Het eigen lot in eigen hand?

De socialisten missen hun afspraak met de geschiedenis niet bij de eerste verkiezingen met enkelvoudig algemeen stemrecht, op 16 november 1919. De Belgische Werkliedenpartij (BWP) haalt 70 van de 186 Kamerzetels binnen en regeert mee het land, als de op een na grootste partij in een nationale unie met katholieken en liberalen. Na jaren van strijd in de straten en de fabrieken kunnen de BWP'ers nu in het parlement en vanuit een paar ministeries proberen om hun programma te verwezenlijken. Of toch stukjes daarvan. Volgens het Charter van Quaregnon (1894) streeft de partij nog altijd naar de afschaffing van het kapitalisme. Maar dat is in een coalitieregering met verdedigers van dat systeem natuurlijk niet aan de orde. Verzachting en correctie van de liberale samenleving is wel haalbaar. De BWP rekent daarbij op de steun van de socialistische vakbond, die een enorme groeischeut kent. Voor de oorlog telt de Syndicale Commissie (voorloper van het Algemeen Belgisch Vakverbond) zo'n 130.000 leden. In 1919 is dat gestegen tot 630.000. De christelijke vakbond, voor de oorlog ook goed voor 120.000 leden, is in de oorlogsjaren in elkaar gezakt en telt nog maar 65.000 aangeslotenen, wat sommige socialisten van een vakbondsmonopolie doet dromen. Maar de christendemocratische groep zal zich snel weer herstellen en een belangrijke rol beginnen spelen in de sociale strijd.
...

De socialisten missen hun afspraak met de geschiedenis niet bij de eerste verkiezingen met enkelvoudig algemeen stemrecht, op 16 november 1919. De Belgische Werkliedenpartij (BWP) haalt 70 van de 186 Kamerzetels binnen en regeert mee het land, als de op een na grootste partij in een nationale unie met katholieken en liberalen. Na jaren van strijd in de straten en de fabrieken kunnen de BWP'ers nu in het parlement en vanuit een paar ministeries proberen om hun programma te verwezenlijken. Of toch stukjes daarvan. Volgens het Charter van Quaregnon (1894) streeft de partij nog altijd naar de afschaffing van het kapitalisme. Maar dat is in een coalitieregering met verdedigers van dat systeem natuurlijk niet aan de orde. Verzachting en correctie van de liberale samenleving is wel haalbaar. De BWP rekent daarbij op de steun van de socialistische vakbond, die een enorme groeischeut kent. Voor de oorlog telt de Syndicale Commissie (voorloper van het Algemeen Belgisch Vakverbond) zo'n 130.000 leden. In 1919 is dat gestegen tot 630.000. De christelijke vakbond, voor de oorlog ook goed voor 120.000 leden, is in de oorlogsjaren in elkaar gezakt en telt nog maar 65.000 aangeslotenen, wat sommige socialisten van een vakbondsmonopolie doet dromen. Maar de christendemocratische groep zal zich snel weer herstellen en een belangrijke rol beginnen spelen in de sociale strijd.De regering die na de verkiezingen van 1919 tot stand komt telt vier socialistische ministers: Emile Vandervelde (Justitie), Jules Destrée (Kunsten en Wetenschappen), Joseph Wauters (Nijverheid, Arbeid en Ravitaillering) en Edward Anseele (Openbare Werken). Bij de katholieke ministers zijn er ook twee christendemocraten (Jules Renkin en Prosper Poullet), maar de wens om de sociale tegenstellingen te verzachten wordt sowieso door de hele regering gedragen. De schaduw van de Russische Revolutie en van de revoltes in Duitsland hangt nog over heel Europa. De schrik voor een arbeidersopstand zit er diep in. Ook de 'burgerij' is bereid om stoom af te laten.De socialisten in de regering moeten helpen om de sociale vrede te herstellen. In de praktijk betekent dat: ze moeten er mee voor zorgen dat er een einde komt aan de golf van stakingen die het land teistert. In 1919 breken er 366 werkonderbrekingen uit, met samen 158.000 stakers. Voor de oorlog ligt het gemiddelde rond 14.000 stakers per jaar. De belangrijkste eisen: vakbondsvrijheid, een minimumloon en de werkdag van 8 uren. De werkgevers zijn blij dat er nu een socialistische minister van Arbeid is die de stakers weer aan het werk kan zetten. Regeringsdeelname dwingt de BWP onvermijdelijk tot een loyaliteit die breder is dan die van de klasse die zij vertegenwoordigt en die haar soms tegenover haar doet postvatten. Minister van Onderwijs Jules Destrée verklaart in de Kamer dat leraars volgens hem wel mogen aansluiten bij een vakbond, maar dat ze niet mogen staken: 'Neen, dat is niet toegestaan, omdat het over onze kinderen gaat, over een openbare dienst in de eerste plaats.' Het is dus lang geen socialistische revolutie die de BWP ontketent en haar prestaties zijn ook niet helemaal van haar alleen, maar ze zijn er wel.Emile Vandervelde is de onbetwiste 'patron' van de BWP. Hij is door koning Albert bij het begin van de oorlog tot 'minister van state' benoemd en in 1916 ook echt opgenomen in de regering, eerst zonder portefeuille, dan als minister van Bevoorrading en na de 'coup van Loppem' (november 1918) als minister van Justitie. Het is als 'Loppem-minister', nog voor de verkiezingen, dat hij een eerste keer een vaderlijk corrigerende hand op het dagelijks leven van de Belgen legt. Vandervelde heeft iets met alcohol, of beter: tégen alcohol. Het drankmisbruik onder de arbeiders is volgens hem een bron van onaanvaardbare ellende, erfelijke belasting en misdaad. De drankstatistieken die hij hanteert zijn in ieder geval indrukwekkend: op 1 maart 1892 zijn er in België 175.000 cafés, 1 café per negen mannen ouder dan 20 jaar. En daar wordt niet alleen bier geschonken, maar ook heel veel jenever.Jarenlang voert Vandervelde een eenzame strijd binnen zijn partij tegen Koning Alcohol. Dan steken de Duitsers hem een handje toe. De bezetting zorgt voor een tijdelijke 'drooglegging'. Om jenever te stoken is er graan nodig en dat wordt heel schaars. Om jenever te distilleren is er koper nodig en dat nemen de Duitsers op grote schaal in beslag. Het positieve effect van de schaarste wordt snel zichtbaar. In de krankzinnigengestichten daalt het aantal nieuwe patiënten met een alcoholpsychose snel. En er zijn ineens veel minder dronkaards in de straten. De artsen trekken hun conclusies en vragen de regering om de feitelijke 'drooglegging' te bevestigen met een alcoholverbod. Drie dagen na zijn aanstelling als minister van Justitie komt Vandervelde hen al tegemoet. Zijn besluitwet van 15 november 1918 verbiedt het maken, invoeren, vervoeren, te koop stellen, verkopen of schenken van sterke dranken, bieren en wijnen met een alcoholpercentage van meer 15%. België wordt dus niet volledig drooggelegd, maar de jeneverindustrie krijgt wel een doodsklap. De vrede blijkt in dit geval een voortzetting van de oorlog met andere middelen. De besluitwet is een voorlopige regeling. De alcohol-lobby start een krachtig offensief om ze af te schaffen of op zijn minst te verzachten. De fiscus laat opmerken dat met de sterke drank ook de accijnzen verdwenen zijn die erover geheven worden. Nog binnen het jaar geeft Vandervelde toe. Op 29 augustus 1919 wordt een nieuwe alcoholwet goedgekeurd.Het verbod op sterke drank in cafés en restaurants blijft overeind, maar privé mogen de Belgen weer jenever drinken, op voorwaarde dat zij die inkopen in flessen van minstens twee liter. Vandervelde hoopt dat de arbeiders zich niet dergelijke dure flessen zullen kunnen veroorloven. De 'wet-Vandervelde' is een monument dat vele jaren stand zal houden, maar van meet af aan ook ondermijnd wordt. In elk dorp kennen de liefhebbers van een borrel de privéadressen waar de dure flessen van twee liter weer per glas worden verkocht. Maar de tijd van het zinneloze jeneverzuipen is wel degelijk voorbij.Emile Vandervelde blijft minister van Justitie in de opeenvolgende regeringen van nationale unie, tot in 1921. Op zijn palmares staan nog een paar hervormingen die de trekken van de Belgische samenleving veranderd hebben. Het enkelvoudig algemeen stemrecht hebben de socialisten in Loppem zonder veel problemen toegezegd gekregen. Maar hun op één na belangrijkste strijdpunt staat nog altijd op de agenda: de afschaffing van artikel 310 van het Strafwetboek. Sinds 1866 hebben werknemers het recht om zich te verenigen en te staken om looneisen kracht bij te zetten. Maar artikel 310 verbiedt stakingspiketten en manifestaties in de buurt van fabrieken. In 1892 wordt dat nog uitgebreid tot alle vormen van 'intimidatie' van werkwilligen. Artikel 310 is overduidelijk een wapen dat voor de werkgevers is gemaakt, een hatelijk instrument van 'klassejustitie'. Het hof van beroep in Brussel heeft in een arrest zelfs bepaald dat het artikel niet van toepassing kan zijn op werkgevers. Op 11 juni 1919 dient Vandervelde een wetsontwerp in bestaande uit één zin: 'Het artikel 310 van het Strafwetboek, gewijzigd door de wet van 30 mei 1892, wordt afgeschaft.' Het duurt nog bijna twee jaar eer hij zijn zin krijgt.De discussies in het parlement over '310' zijn treffend voor de veranderde tijdgeest. In de oorlogsjaren hebben de arbeiders en hun politieke vertegenwoordigers hun loyaliteit bewezen. Ze mogen niet langer als potentiële vijanden van de staat worden beschouwd. Ook bij de liberalen en de katholieken is zo goed als iedereen het er mee eens dat de vakbonden in de nieuwe samenleving een belangrijke rol te vervullen hebben en dat ze daarbij niet mogen gehinderd worden door een reactionair wetsartikel. Zelfs de oude Charles Woeste, de verbeten tegenstander van christendemocraten en socialisten, vindt dat artikel 310 zijn tijd heeft gehad.Maar tegelijk is er angst ontstaan voor de al te grote macht van de socialistische vakbond. De slogan 'rood of geen brood' is opgedoken in de sociale strijd. De zwakke christelijke vakbondsorganisaties zijn bang dat ze helemaal zullen weggedrukt worden wanneer de socialisten alle actiemiddelen kunnen inzetten bij stakingen en manifestaties. Ze vragen daarom dat aan de afschaffing van artikel 310 de goedkeuring wordt gekoppeld van een nieuwe wet die de vrijheid van vereniging garandeert. Vandervelde ligt deze keer langer dwars dan in het alcoholdossier, maar geeft op den duur toch ook weer toe. Tegelijk met de wet die artikel 310 doet verdwijnen wordt ook de nieuwe wet afgekondigd die het recht op vereniging verankert. Daar staat duidelijk in dat niemand mag verplicht worden om lid te worden van een vereniging. Wie druk uitoefent of iemand bedreigt met verlies van zijn werk als hij niet toetreedt, kan bestraft worden. Het afsluiten of opzeggen van arbeids- en dienstcontracten mag nooit nog gekoppeld worden aan het lidmaatschap van een vereniging.'Nijverheid, arbeid en ravitaillering' zijn tussen 1919 en 1921 ook in handen van een socialistisch minister: Joseph Wauters, een Waalse boerenzoon met een universitair diploma. Van opleiding is Wauters chemicus, maar hij heeft zijn rationele geest en zijn grote talenten als organisator en animator vanaf het begin van de eeuw in dienst van de BWP gesteld. Tijdens de oorlog is hij in het land gebleven en heeft hij zich doen opmerken door zijn inspanningen om het 'burgerlijke' Nationaal Hulp- en Voedingscomité te bewegen tot meer aandacht voor het lot van de werklozen. Bij de 'coup van Loppem' neemt het Nationaal Comité als het ware de nationale regering over en niemand kijkt verbaasd op wanneer de energieke Wauters minister wordt. Het Nationaal Comité werkt nog door tot in mei 1919, maar dan heeft de burgerlijke liefdadigheid haar tijd gehad. Wauters vindt de vrije markt géén geschikt instrument om schaarste, woeker en gierende prijzen tegen te gaan.Hij legt een stevige overheidshand op import en export en installeert een centrale overheidsdienst voor de aankoop in het buitenland van onmisbare goederen als granen, boter, koffie, vlees waarvan hij de binnenlandse verdeling ook controleert. De overheid eist ook de hele binnenlandse graan- en suikeroogst op. In de haven van Antwerpen laat Wauters een reusachtige opslagplaats voor diepgevroren vlees bouwen, de Entrepot Frigoférique. Voor brood, vlees en suiker zijn er tot in 1921 wettelijk vastgelegde maximumprijzen.Wauters maakt zich niet bij iedereen sympathiek met zijn gespierde beleid. Hij ontvangt zelfs doodsbedreigingen. Maar in feite streeft hij alleen naar wat ook de burgerlijke politici willen: economische stabiliteit.Als minister van Bevoorrading doet Wauters aan crisisbeheersing, maar hij heeft ruimere ambities. Sociaal overleg en sociale zekerheid moeten meer vorm krijgen. Veel werkgevers weigeren nog altijd de vakbonden als gesprekspartners te erkennen als er gestaakt wordt. Wauters lanceert de 'paritaire comités', waarin vakbondslieden en werkgevers op basis van gelijkheid (pariteit) afspraken kunnen maken die voor een hele sector gelden. Het eerste comité is dat voor de metaalsector. Daarna volgen nog een paar grote sectoren, zoals de mijnen, maar wanneer Wauters de regering in 1921 verlaat, valt de beweging weer stil. Tegen die tijd is in ieder geval de 8-urenwerkdag gerealiseerd.Sociale zekerheid is voor de oorlog in België een kwestie van 'gesubsidieerde vrijheid': iedereen mag vrij beslissen om zich te verzekeren tegen werkloosheid, ziekte, arbeidsongevallen of nog andere risico's. Wie daarvoor kiest wordt wel beloond door de overheid, want die subsidieert de privéverzekeringskassen en ziekenfondsen. Aan die 'verzekeringsvrijheid' kan Wauters niets veranderen, maar hij drijft de subsidiëring wel op en zorgt ook voor de mensen die tussen de mazen van het net vallen door onvoorzichtigheid of tegenslag. In één geval, het ouderdomspensioen, krijgt hij gedaan dat het voortaan een recht voor iedereen wordt, ook voor wie nooit vrijwillige bijdragen heeft gestort. Vanaf 1924 wordt een pensioenverzekering verplicht voor arbeiders, vanaf 1925 ook voor bedienden.De naam van Joseph Wauters wordt ook in verband gebracht met de wet op de Nationale Maatschappij voor Goedkope Woningen en Woonvertrekken. Een van zijn hagiografen schrijft: 'De Nationale Maatschappij was een van de zuilen van de Tempel van het Geluk waarvan je droomde dat de minder gegoede klasse er beschutting zou vinden.' Maar niet al het huisraad van de naoorlogse samenleving is fonkelnieuw. De wet op de Nationale Maatschappij wordt in 1919 eenparig en zonder debat goedgekeurd. Ze lag al klaar sinds 1914 en levert een voorbeeld voor ontwikkelingen die door de oorlog niet versneld, maar juist opgehouden zijn. De Nationale Maatschappij is een instrument waarmee de overheid de huizenmarkt kan corrigeren. Al voor de oorlog is het duidelijk dat de vrije markt niet kan of wil zorgen voor kwaliteitsvolle, goedkope huurwoningen, noch voor het opruimen van de talrijke krotten in de steden. De oorlog heeft de woningnood nog vergroot. Het tekort aan woningen ligt ergens tussen de 200.000 en de 300.000 eenheden. Dat verklaart de grote eensgezindheid waarmee de Nationale Maatschappij wordt gelanceerd. Zij moet toezien op de projecten van lokaal op te richten bouwmaatschappijen en huurderscoöperatieven die met staatssteun arbeiderswijken en appartementsblokken zullen optrekken. De bouwers kunnen lenen tegen een zéér lage interest en mogen hun terugbetaling spreiden over 66 jaar. Ze kunnen gebruikmaken van bouwmaterialen die in grote hoeveelheden centraal worden aangekocht en die daardoor goedkoop kunnen aangeboden worden. In het begin kiezen de architecten vaak voor echte tuinwijken, in een neoromantische stijl. Voorbeelden daarvan zijn de wijken Le Logis en Floréal in Watermaal-Bosvoorde en de Unitaswijk in Deurne. Gezond wonen te midden van de natuur ligt voortaan ook binnen het bereik van kleine huurders. Even toch. Want vanaf 1925 weigert de overheid om nog nieuwe coöperatieven te erkennen. En eeuwig huren blijkt ook voor de 'nieuwe' Belg geen ideaal. Zelf eigenaar worden wel. De socialisten hebben hun rug nog niet gekeerd in de regering of de wet-Moyersoen (1922) biedt kleine privébouwers een premie en gunstige fiscale voorwaarden aan. En de huizen van de Nationale Maatschappij worden ook niet alleen meer verhuurd, maar ook verkocht.Een ander voorbeeld van vernieuwingen die al in de steigers stonden zijn de onderwijshervormingen. Drie maanden voor het begin van de oorlog heeft België het gratis basisonderwijs, de leerplicht tot 14 jaar ingevoerd en in één adem ook kinderarbeid tot 14 jaar verboden. De leerplicht is tot stand gekomen onder de laatste homogeen katholieke regering, hoewel veel katholieken er zich lange tijd tegen hebben verzet. Ouders die onder wettelijke druk komen te staan zouden hun kinderen wel eens naar een niet-katholieke school kunnen sturen als er geen andere keuze is.Maar als een soort pasmunt voor de oppositie, is de leerplicht opgenomen in een ruimere onderwijswet die de ontwikkeling van een sterk, door de staat gesubsidieerd netwerk van katholieke scholen moet garanderen, naast de 'officiële' scholen.Na 'Loppem' blijft onderwijs binnen de regering nog een jaar in katholieke handen. De katholieke zuil slaagt erin, om nog voor de verkiezingen van 1919, zijn positie te versterken. Vanaf 13 november 1919 neemt de staat alle loonkosten voor het katholiek lager onderwijs op zich. Dat is dan weer een compensatie voor de invoering van het enkelvoudig algemeen stemrecht. Maar na de verkiezingen gaat Onderwijs wel naar een socialistische minister: de flamboyante Waal Jules Destrée, de eerste niet-katholieke onderwijsminister sinds 1884. De conservatieve katholieken zijn bang dat Destrée een nieuwe schooloorlog zal ontketenen, maar die vrees is ongegrond. De nieuwe minister maakt meteen duidelijk dat hij niet wil tornen aan de subsidieregeling voor het katholiek onderwijs. Destrée, die schepen van onderwijs is geweest in Marcinelle, is al lang een grote voorstander van de leerplicht. Het volstaat niet om die af te kondigen, weet hij. Schoolverzuim moet scherp gecontroleerd en bestraft worden. Hij verdubbelt het aantal inspecties tot twee per jaar en per klas. Zijn inspecteurs moeten vanzelfsprekend niet alleen de aanwezigheidslijsten controleren. De versterkte inspectie is ook gericht op de onderwijzers. Als de staat het geld naar de katholieke scholen laat vloeien, dan heeft hij ook het recht om het goede gebruik daarvan te controleren. Destrée's inspecteurs zijn niet overal geliefd. De katholieke krant La Libre Belgique moppert over 'sovjetisering' van de scholen. De kwaliteit van het Belgische basisonderwijs moet omhoog, vindt Destrée. En de sleutel daarvoor ligt bij de onderwijzers. Hij zorgt ervoor dat ze beter betaald worden en trekt de lonen van mannen en vrouwen daarbij op gelijke hoogte.Jules Destrée veroorzaakt geen revolutie op Onderwijs, maar hij helpt het grote scholingsproject, dat door de hele samenleving gewenst wordt, wel vooruit. In 1890 loopt al 94% van de kinderen lagere school, maar niet meer dan 5% haalt zes jaar later de eindstreep. Vanaf nu moet iedereen acht opeenvolgende jaren naar school. Eén miljoen leerplichtige Belgen krijgen voortaan een redelijke intellectuele basisvorming. Maar de scholen functioneren ook als motor voor de groeiende verzuiling van de samenleving én van de vervreemding van Vlaanderen en Wallonië. In 1920 is in Vlaanderen 39% van de kinderen ingeschreven in een 'officiële' school, 61% in een vrije (katholieke) school. In Wallonië liggen de verhoudingen precies omgekeerd.Na de jaren van de grote hervormingen (1918-1921) verliest de trein van de verandering snelheid. De socialisten verlaten de regering en de oude elites vinden een tweede adem. Maar in 1925 boekt de BWP het grootste verkiezingssucces uit haar geschiedenis: 78 Kamerzetels, even veel als de Katholieke Unie. Emile Vandervelde mag als eerste socialist een regering vormen, maar slaagt daar niet in. Na een zeer lange crisis vormt de christendemocraat Prosper Poullet dan een coalitiekabinet met de socialisten, maar een deel van de katholieke partij wil niet volgen.De krachten die zijn losgemaakt door het algemeen enkelvoudig stemrecht voor mannen hebben een 'democratische' regering aan het bewind gebracht. Maar meteen wordt duidelijk dat er grenzen zijn aan de vernieuwing. Alle conservatieve krachten komen in het geweer tegen de regering Poullet-Vandervelde, die al na twee jaar bezwijkt, zonder dat zij iets wezenlijks aan de vernieuwing kan toevoegen. Een kleine correctie van belastingtarieven ten voordele van de minder bemiddelden is al genoeg om de oppositie binnen en buiten het parlement luid te doen brullen. Een grote internationale lening waar het land behoefte aan heeft, gaat om duistere redenen niet door. De Belgische Frank zakt in en Poullet en Vandervelde moeten gaan.De vernieuwers blijven de rest van de jaren 1920 aan de kant staan of mogen hoogstens nog eens wat hulptroepen leveren voor de opeenvolgende regeringen. Die krijgen de wind in de zeilen wanneer de wereldeconomie aantrekt en België daar in hoge mate van mee profiteert. In de jaren 1925-1929 daalt de werkloosheid tot minder dan 20.000 werkzoekenden. De kleine man wordt aantoonbaar welvarender. Tot de vernieuwingen van de naoorlogse economie behoren ook een paar instrumenten die de nieuwe welvaart helpen herverdelen: een index van de kleinhandelsprijzen waar lonen en vergoedingen aan gekoppeld kunnen worden en een inkomstenbelasting met hogere tarieven voor hogere inkomens. Ook doorsneegezinnen houden nu wat geld over voor ontspanning en vrije tijd. Die beleven de mensen in een verzuilde samenleving. Katholieken, socialisten en liberalen hebben allemaal hun eigen organisaties, van fanfares en harmonies over turnbonden tot theatergezelschappen. Een van de voorrechten van de burgerij - reizen voor het plezier - komt binnen het bereik van steeds meer mensen. In sommige sectoren, zoals de Antwerpse diamantindustrie, wordt al een week betaalde vakantie uitgekeerd. Daarop ent zich in 1924 een Toeristenbond voor Arbeiders. Maar de grote spelverdeler op het nieuwe terrein van het burgertoerisme is de flamingantische Vlaamse Toeristenbond die in 1922 van start gaat en in 1930 zijn 100.000ste lid zal verwelkomen. Hoe dan ook, toerisme op grote schaal zal pas mogelijk worden wanneer alle werknemers recht krijgen op betaalde vakantie. En dat zal pas in 1936 gebeuren, nadat het land zelf eerst nog eens door het dal van een diepe crisis is gereisd.