‘De rechter doet niet aan politiek in de Klimaatzaak’

‘Bij kritiek op het vermeende politieke karakter van de Klimaatzaak wordt een erg nauwe en achterhaalde invulling van het concept scheiding der machten gehanteerd’, vindt milieujurist Hendrik Schoukens.

Er is reeds heel wat inkt gevloeid over het vermeende politieke karakter van de vordering in de Klimaatzaak, die op dit eigenste moment wordt gepleit voor de rechtbank van eerste aanleg in Brussel. In zijn recent opiniestuk toont Mark Van de Voorde heel wat sympathie voor de eisen uit de Klimaatzaak, maar besluit hij finaal dat de procedure de rechtstaat in gevaar zou brengen. Omdat het niet aan de rechter is om de uitvoerende macht tot de orde te roepen. Daarmee geeft hij een erg gekleurde en achterhaalde invulling aan het concept ‘rechtsstaat’.

If a building is on fire and all the firefighters are off at a convention, can the neighbors break into the firehouse and run the firetrucks themselves? Or do they have to wait for permission while the building burns down?’. Zie hier het dilemma waarmee de rechtbank zich in klimaatzaken geconfronteerd zien. Is een rechter gemachtigd de uitvoerende macht tot de orde te roepen wanneer zij nalaat de burgers te beschermen tegen de gevaarlijke gevolgen van klimaatverandering? Of moeten we als burgers braafjes dulden dat onze planeet in de fik gaat?

De rechter doet niet aan politiek in de Klimaatzaak.

Het terughoudende betoog van Mark Van de Voorde is niet nieuw. Reeds van bij de opstart van het Nederlandse Urgenda-proces – ondertussen al 8 jaar geleden – betoogden heel wat juristen dat de vordering zou sneuvelen op het beginsel van de scheiding der machten. De vordering was juridisch gezien ‘fout’. Dat is op zich al een vreemde gedachte, die een statische visie op recht verraadt. Alsof wetgeving zich niet aanpast aan de maatschappij: 50 jaar geleden was het storten van afval ook legaal en had elke dorp wel een eigen stortplaats, op vandaag is dit ondenkbaar.

Keer na keer werd de claim inzake de activistische rechtspraak echter afgewezen in de rechtbank. De eerste Nederlandse rechter vond het common sense dat burgers een onzorgvuldig handelende overheid via een rechterlijke actie tot de orde roepen. Als we dat aanvaarden in een zaak over putten in de weg, wat dan gezegd van een kwestie die volgens de wetenschap en heel wat politici zelf wordt omschreven als de grootste uitdaging voor de mensheid in de 21e eeuw? Daarbij werd fijntjes aangestipt dat de rechter enkel de reductievork vaststelt, het is aan de politiek om na te gaan welke concrete maatregelen nodig zijn om die reductiedoelen te behalen. Ambities die de Nederlandse overheid overigens enkele jaren daarvoor zelf nog als realistisch had omschreven.

De Nederlandse Hoge Raad ging uiteindelijk nog een stap verder en gaf aan dat wanneer fundamentele mensenrechten in het gedrang zijn, het aan de rechter in de eerste plaats is om in die context effectieve rechtsbescherming te bieden.

De Hoge Raad had hierbij ook nog kunnen verwijzen naar het Verdrag van Aarhus uit 1998, in het kader waarvan zowel Nederland, België als de Europese Unie zich verbonden hebben tot ruime en effectieve toegang tot de rechter te voorzien in milieuzaken. En dat beperkt zich niet enkel tot zaken die handelen over de spreekwoordelijke illegale veranda van de buurman. Ook klimaat- en luchtkwaliteitszaken komen in het vizier.

Mark Van de Voorde is blijkbaar nog steeds niet overtuigd door de goed onderbouwde juridische afweging van de Nederlandse Hoge Raad, of door de andere uitspraken die recent in Frankrijk en Ierland op dit punt voorliggen. Dat is uiteraard zijn goed recht. Rechters in Noorwegen en de Verenigde Staten traden hem recent ook bij. Toch wringt er iets. Van de Voorde sleurt er namelijk de Franse Verlichtingsfilosoof Montesquieu bij en concludeert dat die zich in zijn graf zou omdraaien wanneer hij dit soort rechtszaken zou aanschouwen. Daarbij hanteert hij een erg nauwe en achterhaalde invulling van het concept scheiding der machten.

Er spelen drie hiaten.

Sociaal contract geschonden

De Verlichtingsfilosofen uit de 18e eeuw zouden vooreerst zelf de wenkbrauwen fronsen bij de erg eenzijdige lezing van het concept trias politica. Montesquieu voorzag namelijk een erg dynamische invulling van die ‘check and balances’, een soort wisselwerking in plaats van een starre machtenscheiding.

Bovendien maakt Van de Voorde vreemd genoeg geen melding van de leer rond het sociaal contract, dat poneert dat de legitimiteit van het gezag van de staat over het individu voortkomt uit een contract dat tussen beiden is afgesloten. Als de Verlichting ons nu één ding leerde, was het net dat. Het is dit sociaal contract dat onze maatschappij onderstut. Dat vooronderstelt dat burgers aan de Staat slechts beperkte, welomschreven rechten overdragen.

John Locke – de Engelse tegenhanger van Montesquieu – erkende dat de Staat haar eigen burgers moet beschermen. Maar daarmee is niet gezegd dat burgers hun recht op self-preservation of zelfverdediging volledig hebben opgegeven. Sommige rechten, zo poneert Locke, zijn immers onvervreemdbaar (inalienable): iedereen heeft ze van zijn geboorte, ze kleven als het ware aan de mens en men kan ze in het beginsel niet kwijtraken. Het gaat onder meer over het recht op leven en eigendom. Rechten die niet definitief worden overgedragen aan de Staat. Met andere woorden, voor zover deze rechten worden geschonden, verliezen de rechter geenszins hun recht op ‘weerstand’. Dit weerstandsrecht vergt een robuuste rechterlijke tegenmacht.

Op ruimere schaal zal ongecontroleerde klimaatverandering evenzeer een vernietigende impact hebben op eigendom en het recht op leven.

Dat laatste werd al lange tijd aanvaard in de context van directe inbreuken door de Staat op directe individuele mensenrechten, zoals het recht op vrijheid. Om die reden kunnen mensen pas worden gevangen gezet na rechterlijke tussenkomst. Onteigening is pas mogelijk mits compensatie.

Op ruimere schaal zal ongecontroleerde klimaatverandering evenzeer een vernietigende impact hebben op eigendom en het recht op leven. Het klopt dat noch Locke, noch Montesquieu expliciet anticipeerden op een klimaatnoodtoestand. Maar de 21e overheid – onze verzorgingsstaat – heeft veel ruimere bevoegdheden dan de nachtwakerstaat uit de 18e eeuw. Dat merken we aan de levende lijve in volle COVID-tijd. Of vinden we het misschien niet de taak van de overheid om ons te beschermen tegen een gevaarlijk virus?

Het is bovendien de overheid die de vergunningen of toestemming verleent voor activiteiten die een impact hebben op het milieu.

Zomaar aanvaarden dat de politiek het klimaatvraagstuk onbeantwoord laat – of minstens te wachten tot bij verkiezingen andere, meer vergaande maatregelen worden afgesproken – doet afbreuk aan de individuele mensenrechten waarover wij allen beschikken. Bij blijvend falen, hebben de burgers het recht om via een gerechtelijke actie de overheid te wijzen op die contractbreuk. Die visie zich reeds vervat in het werk van menig Verlichtingsfilosoof.

Grondwet is gericht op zelfbehoud

Het gescherm met een mogelijke schending van de Grondwet overtuigt ook om een andere reden niet. Want wat is dat eigenlijk, een grondwet? Een constitutie, het woord zegt het zelf, is de grondslag van een staat. Deze is vaak, maar niet altijd, vastgelegd in een formele grondwet, aangenomen bij bijzondere meerderheid. Kan men zich inbeelden dat de grondleggers van onze Grondwet een klimaatnoodtoestand voor ogen hadden? Vast niet.

Maar er speelt een ruimere vraagstelling: vertrekt elke constitutie niet noodzakelijkerwijs van de premisse van zelfpreservatie? Kan men zich indenken dat de Grondwet zouden worden gehanteerd als obstakel tegen claims die net het voortbestaan van onze samenleving willen beogen? Is zelfbehoud niet net de onderliggende assumptie van de vorderingen in de Klimaatzaak?

En voor zover men die impliciete drang naar zelfbehoud alsnog buiten de constitutionele rechtsorde zou plaatsen, zou men dan niet minstens kunnen voorhouden dat de recente wetenschappelijke inzichten ons dwingen onze eigen Grondwet met andere ogen te gaan lezen?

Zoals de Duitse politiek filosoof Jürgen Habermas het gevat poneerde, dient men immers het schrijven en afkondigen van een grondwet niet als een eenmalig, statisch iets te benaderen. Hij stelt dat toekomstige generaties de plicht hebben om binnen die grondwet normatieve waarden te ontdekken, die in de loop van de geschiedenis op de voorgrond treden: ‘(L)ater generations have the task of actualizing the still untapped normative substance of the system of rights laid down in the original document of the constitution’.

Wie bepaalt wat ’te politiek’ is?

Tot slot leidt de redenering van Mark Van de Voorde ook tot bijkomende problemen: want wie gaat er dan bepalen wanneer er een bepaalde vordering ’te politiek’ is om te kunnen behandeld worden door de rechter? Als we Van de Voorde’s strikte visie op activistische rechtspraak volgen, dan konden de Amerikaanse rechters in de jaren 60 ook niet gevat worden in de strijd voor meer burgerrechten voor zwarte Amerikanen. Kan een havendorpje à la Doel verdere havenuitbreiding betwisten, zelfs wanneer die politiek is afgeklopt? En wat dan gezegd van de recente aankondiging van het katholiek onderwijs dat de eindtermen – vastgelegd in het Vlaams Parlement – zal aanvechten in het Grondwettelijk Hof? Allemaal te politiek getint?

Klimaatzaken maken duidelijk dat het sociaal contract tussen burger en overheid géén vodje papier is.

Van de Voorde lijkt selectief in zijn kritiek. Ikzelf ben van oordeel dat al dit soort vorderingen moet kunnen. Het is uiteindelijk aan de rechter om na te gaan of er ook sprake is van juridische gronden om de claims te weerhouden.

Er schuilt ook iets contradictorisch in de volgehouden eis om het ruimere klimaatbeleid buiten de rechtbank te houden. Want wanneer men klimaatargumenten opwerpt in een concreet dossier – denk bijvoorbeeld aan havenuitbreiding – is vaak het tegenargument dat de overheid die op hoger niveau zal aanpakken. Lees: géén klimaattoets op vergunningsniveau nodig. Maar wanneer dit klimaatbeleid niet van de grond komt, zijn het dezelfde criticasters die claimen dat op dit niveau géén rechterlijke toetsing zou kunnen plaatsvinden.

Een vicieuze cirkel, een verliesmatch voor het klimaat.

No alternative

Klimaatzaken maken duidelijk dat het sociaal contract tussen burger en overheid géén vodje papier is. Indien de overheid er niet in slaagt de primaire beschermingstaak ten overstaan van de burger te vervullen, heeft die burger steeds de mogelijkheid om de rechterlijke macht in te schakelen. Daarmee is niet gezegd dat rechters het klimaat zullen redden. Dat klopt. Zoals het ook niet louter de Amerikaanse rechtbanken waren die een einde maakten aan rassenongelijkheid in het Zuiden van de Verenigde Staten. Onvolkomenheid is nog iets anders dan onbevoegdheid. Menig Verlichtingsfilosoof zou zich in zijn graf omdraaien wanneer hij zou lezen dat klimaatzaken te politiek zouden zijn voor een 21e-eeuwse rechtbank.

Kortom, het klimaat in deze tijden buiten de rechtbank houden, lijkt niet langer aan de orde.

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content