalatigheid is een eeuwige bron van spanning tussen de ouders, die elkaar zo al niet begrijpen. De uitwijzing en het vertrek naar Slovenië vormen het begin van een onherstelbare sociale terugval. Vati, een bontwerker, is al 65: geen leeftijd meer om nog eens groots van wal te steken. Het hele gezin gaat in Slovenië de bitterste armoede tegemoet. Naarmate het verhaal vordert, ontwaart men ook de almaar scherpere contouren van het fascistische monster dat zijn schaduw over Europa werpt.

Maar voor Bubi is het vertrek uit Zwitserland een dubbelzinnig gegeven. In het begin geniet hij van het noodgedwongen avontuur. Voortdurend vergelijkt hij de dingen met elkaar, een handelwijze waarbij Basel het altijd moet afleggen tegen de nieuwe wereld.

Zelfs het vechten is leuker op de Sloveense weiden: 'In Basel zouden we ons hebben bezeerd als we op de grond vielen... maar hier was het een genot om op het zachte gras te vallen.' Veel heeft de jongen niet nodig om gelukkig te zijn ('Zo vlak voor mijn neus een trein, en dat iedere dag!'), maar helaas, het weinige is onvoldoende om genoeg te zijn.

De nieuwkomers zijn dus verschoppelingen. Niet eens bij de achtergebleven familieleden in Slovenië kunnen ze op mededogen rekenen. In de ogen van de Slovenen zijn de Samsons Duitsers, in de ogen van de Duitsers zijn ze Slovenen.

Behalve een naaimachine, één bed voor mama en de kinderen en een tafel waar Vati op slaapt, bezitten de ouders niets dan hun eeuwige ruzies. Tussen Vati en mama is er immers geen enkel punt van overeenkomst, 'behalve in de manier waarop ze ruzie maakten en kwaad op elkaar werden'.

De kinderen lijden zo veel honger dat ze verzwakt onder een boom gaan liggen. Bubi staat alleen nog op om te controleren hoe het met zijn uitgemergelde ouders gaat: 'Mama en Vati lagen in het kamertje om niet te veel te hoeven bewegen en nog meer honger te krijgen... Ik ging tweemaal bij hen kijken... de eerste keer uit verbazing omdat ze bij elkaar lagen, de keer daarop uit angst, want wie weet waren ze wel dood.'

De Nederlandse vertaling van De nieuwkomers staat helaas bol van de spelfouten. Toch is dit een roman met sterke beelden. Er is sprake van een vogel die als een smidshamer omhoogvliegt, van lui hout, van een hakenkruis dat eruitziet als vier met elkaar verbonden galgen, en van een houten lepel die overal prikt 'alsof hij niet wist waarvoor hij was gemaakt'.

Piet De Moor

Onze partners