Opinie

Luckas Vander Taelen

‘De relschoppers (en politici) in Molenbeek, wie doet ze wat?’

Luckas Vander Taelen Journalist, historicus en voormalig politicus bij Groen

Luckas Vander Taelen over de vernielingen tijdens de overgang naar 2019: ‘Als er doden gevallen zouden zijn, zouden nogal wat Brusselse politici die op hun conto hebben kunnen schrijven.’

Bijna een decennium geleden ervoer een vriend van mij de schrik van zijn leven. Hij woonde al een tijdje in een appartementsgebouw in Sint-Jans-Molenbeek. Hij hield van die gemeente en voelde er zich op zijn gemak. Maar op een avond zag hij vanuit zijn raam dat een groep baldadige jongeren een vuurtje gestookt had net voor zijn woning. Het vuur verspreidde zich snel en mijn vriend begon bang te worden. Daarom belde hij naar de brandweer. Die kwam snel ter plaatse, maar kreeg te maken met jongeren die met stenen gooiden. Slechts na enige tijd was alles onder controle.

De relschoppers (en politici) in Molenbeek, wie doet ze wat?

Ik hoorde toen dat dit regelmatig gebeurde. Jongeren steken vuilnisbakken in brand en bellen naar de pompiers. Dan gieten ze olie op het wegdek, wat de brandweerwagens voor bijkomende problemen stelt. De hulpdiensten wisten al een hele tijd dat veel oproepen uit Molenbeek niet meer dan dat soort provocaties waren, zo banaal dat de media het niet meer de moeite vonden ze te vermelden.

Ik vertelde toen over dit incident in een column. Ik kreeg meteen virulente reacties en vooral verontwaardigde verwijten vanuit de linkerzijde. Toenmalig burgemeester Philippe Moureaux (PS) beschuldigde me in een kranteninterview meteen van racisme, omdat ik op de allochtone afkomst van de jongeren gewezen had. Hij verleende me zijn ultieme brandmerk, ik was een agent van de rechterzijde.

Toen we een paar maanden later samen in de Senaat zetelden, vroeg ik Moureaux waarom hij zo kort door de bocht was gegaan. Zonder aarzelen zei hij me: ‘Omdat je met dat soort artikels in de kaart van rechts speelt.’ Natuurlijk wist hij ook wel dat er met die jongeren heel wat fout liep, maar als je dit in de media zei, verraadde je het linkse kamp, vond hij.

Ook Groen, de partij waarvoor ik toen verkozen was, had het moeilijk met onveiligheid. De partijleiding bleef dat zien als een rechts thema. Ik liet toen opmerken dat niemand gediend is met jongerenbendes die het publiek domein vernielen en onveilig maken. Daar viel uiteraard weinig tegen in te brengen, maar heel snel vergleed het debat naar een ideologisch terrein en werden excuses bovengehaald voor dit gedrag. U kent ze wel: kansarmoede, werkloosheid en geen perspectieven. Met dat soort argumenten werd elk debat afgeblokt.

Aan Franstalige kant was een debat zo mogelijk nog minder mogelijk. Toen ik het voor de eerste keer had over problemen met jongeren in mijn gemeente Vorst, werd ik tijdens een vergadering in de Senaat een uur lang uitgescholden door een groot-inquisiteuse van Ecolo. Als iets niet goed ging met Brusselse jongeren, dan was dat de fout van de ‘bange blanke man’ en had dat alles te maken met hun maatschappelijke achterstelling. Raken aan het ideologisch strakke beeld van de multiculturaliteit was niet toegelaten.

Die starre houding zorgde ervoor dat de soms gewelddadige problemen in gemeenten als Molenbeek werden doodgezwegen, al te vaak uit electorale berekening. Als bussen van De Lijn werden bekogeld, werd dat als een fait divers van de grootstad afgedaan. Als er drugs gedeald werden rond een metrostation en buurtbewoners daarover klaagden, had links daar geen boodschap aan. Als de RTBF een lange reportage toonde waaruit duidelijk bleek dat er veel fout liep in Molenbeek, was burgemeester Philippe Moureaux woedend.

Ook de jonge generatie aan de Franstalige linkerzijde in Brussel bleef zich opsluiten in het aloude politiek correcte wereldbeeld. Toen de Nederlandstalige schepen Annalisa Gadaleta van Groen een boek had geschreven over Molenbeek en daarin had gewezen op het gevaar van gettovorming, werd zij door de PS als ‘uiterst rechts’ weggezet. Groen was plots gelijkwaardig aan het Vlaams Belang. Ecolo maakte een einde aan de samenwerking met Groen. Ook de Franstalige directeur van UNIA had harde kritiek op de visie van Gadeletta.

Die zelfopgelegde ideologische verblinding van linkse politici heeft ervoor gezorgd dat er al die jaren te weinig is veranderd in Molenbeek. Relatief kleine groepen gewelddadige jongeren werden bijna nooit aangepakt, uit angst voor het verwijt dit te doen vanuit racistische motieven. Ze beheersten de straten van hun gemeente vanuit een wie-doet-ons-wat-mentaliteit en genoten van hun onaantastbaarheid. Televisieploegen en journalisten werden niet geduld in hun territorium. En als er al eens een kleine crimineel werd opgepakt, liep die een dag later alweer vrij over straat, opscheppend over zijn heldendaden. Zo werden in Molenbeek negatieve rolmodellen gecreëerd. Franstalig links heeft altijd een afkeer gehad van een lik-op-stuk-beleid, van snelrecht en eigenlijk van elke vorm van repressie tegen jongeren die ze principieel altijd als slachtoffers blijft zien van de boze maatschappij.

De hevige rellen op oudejaarsavond hebben er nu voor gezorgd dat er geen plaats meer is voor dergelijke raaskalderij en dat alle partijen zich moesten uitspreken. Brandstichting en aanvallen op hulpdiensten, het werd jarenlang gedoogd en gerelativeerd, maar de ernst van de feiten heeft nu toch tot het besef geleid dat het niet zo verder kan. Wie kan het buitenlandse media kwalijk nemen dat ze het weer over ‘hellhole’ Molenbeek hebben bij de beelden van oncontroleerbare jongeren in een apocalyptisch decor van vuur en vernieling?

Maar door die harde beelden moeten ook de PS’ers die jarenlang elke kritiek op hun gemeente als een persoonlijke belediging zagen, eindelijk de realiteit zonder politieke vooroordelen onder ogen zien: Molenbeek zoals het is. Dat kunnen ze moeilijk anders, als twee huizen en vele auto’s zijn afgebrand. Dit had heel veel slechter kunnen aflopen en zelfs de meest ideologisch pure politicus kan er niet voor pleiten dat het leven van burgers ongestraft in gevaar wordt gebracht. Het is hoog tijd dat Molenbeek komaf maakt met straffeloosheid en de essentiële regels van de rechtsstaat toepast.

Als er doden gevallen zouden zijn, zouden nogal wat Brusselse politici die op hun conto hebben kunnen schrijven.

Dat lijkt burgemeester Cathérine Moureaux (PS) ook wel te beseffen. Zij pleitte na de rellen ondubbelzinnig voor een harde aanpak van de jonge misdadigers. Zij liet ook opmerken dat de problemen groter zijn dan Molenbeek en dat een globale aanpak noodzakelijk is. Men kan alleen maar hopen dat ze zo eindelijk toegeeft dat één politiezone voor het Brussels Gewest aangewezen is. Criminele jongerenbendes hebben al veel te lang geprofiteerd van deze politiek geïnspireerde versnippering, die eigenlijk niemand te goeder trouw nog kan verdedigen. Helaas heeft men soms de indruk dat het in de Brusselse politiek vooral daaraan ontbreekt: goede trouw…

De achterhaalde organisatie van de Brusselse politie heeft er wel degelijk voor gezorgd dat de brandstichters in Molenbeek maandagavond lang hun zin konden doen. Gewone burgers die getuige waren van het onheil, begrijpen niet dat het zolang duurde voor de politie ter plaatse was en ingreep. De jongeren hadden alle tijd om een apotheek en een winkel te vernielen en leeg te roven.

Als er doden gevallen zouden zijn, zouden nogal wat Brusselse politici die op hun conto hebben kunnen schrijven. Dat zou alleen het vreselijke maar voorspelbare gevolg geweest zijn van hun zelfopgelegde ideologische verblinding voor de stedelijke realiteit en hun uit eigenbelang gedreven verzet tegen een efficiënte organisatie van de ordediensten. Maar op dat vlak lijken dat soort zelfingenomen Brusselse politici heel veel op de losgeslagen jongeren van Molenbeek. Want wie doet ze wat?

Partner Content