Op 11 juli herhaalde Geert Bourgeois het pleidooi om werk te maken van de uitvoering van de vijf resoluties van het Vlaams Parlement van 1999. Hij wil daarmee duidelijk maken dat er wat hem en zijn partij betreft, een zevende staatshervorming mag komen na de federale verkiezingen van 2019.

N-VA staat alleen

Hoe N-VA tegen beter weten in blijft inzetten op de 7e staatshervorming

Anders dan in 1999 echter, waren de reacties op dit pleidooi in het beste geval lauw te noemen. Niet alleen bij de Franstaligen, maar ook bij de Vlaamse partijen lijkt men niet onmiddellijk gewonnen voor een nieuw rondje staatshervorming. Zelfs aan Vlaamse kant staat Bourgeois, en bij uitbreiding de N-VA, alleen. SP.A en Groen zijn altijd al eerder koele minnaars van een verdere staatshervorming geweest. CD&V van zijn kant, zegt al enige tijd dat Vlaanderen eerst het maximum moet halen uit de bevoegdheden die het bij de zesde staatshervorming in handen kreeg. Dat is ook de boodschap van Groen. CD&V keurde eind 2016 in een congres op aansturen van de jongeren trouwens nog het principe goed dat bevoegdheden die aan de deelstaten toegewezen zijn, geherfederaliseerd kunnen worden. Een standpunt dat heel wat parlementairen trouwens lijken te delen, zo bleek uit recent onderzoek van het CRISP. Open VLD liet weten dat er momenteel andere prioriteiten zijn dan institutionele hervormingen. Die partij had eerder al uitdrukkelijk afstand genomen van het confederalisme.

Neen, de actuele situatie is duidelijk niet meer die van in 1999.

Toch blijft N-VA koppig doorzetten. Tegen beter weten in eigenlijk. Ze heeft geen andere keuze. Een belangrijk deel van haar achterban verwacht dit. Niet te vergeten dat er ook nog Vlaams Belang is als alternatief, voor het geval men bij N-VA communautair niet aan zijn trekken komt. En ook de dissidenten Vuye & Wouters staan klaar om N-VA speldenprikken te geven.

Maar ondanks het volgehouden discours van N-VA, wordt het meer en meer duidelijk dat de splitsingslogica op zijn limieten botst. De voorbeelden zijn legio.

Kinderbijslag

Wanneer we bijvoorbeeld kijken naar de kinderbijslag, dan is de vraag inderdaad op zijn plaats wat de meerwaarde van de overheveling naar de deelstaten is geweest. De splitsing was nodig, gelet op de grote cultuurverschillen tussen Vlaanderen en Wallonië, zo werd ons verteld. Thans blijkt echter dat de regeling die Vlaanderen heeft uitgewerkt nauwelijks verschilt van de regeling die in Brussel en in Wallonië in de steigers staat. Wat is dan het nut van de splitsing? Waarin zit dan de meerwaarde voor de bevolking? En vooral dan voor de kinderen zelf, waar het tenslotte toch om draait? Het enige wat momenteel zeker is, is dat waar vroeger één overheid bevoegd was, er nu vier bevoegd zijn (de Vlaamse Gemeenschap, de Franstalige Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie voor wat Brussel betreft).

Geluidsnormen

Wat een idee om de geluidsnormen naar de deelstaten over te hevelen in een klein land als België.

De heisa rond de geluidsnormen is een ander voorbeeld. Wat een idee om dit naar de deelstaten over te hevelen in een klein land als België. Ooit maakte dit deel uit van een fel bevochten communautair akkoord dat overal bejubeld werd. Vandaag kost dit ons jobs. Je hoeft geen belgicist te zijn om in te zien dat de overheveling van de bevoegdheid inzake geluidsnormen naar de Gewesten maakt dat het NIMBY-syndroom ("Not In My Backyard") vrij spel krijgt. Combineer dit met een gebrek aan een normenhiërarchie en aan een federale scheidsrechter die belangenconflicten tussen de deelstaten op bindende wijze kan beslechten en je krijgt een gevaarlijke cocktail die vliegtuigmaatschappijen andere oorden doet opzoeken. We zijn nu zover dat werkgevers- én werknemersorganisaties samen bij de overheid aan de bel hangen met de dringende vraag om de zaak eindelijk te deblokkeren. En dan nóg lijkt er geen schot te komen in de zaak. Het recent pleidooi van Yves Leterme op Radio 1 (De Ochtend, 12 juli 2017) voor een mechanisme waarmee een federaal orgaan een voor alle partijen bindende beslissing zou kunnen nemen, verdient bijval. Niet alleen voor de kwestie van de geluidsnormen, maar voor álle belangenconflicten. Men kan echter al wel raden dat zo'n mechanisme er zonder N-VA zal moeten komen.

Buitenlands beleid

Fratsen zoals de CETA-kwestie doen België in sneltreinvaart zijn internationaal krediet kwijtspelen.

Ook op het vlak van buitenlands beleid moet ook niet lang naar een voorbeeld gezocht worden dat tot de verbeelding spreekt. Het Waals verzet tegen het CETA-verdrag heeft in heel de wereld de wenkbrauwen doen fronsen. Het gaat hier niet om het waarom van dit verzet. Wel om het feit dat één Belgische deelstaat een akkoord tussen de ganse EU en Canada op zijn eentje kon tegenhouden. In België zijn de deelstaten bevoegd inzake internationale betrekkingen, inclusief het afsluiten van verdragen in aangelegenheden waarvoor zij intern binnen België bevoegd zijn. En gaat het om gemende verdragen, zoals CETA, dan moeten alle Belgische deelparlementen deze allemaal goedkeuren. Fratsen zoals de CETA-kwestie doen België in sneltreinvaart zijn internationaal krediet kwijtspelen. Onze Europese buren zien ons niet langer als een betrouwbare partner, zo besloot Noël Slangen recent nog (DS, 3, 4 en 5 juni 2017). Ik kan mij niet voorstellen dat één Belgische burger daar beter wordt.

Nood aan tegengewicht

Er is nood aan een ernstig tegengewicht voor de steeds verdergaande communautaire eisen van N-VA.

De burgers zelf lusten dit alles hoe langer hoe minder. Zij beginnen te begrijpen dat een nieuwe staatshervorming helemaal geen garantie is op een meer efficiënt en slagvaardig bestuur. Dat wat wij zelf doen, we daarom niet altijd beter doen. Er is dan ook nood aan een ernstig tegengewicht voor de steeds verdergaande communautaire eisen van N-VA. En ook voor het confederalisme dat zij tegen beter weten in als mirakeloplossing blijft verkondigen. Hopelijk bieden de traditionele Vlaamse partijen de kiezer die een nieuwe staatshervorming niet lust, en die ook van confederalisme of separatisme niet moet weten, een echt volwaardig en geloofwaardig alternatief in 2019.

Tony Van De Calseyde is ondervoorzitter van het Directiecomité van B Plus

Op 11 juli herhaalde Geert Bourgeois het pleidooi om werk te maken van de uitvoering van de vijf resoluties van het Vlaams Parlement van 1999. Hij wil daarmee duidelijk maken dat er wat hem en zijn partij betreft, een zevende staatshervorming mag komen na de federale verkiezingen van 2019. Anders dan in 1999 echter, waren de reacties op dit pleidooi in het beste geval lauw te noemen. Niet alleen bij de Franstaligen, maar ook bij de Vlaamse partijen lijkt men niet onmiddellijk gewonnen voor een nieuw rondje staatshervorming. Zelfs aan Vlaamse kant staat Bourgeois, en bij uitbreiding de N-VA, alleen. SP.A en Groen zijn altijd al eerder koele minnaars van een verdere staatshervorming geweest. CD&V van zijn kant, zegt al enige tijd dat Vlaanderen eerst het maximum moet halen uit de bevoegdheden die het bij de zesde staatshervorming in handen kreeg. Dat is ook de boodschap van Groen. CD&V keurde eind 2016 in een congres op aansturen van de jongeren trouwens nog het principe goed dat bevoegdheden die aan de deelstaten toegewezen zijn, geherfederaliseerd kunnen worden. Een standpunt dat heel wat parlementairen trouwens lijken te delen, zo bleek uit recent onderzoek van het CRISP. Open VLD liet weten dat er momenteel andere prioriteiten zijn dan institutionele hervormingen. Die partij had eerder al uitdrukkelijk afstand genomen van het confederalisme. Neen, de actuele situatie is duidelijk niet meer die van in 1999.Toch blijft N-VA koppig doorzetten. Tegen beter weten in eigenlijk. Ze heeft geen andere keuze. Een belangrijk deel van haar achterban verwacht dit. Niet te vergeten dat er ook nog Vlaams Belang is als alternatief, voor het geval men bij N-VA communautair niet aan zijn trekken komt. En ook de dissidenten Vuye & Wouters staan klaar om N-VA speldenprikken te geven. Maar ondanks het volgehouden discours van N-VA, wordt het meer en meer duidelijk dat de splitsingslogica op zijn limieten botst. De voorbeelden zijn legio. Wanneer we bijvoorbeeld kijken naar de kinderbijslag, dan is de vraag inderdaad op zijn plaats wat de meerwaarde van de overheveling naar de deelstaten is geweest. De splitsing was nodig, gelet op de grote cultuurverschillen tussen Vlaanderen en Wallonië, zo werd ons verteld. Thans blijkt echter dat de regeling die Vlaanderen heeft uitgewerkt nauwelijks verschilt van de regeling die in Brussel en in Wallonië in de steigers staat. Wat is dan het nut van de splitsing? Waarin zit dan de meerwaarde voor de bevolking? En vooral dan voor de kinderen zelf, waar het tenslotte toch om draait? Het enige wat momenteel zeker is, is dat waar vroeger één overheid bevoegd was, er nu vier bevoegd zijn (de Vlaamse Gemeenschap, de Franstalige Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie voor wat Brussel betreft). De heisa rond de geluidsnormen is een ander voorbeeld. Wat een idee om dit naar de deelstaten over te hevelen in een klein land als België. Ooit maakte dit deel uit van een fel bevochten communautair akkoord dat overal bejubeld werd. Vandaag kost dit ons jobs. Je hoeft geen belgicist te zijn om in te zien dat de overheveling van de bevoegdheid inzake geluidsnormen naar de Gewesten maakt dat het NIMBY-syndroom ("Not In My Backyard") vrij spel krijgt. Combineer dit met een gebrek aan een normenhiërarchie en aan een federale scheidsrechter die belangenconflicten tussen de deelstaten op bindende wijze kan beslechten en je krijgt een gevaarlijke cocktail die vliegtuigmaatschappijen andere oorden doet opzoeken. We zijn nu zover dat werkgevers- én werknemersorganisaties samen bij de overheid aan de bel hangen met de dringende vraag om de zaak eindelijk te deblokkeren. En dan nóg lijkt er geen schot te komen in de zaak. Het recent pleidooi van Yves Leterme op Radio 1 (De Ochtend, 12 juli 2017) voor een mechanisme waarmee een federaal orgaan een voor alle partijen bindende beslissing zou kunnen nemen, verdient bijval. Niet alleen voor de kwestie van de geluidsnormen, maar voor álle belangenconflicten. Men kan echter al wel raden dat zo'n mechanisme er zonder N-VA zal moeten komen. Ook op het vlak van buitenlands beleid moet ook niet lang naar een voorbeeld gezocht worden dat tot de verbeelding spreekt. Het Waals verzet tegen het CETA-verdrag heeft in heel de wereld de wenkbrauwen doen fronsen. Het gaat hier niet om het waarom van dit verzet. Wel om het feit dat één Belgische deelstaat een akkoord tussen de ganse EU en Canada op zijn eentje kon tegenhouden. In België zijn de deelstaten bevoegd inzake internationale betrekkingen, inclusief het afsluiten van verdragen in aangelegenheden waarvoor zij intern binnen België bevoegd zijn. En gaat het om gemende verdragen, zoals CETA, dan moeten alle Belgische deelparlementen deze allemaal goedkeuren. Fratsen zoals de CETA-kwestie doen België in sneltreinvaart zijn internationaal krediet kwijtspelen. Onze Europese buren zien ons niet langer als een betrouwbare partner, zo besloot Noël Slangen recent nog (DS, 3, 4 en 5 juni 2017). Ik kan mij niet voorstellen dat één Belgische burger daar beter wordt. De burgers zelf lusten dit alles hoe langer hoe minder. Zij beginnen te begrijpen dat een nieuwe staatshervorming helemaal geen garantie is op een meer efficiënt en slagvaardig bestuur. Dat wat wij zelf doen, we daarom niet altijd beter doen. Er is dan ook nood aan een ernstig tegengewicht voor de steeds verdergaande communautaire eisen van N-VA. En ook voor het confederalisme dat zij tegen beter weten in als mirakeloplossing blijft verkondigen. Hopelijk bieden de traditionele Vlaamse partijen de kiezer die een nieuwe staatshervorming niet lust, en die ook van confederalisme of separatisme niet moet weten, een echt volwaardig en geloofwaardig alternatief in 2019. Tony Van De Calseyde is ondervoorzitter van het Directiecomité van B Plus