Het begon veelbelovend. De regering-Michel leek vastbesloten om de armoedecijfers, waar al tien jaar nauwelijks beweging in te krijgen was, naar beneden te halen. Door meer mensen aan het werk te zetten, maar ook door de laagste uitkeringen tot de Europese armoedegrens op te trekken. Ook de Vlaamse regering toonde behoorlijk wat ambitie met de belofte om mensen in armoede zo veel mogelijk op maat te ondersteunen.
...

Het begon veelbelovend. De regering-Michel leek vastbesloten om de armoedecijfers, waar al tien jaar nauwelijks beweging in te krijgen was, naar beneden te halen. Door meer mensen aan het werk te zetten, maar ook door de laagste uitkeringen tot de Europese armoedegrens op te trekken. Ook de Vlaamse regering toonde behoorlijk wat ambitie met de belofte om mensen in armoede zo veel mogelijk op maat te ondersteunen. Dat armoedebestrijding zowel op het Vlaamse als op het federale niveau bij dezelfde partij terechtkwam, stemde aanvankelijk hoopvol. Maar al snel bleek het niet bepaald een meerwaarde te zijn dat staatssecretaris voor Armoedebestrijding, Gelijke Kansen, Personen met een beperking, Grootstedenbeleid en Wetenschapsbeleid Elke Sleurs en Vlaams minister van Binnenlands Bestuur, Wonen, Bestuurszaken, Inburgering, Sociale Economie, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding Liesbeth Homans allebei tot de N-VA behoren. Nochtans hoefden beide excellenties bij hun aantreden in 2014 geen al te grote voetsporen te vullen. Hun voorgangers, Vlaams minister Ingrid Lieten (SP.A) en federaal staatssecretaris Maggie De Block (Open VLD), hadden amper iets gerealiseerd op het vlak van armoedebestrijding. Homans en Sleurs hadden hen met twee vingers in de neus kunnen overtreffen, maar ook zij verlegden uiteindelijk geen steen. Niet alleen omdat ze veel andere, electoraal interessantere bevoegdheden hadden, maar ook omdat ze te allen tijde trouw bleven aan de partijlijn. Voor de N-VA moeten mensen in armoede hun verantwoordelijkheid opnemen, zelfredzaam worden en vooral een job zoeken. Dat is ook wat Homans, Sleurs en hun partijgenote Zuhal Demir, die het in februari 2017 van Sleurs overnam, de hele tijd bleven herhalen: werk is het belangrijkste instrument om mensen uit de armoede te halen en het is geen goed idee om hen zomaar geld toe te stoppen. Meer dan ooit werd de voorbije regeerperiode ingezet op activering, een begrip dat al meer dan twintig jaar een mantra is van de opeenvolgende regeringen. De vorige federale regering onder leiding van Elio Di Rupo (PS) beperkte de inschakelingsuitkering tot 36 maanden. Die kunnen jonge mensen krijgen als ze een jaar na hun afstuderen nog geen werk hebben gevonden. Dat was eerder een besparingsmaatregel dan een ideologische ingreep. Toen die beperking in 2015 effectief inging onder de regering-Michel, verloren bijna 28.756 Belgen hun uitkering. Amper 30 procent ging vervolgens aan het werk, nog eens 30 procent klopte aan bij het OCMW en de rest had een jaar later nog altijd geen inkomen. Die cijfers laten geen spaander heel van de opmerkelijke uitspraak die Demir in diezelfde periode in De Tijd deed: 'Als werklozen merken dat ze rekeningen niet kunnen betalen, zullen ze harder hun best doen.' Dezelfde redenering zit achter het huidige voornemen van de N-VA, maar ook van Open VLD en het Vlaams Belang, om de werkloosheidsuitkeringen te beperken in de tijd. Dat alleen al het degressief maken van die uitkeringen - ook een maatregel van de regering-Di Rupo - een kwalijke impact had op de armoedecijfers, is kennelijk geen bezwaar. Wellicht zullen ook meer (voormalige) langdurig zieken de komende jaren in de armoedecijfers belanden. In een poging hen terug naar de arbeidsmarkt te krijgen, is het de bedoeling dat hun werkgever binnen zijn bedrijf aangepast werk voor hen zoekt. Is dat er niet, dan kan de werknemer zonder opzeggingsvergoeding worden ontslagen. In 68 procent van die gevallen is dat ook gebeurd. 'De regering heeft een goedkope ontslagmachine gecreëerd', zei Paul Callewaert, topman van het socialistische ziekenfonds, daar onlangs over in Knack. 'Er zal altijd een groep zijn die we niet aan het werk krijgen', gaf Zuhal Demir een paar maanden na haar aantreden toe in dit blad. 'Natuurlijk moeten we goed voor hen zorgen. Die solidariteit staat niet ter discussie. Ik vind zelfs dat we nog meer voor hen zouden moeten doen.' Dat kan door de laagste vervangingsinkomens en bijstandsuitkeringen boven de Europese armoedegrens te tillen, bijvoorbeeld, zoals bij de regeringsvorming was afgesproken. Nieuw was dat idee natuurlijk niet. Tien jaar geleden al verklaarde de latere premier Yves Leterme (CD&V) dat hij 2 miljard euro wou uittrekken om de laagste uitkeringen te verhogen tot boven de armoedegrens, die is vastgelegd op 60 procent van het mediaan inkomen. Ook voor de regering-Di Rupo was dat al een absolute prioriteit. Toch is dat niet gebeurd. Dus werd de verhoging van de laagste uitkeringen tot het niveau van de Europese armoededrempel in 2014 wéér in het regeerakkoord ingeschreven. Maar zoals dat wel vaker gaat met politieke prioriteiten, werd de belofte afgezwakt naarmate de regeerperiode vorderde en de budgetten slonken. In de beleidsnota van Zuhal Demir uit 2017 stond niet langer dat de laagste uitkeringen over de armoedegrens zouden worden getild, maar wel dat ze 'in de richting van de armoedegrens' zouden evolueren. We moesten begrijpen dat het niet realistisch was om nog meer gedaan te krijgen in de 2,5 jaar die haar restten, vond ze. Nu zijn de sociale minima de voorbije jaren wel degelijk verhoogd. Daarvoor werd een aanzienlijk deel gebruikt van de welvaartsenveloppe, een soort geldpotje waarmee de uitkeringen en pensioenen welvaartsvast kunnen worden gehouden. Daarnaast werd in het Zomerakkoord van 2017 afgesproken dat er jaarlijks 80 miljoen euro wordt uitgetrokken om de armoede te bestrijden. In het kader van de taxshift werden zowel de minimumpensioenen als de leeflonen met 2 procent verhoogd. Daardoor steeg het leefloon voor een gezin met kinderen de voorbije regeerperiode met 165 euro per maand tot 1254 euro. Er valt niet te ontkennen dat dit in de richting van de armoedegrens gaat. Alleen ligt die grens voor een gezin met twee kinderen op 2329 euro per maand. Meer dan 1000 euro hoger dus. Volgens armoede-experts slaat de regering-Michel zich op de borst voor wat niet meer is dan wat gerommel in de marge. Begin dit jaar liet vicepremier Kris Peeters (CD&V) het Planbureau berekenen wat het zou kosten om iedereen een uitkering te geven die minstens zo hoog is als de armoedegrens. Het antwoord: 1,2 miljard euro, minder dus dan wat zijn partijgenoot Leterme tien jaar geleden naar voren schoof. Al waarschuwen experts van het Centrum voor Sociaal Beleid van de Universiteit Antwerpen ervoor dat dan ook de laagste lonen moeten worden verhoogd. Anders zouden mensen niet genoeg worden geprikkeld om een job te zoeken. Hoe dan ook is het een certitude dat het optrekken van de sociale minima het volgende regeerakkoord haalt. In de Stemwijzer van Knack trekken CD&V en PVDA daar 1,2 miljard euro voor uit en Groen 1,4 miljard euro. Het ziet er in elk geval naar uit dat de volgende regering over meer middelen zal beschikken om de laagste uitkeringen te verhogen. In de Nationale Arbeidsraad (NAR) hebben de sociale partners afgesproken dat de welvaartsenveloppe in 2019 283,5 miljoen euro zal bedragen en in 2020 meer dan 644 miljoen euro. Wat het federale beleid betreft, klagen armoedeorganisaties ook aan dat de lagere inkomensgroepen veel te weinig kunnen profiteren van de vele premies, subsidies en fiscale aftrekken. De taxshift heeft volgens hen in verhouding ook een veel te kleine impact op de laagste lonen. Wel werden er mooie initiatieven genomen om de schuldenindustrie aan banden te leggen. Zo wilde Kris Peeters ervoor zorgen dat de eerste herinneringsfactuur altijd gratis is en invorderingskosten nooit meer dan 15 procent van het factuurbedrag mogen bedragen. Maar die voorstellen haalden uiteindelijk de eindstreep niet. Onlangs waagde CD&V een tweede poging door ze in een wetsvoorstel te gieten, maar dat raakte niet meer goedgekeurd in de Kamer. Demirs idee om mensen met schulden drie maanden de tijd te geven om samen met het OCMW een oplossing uit te werken, haalde niet eens het parlement. Door haar harde imago en haar vaak bekritiseerde passage als OCMW-voorzitster in Antwerpen kreeg Liesbeth Homans bij haar aantreden als Vlaams minister minder krediet dan haar federale evenknie. Armoedeorganisaties waren niet vergeten dat ze in Antwerpen 1 euromaaltijden voor kansarmen had ingevoerd. Een maatregel die volgens hen niet alleen bijzonder stigmatiserend maar ook totaal wereldvreemd was. Toch hield Homans voet bij stuk: als minister maakte ze 1,2 miljoen euro vrij om kansarme kinderen in 22 steden en gemeenten 1 euromaaltijden aan te bieden. Applaus kreeg ze daar alweer niet voor. Volgens het kinderrechtencommissariaat schoot het project, dat ondertussen in alle stilte is afgevoerd, zijn doel totaal voorbij. Er werden zelfs amper arme kinderen mee bereikt. Veel trok Homans zich van die kritiek niet aan. 'Ik wil de kinderarmoede halveren. Reken me daar maar op af', zei ze halfweg 2016 in De Standaard. Wellicht heeft ze al lang spijt van die uitspraak, want de voorbije jaren is de kinderarmoede in Vlaanderen gestegen tot boven de 13 procent. Nochtans had de Vlaamse regering op dat vlak echt het verschil kunnen maken met de kinderbijslag die ze door de zesde staatshervorming in handen kreeg. Aangezien die bevoegdheid goed is voor 3 miljard euro, had ze een eigen systeem kunnen opzetten waar vooral de armste gezinnen beter van werden. In Canada zijn ze er op die manier in geslaagd om de kinderarmoede daadwerkelijk te halveren. 'Bij ons ontbrak de politieke wil om zover te gaan. De meerderheidspartijen waren veel te bang om de middenklassekiezer te verliezen', zegt Wim Van Lancker, professor sociaal werk en sociaal beleid aan het Centrum voor Sociologisch Onderzoek (KU Leuven). 'Nu krijgt elk kind, ongeacht zijn leeftijd of rang in het gezin, een basisbedrag van 160 euro. Daardoor blijft er veel te weinig over om daarnaast nog echt te herverdelen via sociale correcties.' Nochtans staat in het Vlaamse regeerakkoord dat de Armoedetoets, waarbij voor elke nieuwe maatregel de impact op mensen in armoede wordt nagegaan, consequent zou worden toegepast. Dat werd de voorbije jaren wel vaker vergeten. Toen de tarieven voor kinderopvang voor de laagste inkomens werden verdrievoudigd, bijvoorbeeld. Of toen de minister van Armoedebestrijding zelf de huurwaarborg van twee naar maximaal drie maanden optrok. Wel investeerde Homans zwaar in sociale woningen, maar dat volstond niet om de lange wachtlijsten in te korten. Omdat de huurprijzen op de private markt blijven stijgen, komen veel gezinnen in de problemen. Voor de water- en energiefactuur, die steeds meer mensen de voorbije jaren niet meer konden betalen, zijn het federale én het Vlaamse bestuursniveau verantwoordelijk. Dat energie een steeds grotere hap uit het gezinsbudget neemt, komt niet alleen door de elektriciteitsprijs op zich. Op de factuur staan ook allerlei belastingen die in veel andere landen in de algemene middelen worden verrekend. Armoedeorganisaties pleiten ervoor om die uit de energierekening te filteren. 'Het volstaat dus niet om de laagste uitkeringen op te trekken', zegt Van Lancker. 'In alle beleidsdomeinen en op alle niveaus moet worden nagegaan wat er kan worden gedaan om de kwetsbaarste mensen vooruit te helpen. Het systeem van kinderbijslag aanpasssen, bijvoorbeeld, maar ook het woonbeleid en de fiscaliteit.' Vandaag kan een op de vijf Belgen het hoofd niet boven water houden. 'Wat een eigenaardig departement is armoedebestrijding toch: minimale inspanningen leveren recordcijfers op, van de wachtlijsten over de voedselbanken tot de leeflonen', zegt Jos Geysels, voorzitter van Decenniumdoelen, een platform van armoedeorganisaties. 'Onrustwekkend is dat ook de lagere middenklasse nu al in de problemen komt.' Volgens Eurostat leeft 5 procent van de werkende Belgen in een huishouden met een verhoogd armoederisico. Dat aantal blijft min of meer stabiel, maar dat wil niet zeggen dat er geen werkende armen bij komen. De cijfers van Eurostat houden immers alleen rekening met iemands inkomen, niet met wat hij ermee kan doen. Onder meer door de sterk gestegen huur- en energieprijzen is de kans groot dat steeds meer werkenden in de problemen komen. Armoedeorganisaties vrezen ook dat de flexibilisering van de arbeidsmarkt met meer uitzendarbeid, tijdelijk werk en deeltijdse jobs het aantal werkende armen zal doen toenemen. Daarnaast heeft de regering flexi-jobs mogelijk gemaakt en mogen werknemers onder bepaalde omstandigheden onbelast bijverdienen. Gevreesd wordt dat mensen die al werk hebben op die manier jobs van werkzoekenden zullen afnemen. 'Dat zet ook de hoeraberichten over de bijna 220.000 jobs die de regering-Michel heeft gecreëerd in een ander perspectief', zegt Wim Van Lancker. 'Die banen zijn echt niet bij de armen terechtgekomen.' De voorbije jaren verscholen beleidsmakers zich niet zelden achter uitvluchten die hun falende beleid moesten verklaren. Sommigen deden het zelfs af als een importprobleem: dat de armoede niet daalt, zou aan de komst van arme vluchtelingen en migranten liggen. Heel veel invloed kunnen nieuwkomers nochtans niet op de statistieken hebben: in 2018 werden in België 10.000 asielaanvragen goedgekeurd terwijl er 1,7 miljoen armen zijn. Ook gezinsherenigingen zijn niet van die grootteorde dat ze een daling van de armoedecijfers zouden kunnen tegenhouden. 'Ik wil best aannemen dat de vluchtelingencrisis druk zet op bepaalde lokale overheden en op OCMW's in grote steden, maar dat daardoor de armoedecijfers niet dalen is gewoon prietpraat', zei professor sociologische wetenschappen Ive Marx (UA) onlangs in Knack. 'De manier waarop er gesproken wordt over "de import van armoede" is een perfide discours dat bevolkingsgroepen tegen elkaar opzet.' In elk geval kan niemand vandaag nog voorbij aan de relatief stabiele maar daarom niet minder alarmerende armoedecijfers. 'Iedereen erkent ondertussen wel dat armoede een enorm probleem is', zegt Geysels. 'Daardoor krijgt het thema ruimte in regeerakkoorden en gaan er ook wat meer middelen naartoe, maar er is geen sprake van voortschrijdend inzicht. Armoede wordt nog altijd als een individueel en niet als een maatschappelijk probleem gezien. Dat is meteen ook de reden waarom structurele maatregelen uitblijven.' Daarom ergert het Geysels zo dat politici van de meerderheidspartijen, zoals Bart De Wever (N-VA) en Pieter De Crem (CD&V), zich de laatste maanden opwerpen als behoeders van het zogenaamde ecoproletariaat. 'Dit is toch het toppunt?' zegt hij. 'Vijf jaar lang deden hun regeringen onfatsoenlijk weinig voor de armen en nu gaan ze hen plots misbruiken in de klimaatdiscussie? Met zulke vrienden hebben mensen in armoede geen vijanden meer nodig.'