Opinie

Jan Mertens

‘Naar een levensstijl die past binnen 1,5°C: ecologische gulzigheid is sociaal onrechtvaardig’

Jan Mertens Medewerker Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling en lid van de Denktank Oikos

‘Het debat over de koopkracht lijkt soms te suggereren dat er enkel een vraagstuk is van verdeling. Alsof de norm die we nastreven van een welbepaalde levensstijl vanzelfsprekend of verworven is’, schrijft Jan Mertens van Oikos. ‘Een levensstijl met een te grote ecologische voetafdruk is echter op zich al sociaal onrechtvaardig.’ Dit is de derde aflevering van onze zomerreeks De Doordenkers van Knack.be: Waarheen met ons geld?

Onlangs was er gedurende één dag even een relevante discussie over een mogelijke verlaging van de snelheid tot 100 km per uur (ondertussen nog eens opnieuw voor één dag herhaald…). Het is een maatregel die een positief effect zou kunnen hebben op het energieverbruik, de luchtkwaliteit en de verkeersveiligheid. Die discussie is echter een taboe voor een aantal politici. Een ondertussen niet meer actieve partijvoorzitter stelde dat het op zich een goede en effectieve maatregel kan zijn voor wie er individueel voor kiest maar dat de overheid die niet kan opleggen, en zeker al niet als koopkrachtmaatregel. Het is een beetje een merkwaardige redenering. De voorzitter zei dat de maatregel dus wel degelijk effect kan hebben, maar vond het blijkbaar geen kwestie van algemeen belang, maar van individuele verantwoordelijkheid. De nieuwe voorzitter spreekt nu over “betutteling van de hoogste graad”.

Diezelfde partij vond het eerder wel nodig om te pleiten voor verregaande fiscale tegemoetkomingen om de prijs van de benzine naar beneden te krijgen, “voor de gewone man”. Bij de gewone man denkt men blijkbaar eerder aan de man met zijn dikke SUV die nu iets meer moet betalen om 120 per uur te kunnen rijden (of dat zelfs niet eens merkt in zijn salariswagen) dan aan de man die onderaan de inkomensladder leeft, helemaal geen auto heeft, zijn huis niet meer kan verwarmen en door zijn kwetsbare gezondheid dubbel zo hard getroffen wordt door luchtvervuiling en klimaatverandering.

Het debat over de koopkracht is cruciaal voor de samenhang in onze maatschappij. Veel meer mensen dan velen beseffen hebben het waarschijnlijk erg moeilijk om rond te komen nu. En tegelijk hebben meer mensen dan velen willen toegeven het in wezen niet erg veel moeilijker. Binnen wat we al snel ‘de middenklasse’ noemen zijn nog grote verschillen, in reëel inkomen en in levensstijl. Die verschillen zijn relevant. Niet alleen omdat het verschil tussen een dag niet kunnen eten en een vliegreis minder per jaar een verschil is tussen wat fundamenteel is en wat luxe is.

Ook omdat de nagestreefde norm van de levensstijl die we verbinden met de middenklasse zich niet voordoet in een abstracte of lege wereld, maar in een context waarin er ook een acute klimaat- en grondstoffencrisis is. En die ecologische crisis uit zich in belangrijke mate als een rechtvaardigheidscrisis. Het zijn in de eerste plaats zij die een te grote voetafdruk hebben (binnen en tussen landen en generaties) die ervoor verantwoordelijk zijn dat die ecologische crisis versnelt en dat de gevolgen daarvan vooral gedragen worden door de meest kwetsbaren.

Niet alleen het beleid als antwoord op de klimaatuitdaging kan sociaal minder of meer rechtvaardig zijn, de klimaatcrisis zelf is onrechtvaardig. Bij een term als een ‘sociaal klimaatbeleid’ denken we terecht aan wat er nodig is om wie in armoede leeft beter te beschermen. Maar we kijken liever niet naar de andere kant. Op te grote voet leven is in een begrensde wereld op zich ook een sociaal feit. Ecologische gulzigheid is sociaal onrechtvaardig. Wat we gemiddeld in ons land als een na te streven norm van levensstijl beschouwen is mondiaal en intergenerationeel gezien niet volhoudbaar, omdat de voetafdruk ervan veel te hoog is. Als we echt rechtvaardige beleidskeuzes willen maken over onze toekomstige welvaart, moeten we dus niet alleen kijken naar hoe het inkomen is verdeeld tussen rijk en arm, maar ook naar welke levensstijl we nastreven. In beide gevallen moet de grootste verantwoordelijkheid liggen bij de sterkste schouders.

Die discussie wordt jammer genoeg te weinig gevoerd. Wie had gehoopt dat de wereldwijde pandemie tot diepgaande veranderingen, in de vorm van een build back better zou leiden, is toch een beetje teleurgesteld. De beleidsreactie van de overheden was in veel opzichten baanbrekend. Ineens kregen we heel scherp in beeld dat de jobs die het meest essentieel zijn vaak het minst betaald worden. We zagen de contouren van hoe een maatschappij voorbij het klassieke groeimodel eruit zou kunnen zien. Maar de (knal)drang om terug te keren naar het ‘normale’ was ook erg groot. Al snel stegen de emissies terug naar een niveau dat hoger was dan voor de pandemie en stonden dichte drommen mensen elkaar te verdringen om het vliegtuig te nemen.

Het wordt tijd dat we meer intensief en creatief gaan nadenken over een welvaart die past binnen planetaire grenzen. Dat is een vorm van preventie. Als de huidige klimaatcrisis nog meer evolueert naar een klimaatchaos zal de maatschappelijke kost (en dus ook de begrotingsimpact) nog groter worden. De kost van de niet-transitie is groter dan die van de wel-transitie. En hoe langer we blind blijven voor die waarheid, hoe groter het risico dat de meest kwetsbaren overal ter wereld de zwaarste prijs betalen. De norm van onze ecologisch gulzige levensstijl niet in vraag willen stellen betekent in de feiten dat we die toenemende sociale ongelijkheid als een soort collateral damage willen aanvaarden. En dat is onaanvaardbaar.

Een piste daartoe is om actief te beginnen met het vormgeven van een levensstijl die past binnen het traject van 1,5°C dat we nodig hebben om de klimaatdoelstellingen van Parijs te halen. Een publicatie van het ZOE Institute vat de uitdaging goed samen. Iedere persoon wereldwijd stoot gemiddeld 4,8 ton CO₂eq per jaar uit. Voor de burgers van de EU bedraagt het jaarlijkse gemiddelde echter 8,2 ton CO₂eq. Om binnen de limiet van 1,5°C te blijven, moet dit niveau dalen tot 2,5 ton CO₂eq tegen 2030 en zelfs 0,7 ton CO₂eq tegen 2050. De emissiereducties die tot nu toe in Europa zijn bereikt, zijn voornamelijk afkomstig van lagere inkomensgroepen. Sinds 1990 is de uitstoot van de onderste 50% van de EU-bevolking met 24% gedaald, terwijl die van de top 10% met 3% is gestegen en van de top 1% zelfs met 5%. Niet kijken naar de activiteiten van de groep met de hoogste emissies is ethisch gezien erg problematisch. Het zijn die mensen die niet alleen het meest verantwoordelijk zijn voor het probleem, ze hebben tegelijk de meeste mogelijkheden om hun voetafdruk snel en drastisch te laten dalen.

Dat alles impliceert dat we er niet alleen voor moeten zorgen dat alle bevolkingsgroepen voldoende inkomen hebben om een waardig leven te leiden. In de discussie over de koopkracht gaat het vaak over ‘onderconsumptie’, maar de overconsumptie blijft buiten beeld. En dat is ethisch gezien niet houdbaar. Het is tijd voor een nuchter debat waarbij we onderscheid maken tussen wat een basisbehoefte is en wat we als luxe kunnen beschouwen. En met name die luxe-activiteiten die tegelijk nog een grote ecologische impact hebben mogen daarbij dus in beeld komen. Het ZOE Institute verwerkt het idee van de donuteconomie tot een ‘consumptiecorridor’. Breng in kaart wat elke burger nodig heeft om waardig te leven. Zorg voor goed toegankelijke publieke voorzieningen. En denk na over een idee van een maximale consumptiestandaard. Dat kan zich bv. uiten in een veelvliegerstaks, waarbij wie veel vliegt daarvoor telkens zwaarder belast wordt. Wie naast een robuust openbaar vervoer of de fiets toch de auto nodig heeft, zou in een andere logica dan de huidige terechtkomen. Tragere maximumsnelheden en het stimuleren van deelautosystemen waarbij lichte en veilige auto’s meer de norm worden dan zware verspillende SUV’s, het kan er ook bijhoren.

Het is jammer en wereldvreemd dat dit soort discussies al snel wordt geframed als een ‘inlevering’, terwijl het eigenlijk een gigantische uitnodiging tot creativiteit is, die moet leiden tot meer evenwicht en zekerheid in deze wankele tijden. Laten we in onze maatschappij veilige plekken creëren waar we met deze discussie kunnen beginnen.

Jan Mertens is medewerker van de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling en lid van de Denktank Oikos.

Partner Content