Bruno De Wever en Naïma Lafrarchi lanceren geschiedenisprijs: ‘Sommigen zullen dit pretpedagogie noemen’

© Aurelie Geurts
Jeroen de Preter
Jeroen de Preter Redacteur Knack

Ze hadden het nooit zo bedoeld, maar hun project staat helemaal haaks op de veelbesproken Vlaamse canon en het niet minder becommentarieerde Het verhaal van Vlaanderen. Met hun fonkelnieuwe en unieke project Geschiedenis Olympiade willen Naïma Lafrarchi en Bruno De Wever álle scholieren voor geschiedenis enthousiasmeren.

Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten

De aanvankelijke ambitie was bescheidener. Alles begon met een beleidsnota waarin stond dat de instroom van de opleiding geschiedenis aan de Universiteit Gent diverser moest. ‘De werkgroep die zich aan onze universiteit over die kwestie moest buigen had nog eens wat retoriek op papier kunnen zetten,’ vertelt professor Bruno De Wever, ‘maar toen kwam Naïma met het voorstel om iets heel concreets te doen’.

Naïma Lafrarchi is een juriste en onderwijskundige die, onder De Wevers begeleiding, onderzoek doet naar de uitdagingen van het Vlaamse geschiedenisonderwijs in de hedendaagse, superdiverse samenleving.

‘Naïma stelde een geschiedenisprijs voor, gericht op alle types van het secundair onderwijs, en met de expliciete bedoeling te laten zien dat ons vak veel meer inhoudt dan dorre teksten van oude witte mannen.’

Het voorstel bleef geen dode letter. De geschiedeniswedstrijd, die ‘Geschiedenis Olympiade’ werd gedoopt, werd vorig schooljaar voor het eerst georganiseerd, toen nog op een zeer bescheiden schaal. ‘We zijn begonnen met drie scholen’, zegt Lafrarchi. ‘Maar dit schooljaar nemen al 25 scholen, 57 klassen en bijna 1000 leerlingen deel. De deelnemers komen uit alle Vlaamse provincies en Brussel én – daar ben ik echt trots op – uit alle onderwijsvormen. We hebben klassen uit aso, bso, tso en een OKAN-klas.’

De Wever: ‘Die diversiteit zit ook in de vorm van de ingediende projecten. Behalve een geschreven essay is ongeveer alles toegestaan. Wij willen laten zien dat geschiedenis ook een stadswandeling, een podcast, een app of een stripverhaal kan zijn. Mogelijk kan dat jongeren aanspreken die daarvoor het idee hadden dat geschiedenis niets voor hen was.’

Wat is er mis met een geschreven essay?

Naïma Lafrarchi: Helemaal niets, natuurlijk. Alleen: we willen met deze wedstrijd expliciet historische competenties aanspreken die veel breder gaan dan pure kennis of schrijfvaardigheid. Dan heb ik het bijvoorbeeld over mediawijsheid, burgerschap, historisch bewustzijn of sociaal-relationele competenties. In dat opzicht staat de Geschiedenis Olympiade haaks op de al bestaande olympiades wiskunde, fysica of chemie. Dat zijn individuele wedstrijden waarbij aan het eind één primus wint. Bij ons is het geen individu maar een klas die wint. Dat betekent dat de leerlingen de facto zullen moeten samenwerken, zelf argumenten naar voren moeten brengen en creatief zijn. De leerlingen moeten of mogen bovendien zelf hun onderwerp en de presentatievorm kiezen. Tijdens hun traject kunnen ze een beroep doen op de expertise van onze partners, zoals – onder vele andere – het Hannah Arendt Instituut, de stad Gent, het Red Star Line Museum en de VRT.

Het verhaal van Vlaanderen is oude wijn in nieuwe zakken

Bruno De Wever

Hoe moeten we ons zo’n project concreet voorstellen?

Lafrarchi: Een klas van het beroepsvoorbereidend jaar verzorging van Onze-Lieve-Vrouw-Presentatie in Bornem werkt aan een project rond de medicinale kracht van planten. Ze zullen zich laten inspireren door een rondleiding in het groentemuseum ‘t Grom in Sint-Katelijne-Waver. Daarnaast krijgen de leerlingen begeleiding vanuit onze vakgroep door een expert in de medicinale geschiedenis. Via die geschiedenis zullen ze niet alleen meer te weten komen over die planten, maar ook over de ontwikkeling van de farmaceutische industrie en het ontstaan van big pharma. Om maar te zeggen: de eigen leefwereld vanwaaruit dit project vertrekt, kan zo een opstap zijn naar grotere economische en/of ethische kwesties.

Naïma Lafrarchi
Naïma Lafrarchi © Aurelie Geurts

Bruno De Wever: Om even terug te keren naar wat ik in het begin vertelde: je kunt allerlei ronkende beleidsteksten schrijven over inclusie en diversiteit, maar je kunt ook proberen er zelf met de voeten in te gaan staan. Ik kan me voorstellen dat niet elk eindproduct perfect zal zijn, maar het gaat in de eerste plaats over het traject. Ongetwijfeld zullen we straks studenten binnenkrijgen die we zonder de Olympiade nooit hadden bereikt. Dat was het oorspronkelijke opzet. Maar voor mij is de belangrijkste doelstelling dat we een brede, diverse groep jongeren laten zien dat historische competenties hen kunnen helpen in een complexe samenleving. Anders gezegd: dat geschiedenis er ook is voor hen.

Dit project lijkt lijnrecht in te gaan tegen de vandaag vaak gehoorde, door onderwijsminister Ben Weyts (N-VA) gesteunde, roep om meer excellentie.

De Wever:(rolt met de ogen) Ongetwijfeld zullen sommige dit een voorbeeld van pretpedagogie noemen.

Lafrarchi: Dat soort kritiek vind ik onterecht. Ik zie niet in waarom er in ons project niet naar excellentie zou worden gestreefd. Om te beginnen: er zit een wedstrijdelement in, en ik kan u verzekeren dat de klassen echt wel willen winnen. Uw vraag impliceert bovendien dat er alleen maar te excelleren valt in het debiteren van feitenkennis of het schrijven van een tekst. Dat is gewoon niet juist. Veel deelnemers aan de Olympiade zullen interviewtechnieken moeten leren. Archiefonderzoek moeten doen. Hun project presenteren. Ook daarin kun je excellent of minder excellent zijn.De nadruk ligt hier op verbinding, dialoog, inclusie en diversiteit, ja. Die waarden zijn minstens zo belangrijk. Bovendien sluiten ze excellentie toch niet uit? Wij willen vanuit onze vakgroep excellentie op beide vlakken nastreven, én inhoudelijk én sociaal-relationeel.

De Wever: Onderwijs is zo veel meer dan streven naar die ene excellentie. Natuurlijk moet je de knappe koppen stimuleren. Maar onderwijs is er voor iedereen, niet alleen voor een paar primussen.

Mevrouw Lafrarchi, u werkt aan een onderzoek dat een antwoord wil bieden op de ‘uitdagingen binnen het Vlaamse geschiedenisonderwijs aangaande diversiteit’. Over welke uitdagingen gaat het dan, en wat moet het antwoord daarop zijn?

Lafrarchi: Zeker in de grote steden zijn de klassen vandaag superdivers. Dat brengt uitdagingen mee voor alle leraren, ook de geschiedenisleraar. Natuurlijk moet die leraar over de kruistochten of Christoffel Columbus blijven praten. De vraag is alleen: hoe? In een diverse realiteit kun je, als je spreekt over ‘de ontdekking van Amerika’, moeilijk anders dan het perspectief van de inheemse bevolking erbij betrekken. En onvermijdelijk leidt dat soms tot spanningen. Het antwoord op die spanningen is voor mij: historische empathie. Leraren in spe moeten die empathie oefenen en internaliseren, om in een diverse klas te kunnen staan. Het einddoel is niet dat die spanningen verdwijnen. Het mag wringen. Wel moeten we waken over de respectvolle, kritische houding van de leerlingen die het eigen en het andere standpunt in perspectief kunnen plaatsen.

Bruno De Wever
Bruno De Wever © Aurelie Geurts

De Wever: Het grote belang van die historische empathie heb ik zelf meer dan eens ervaren. Dertig jaar lang heb ik historisch onderzoek gedaan naar de collaboratie, een onderwerp dat in de Vlaamse context nog altijd voor de nodige spanning zorgt. Al die tijd ben ik met dat onderwerp ook de boer op gegaan. Ik ging en ga erover spreken in kleine zaaltjes, waar ik niet zelden geconfronteerd word met grote emoties. De sleutel om daarmee om te gaan is het empathisch gesprek.

Kun je te ver gaan in empathie? De Standaard bracht onlangs het verhaal van een docent aan een Amerikaanse universiteit die ontslagen werd omdat zij een historische afbeelding van Mohammed had getoond. Het ontslag kwam er nadat een studente had geklaagd dat dit ‘onrespectvol’ was.

Lafrarchi:Ik ken die casus niet, maar als ik als prof met zo’n reactie zou worden geconfronteerd, zou ik de studente vragen wat haar zo boos maakt. Ik zou peilen naar haar perspectief, en van daaruit een discussie starten. Bij voorkeur samen met de andere studenten.

De Wever: Natuurlijk kun je, in een poging om empathisch te zijn, te ver meegaan in het perspectief van de ander. De grenzen liggen hier wat mij betreft bij de feiten. Denk bijvoorbeeld aan de theorie dat de Griekse beschaving een zwarte beschaving was. Daar is geen bewijs voor, dus daar moeten we niet in meegaan. Op de feiten gaan we niet braderen. Maar een beetje begrip voor de nieuwe gevoeligheden die diversiteit met zich meebrengt, lijkt me niet te veel gevraagd. Die gevoeligheden zijn trouwens vaak minder nieuw dan we denken. Tijdens de lezingen waar ik het net over had, gaat het debat op een bepaald ogenblik altijd richting ‘het gevaar van woke’. Ik vertel die mensen, vaak flaminganten, dat zij die gevoeligheden beter dan wie ook zouden moeten begrijpen. Als lid van het Taal Aktie Komitee (TAK) ben ik in de jaren zeventig mee gaan betogen in Schaarbeek en de Voerstreek. Ik kan u verzekeren: het discours dat flaminganten toen ontwikkelden, was héél erg woke. Denk aan professoren die gecanceld moesten worden omdat ze een Franstalige achtergrond hadden, of – stel je voor – het standbeeld van ‘Vlamingenhater’ kardinaal Mercier in Leuven dat moest verdwijnen, en bekogeld werd met verf. Als ik dat protest vergelijk met het wokeprotest vandaag, zie je dat er bij je toehoorders iets verandert. Je ziet ze nadenken. In het beste geval zullen ze zich in de emotie van de ander herkennen en er begrip voor opbrengen.

Lafrarchi: Als ik spreek over empathie als competentie klinkt dat heel soft, iets wat veraf staat van harde feitenkennis. Terwijl je geen empathisch gesprek kunt voeren zonder die feitenkennis. Om je emotioneel in de collaboratie te kunnen verplaatsen, moet je natuurlijk wel goed weten wat de collaboratie was.

De Wever: Wie pleit voor geschiedenis als ‘leren kritisch en historisch denken’ krijgt heel snel het verwijt tegen feitenkennis te zijn. Dat ergert mij. Natuurlijk ben ik niet tegen feitenkennis. Zonder is er geen geschiedenis.

Lafrarchi: Er is geen tegenstelling tussen ‘historische feitenkennis’ en ‘historisch denken’. Je hebt feiten nodig om historisch te denken. Het belang van feitenkennis is de afgelopen decennia misschien wel wat onderschat. Ik ben een product van het vernieuwd secundair onderwijs en de beweging van kennis naar vaardigheid. Wij moesten vooral Frans kunnen spreken. Grammatica verloor aan belang. Vandaag groeit het inzicht dat kennis van de grammatica onontbeerlijk is om een taal goed te leren. Het zal altijd een zoektocht zijn om een goed evenwicht te vinden.

© Aurelie Geurts

De Wever: Ook in het geschiedenisonderwijs zie je de pendel weer wat meer naar de ‘kenniskant’ terugslaan. Vandaag zitten we met eindtermen die vrij abstract en zeer open zijn, en geen feitenkennis opleggen. Om leraren wat meer houvast te geven, en ook wel een beetje als antwoord op de door de regering bestelde canon, heb ik samen met collega-vakdidactici een initiatief genomen dat moet leiden tot een lijst van feiten die leerlingen aan het eind van het middelbaar moeten kennen.

Een alternatieve canon als het ware?

De Wever: Het essentiële verschil is dat deze lijst niet opgelegd wordt door de regering. Hij zal komen van de leraren zelf. Op 1 maart gaan we met meer dan honderd leraren en lerarenopleiders in het BELvue Museum in Brussel samenzitten voor een eerste oefening. Een makkelijke oefening wordt het zeker niet. Ook in onze beroepsgroep heb je de spanning tussen de nationalisten en wat een beetje smalend ‘de kosmopolieten’ wordt genoemd.

In een diverse wereld is zo’n oefening ongetwijfeld nog veel moeilijker.

De Wever: Dat is zo. Veertig jaar geleden kon een leraar geschiedenis het zich nog veroorloven om een lineaire geschiedenis van België te vertellen, grosso modo te beginnen bij de Gallo-Romeinse beschaving. Dat is min of meer wat de tv-reeks Het verhaal van Vlaanderen doet. De geschiedenisleraar is vandaag verplicht om veel breder te gaan. De eindtermen zijn op dat vlak duidelijk: je moet westerse én niet-westerse geschiedenis geven. Ik zou dat kader zelfs al niet meer gebruiken, en ervoor pleiten om vanuit een mondiaal kader te vertrekken. De problemen waar we vandaag mee te maken krijgen, zijn hoofdzakelijk globale problemen. Als we willen dat onze jongeren de wereld een beetje begrijpen, moet je ook iets vertellen over, onder meer, de Chinese geschiedenis. Alleen al daarom is het problematisch dat deze regering een canon heeft besteld waarvan het kader nadrukkelijk Vlaams moet zijn. Hetzelfde geldt natuurlijk ook voor Het verhaal van Vlaanderen. Het probleem begint al bij het bepaald lidwoord. Hét. Er zijn duizenden verhalen van Vlaanderen. En dan zwijg ik nog over de verhalen van België of ons continent. Uiteindelijk is dat programma een nieuwe verpakking van ouderwetse nationale geschiedenis. Dat mag, maar een expert die daaraan zijn medewerking verleent, moet weten in welk spel hij meespeelt. Het doel van dat spel is overduidelijk. Vlaams minister-president Jan Jambon, mijn broer Bart (N-VA-voorzitter, nvdr) en Joachim Pohlmann (kabinetschef cultuur van Jambon, nvdr) winden er geen doekjes om: de geschiedenis is hier een instrument om de Vlaamse identiteit te versterken. Uiteraard mogen ze dat proberen, maar dat mag níét de taak van het geschiedenisonderwijs zijn.

De roep naar ‘ouderwetse nationale geschiedenis’ is er niet alleen in Vlaanderen.

De Wever: Eerder zag je de canonieke geschiedenis ook al opbloeien in de VS, het Verenigd Koninkrijk en andere westerse landen. Dat is natuurlijk geen toeval. Dat heeft alles te maken met het tijdssegment waarin we leven. In tijden van snelle globalisering is het te verwachten dat je een antithese krijgt: het idee dat de nationale staat ons moet beschermen tegen de schokken van die globalisering. Zo bekeken is heel dat Vlaamse canonverhaal maar een variant op een ruimer westers verhaal. In landen als India en China leeft dat verhaal veel minder. Daar zijn ze veel meer toekomstgericht.

De behoefte aan ‘ouderwetse nationale geschiedenis’ blijkt ook te bestaan bij veel Vlamingen. Het verhaal van Vlaanderen is een hit, net als, veel eerder al, De Bourgondiërs, het boek van Bart Van Loo.

De Wever: Ik denk dat het toch vooral iets zegt over een behoefte aan goed vertelde verhalen. En Van Loo is een hele goeie verteller. Als historici moeten we daar oog voor hebben. ‘We moeten niet alleen deconstrueren,’ zeggen mijn collega’s in de canoncommissie, ‘maar ook construeren’. Lees: we mogen niet vergeten verhalen te vertellen. Dat klopt, maar het is niet zo dat leraren geschiedenis dat niet doen. Bovendien blijft de vraag of je het verhaal op de Vlaamse schaal moet vertellen. De eerste afleveringen van de reeks hebben wat mij betreft duidelijk laten zien dat die schaal totaal niet werkt. Er wordt begonnen bij de neanderthalers, wat al meteen een continentaal verhaal is. Hetzelfde geldt voor de Gallo-Romeinse beschaving. Dat was een onderdeel van het Romeinse Rijk, dat zich over het hele continent ontwikkelde, met uitlopers naar Azië en Noord-Afrika. Om er toch maar een Vlaamse draai aan te geven, werd in de tweede aflevering uitgebreid ingezoomd op Carausius, een Menapiër die het tot een van de Romeinse keizers heeft geschopt. Presentator Tom Waes noemt hem ‘ene van bij ons’, wat historisch gezien een zeer twijfelachtige bewering is. Waarschijnlijk was hij een Romein uit Rouen, maar precies weten we dat niet. Noteer ook dat dezelfde Carausius in de jaren vijftig van de vorige eeuw in de geschiedenishandboeken beschreven werd als ‘onze Belgische keizer’. Met andere woorden: Het verhaal van Vlaanderen is oude wijn in nieuwe zakken.

Naïma Lafrarchi: ‘De nadruk ligt op dialoog, diversiteit en inclusie. Maar die waarden sluiten excellentie toch niet uit?’
Naïma Lafrarchi: ‘De nadruk ligt op dialoog, diversiteit en inclusie. Maar die waarden sluiten excellentie toch niet uit?’ © Aurelie Geurts

Volgens de regering kunnen zulke nationale verhalen verbindend werken.

De Wever: Ik sluit niet uit dat je geschiedenis kunt gebruiken om een bevolking binnen een bepaald territorium – weze het Vlaanderen of België – te verbinden. Maar dan moet je op zoek naar een verhaal dat mensen die vandaag in Vlaanderen wonen echt verbindt. Dat is mogelijk. De regio waarin wij ons bevonden, maakte 2000 jaar geleden deel uit van het Romeinse Rijk, waar ook Noord-Afrika en Klein-Azië toe behoorden. Een andere vraag is of geschiedenis dient om mensen met elkaar te verbinden. Ik denk van niet. Geschiedenisonderwijs dient om mensen kritisch te maken. Daarom is het het belangrijkste vak van allemaal. En het meest complexe. Complexer dan wiskunde.

Het verhaal van Vlaanderen wordt ook gesubsidieerd door het departement Onderwijs. Vormt het geschikt lesmateriaal? En zouden jullie het gebruiken?

Lafrarchi: Ik kijk daar, als niet-historicus en pedagoog, allicht anders naar dan Bruno. Mijn eerste vraag is niet of het historisch allemaal correct is. Ik denk eerder: het programma is er, dus wat zijn de vakdidactische- pedagogische leerkansen in een diverse leeromgeving? Ongetwijfeld zullen jongeren met Afrikaanse roots er anders naar kijken dan jongeren met Vlaamse roots. Dat is een goed begin voor een gesprek waarbij ze leren kritisch en historisch te denken.

De Wever: In die zin kan ook het hoofdstuk over die Carausius interessant lesmateriaal zijn. Dat verhaal past in het verval van het West-Romeinse Rijk en de daaraan gerelateerde inflatie van keizers. Je zou als leraar geschiedenis het fragment kunnen tonen waarin Waes zegt dat het ‘ene van ons’ is, en vervolgens het tekstfragment laten zien waarin staat dat het een ‘Belgische Romeinse keizer’ is. Op die manier heb je niet alleen iets verteld over de val van dat rijk, maar ook een aanzet gegeven tot historisch denken. Waarom wordt hij vandaag zo neergezet, en zeventig jaar geleden zo?

Om te eindigen met de Geschiedenis Olympiade: in feite is het vak te complex voor een klassieke Olympiade?

De Wever: Ik denk het.

Lafrarchi: In de Verenigde Staten heb je geschiedenis- wedstrijden waar leerlingen in meerdere rondes worden ondervraagd over feitenkennis en alleen de allerbesten doorstromen naar de volgende ronde. Wij geloven – dat mag ondertussen wel duidelijk zijn – dat geschiedenis zo veel meer is dan dat.

Naïma Lafrarchi

Geboren in 1978

Is jurist en behaalde een master opleidings- en onderwijs-wetenschappen.

Deed onderzoek naar opvoedidealen van Vlaamse moslims

Binnen de master islamitische theologie en godsdienstwetenschappen (KU Leuven) was ze docent en studietraject-begeleider

In het kader van de educatieve master geschiedenis doet ze onderzoek rond controversiële en sensitieve onderwerpen in het Vlaamse geschiedenis-onderwijs

Bruno De Wever

In 1960 geboren in Mortsel

Sinds 1985 verbonden aan de UGent, waar hij vandaag hoogleraar geschiedenis is

Publiceerde in 1994 Greep naar de macht. Vlaams-nationalisme en Nieuwe Orde

Is codirecteur van het Instituut voor Publieks-geschiedenis en leidt als vakdidacticus leraars geschiedenis op

Is de oudere broer van N-VA-voorzitter Bart De Wever

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content