Een bijna aandoenlijk dossier in de relaties tussen België en China betrof de belangstelling van een groep Chinese investeerders voor een bedrijventerrein aan een snelweg niet ver van Antwerpen. Met veel tromgeroffel beloofde de minister van Economie honderden banen. De eigenaar van de grond investeerde in infrastructuur. De Chinezen, evenwel, die lieten zich na enkele vrolijke recepties met Belgische excellenties niet meer zien. Nog een voorbeeld: Alibaba in Luik. Jack Ma, de stichter van het bedrijf, was een graag geziene gast, tot in het koninklijk paleis. Na jaren van inspanningen, besloot het bedrijf dan toch eindelijk te investeren. De overheid stelde de beste gronden ter beschikking en de douane werd aangemaand zich 'flexibel' op te stellen in het bestrijden van Chinese namaakgoederen. Vandaag werken er echter nog steeds maar een beperkt aantal mensen. Het pakjesverkeer gaat ook voor 95 procent in één richting: Chinese invoer naar België. Uitvoer door Belgische bedrijven naar China, een belofte waarmee sommige politici nochtans uitpakten, die bleef veel kleiner. Eigenlijk hoefde dat niet te verbazen. De Chinese overheid, we zullen dit later 14 een oproep voor economisch realisme in het boek bespreken, instrueerde Alibaba haarfijn dat het zich vooral moest bezighouden met uitvoer en het versterken van internationale productienetwerken gecontroleerd door Chinese bedrijven.

Het typeert veel Westerse landen: euforische verwachtingen over Chinese investeerders, terwijl de ware intenties doorgaans in publieke documenten staan uitgeschreven. Met een kleine diplomatie, een versnipperde overheid en een verwaarloosbare inlichtingencapaciteit op het gebied, hollen dergelijke landen keer op keer achter de feiten aan. In het geval van België had dat bijna ook cruciale gevolgen voor een strategische sector als de energie. En als diplomaten en inlichtingenoffi cieren hun werk al doen, dan worden ze soms zelfs de mantel uitgeveegd door politici. De minister-president van Vlaanderen deed een analyse van de inlichtingendienst over het staatsbedrijf State Grid af als een vodje papier; de genuanceerde Chinastrategie voorbereid binnen buitenlandse zaken botste ook op een politiek njet. China speelt Go, wij spelen Twister.

'Maar, we drijven toch veel handel met en China is een groeiende markt,' klinkt het dan. Ook in dit opzicht valt meteen het verschil op met China. Wat telt is niet zozeer de omvang van de handel, maar wat je eruit haalt, wie aan de haal gaat met de meeste technologische kennis, wie er het best in slaagt de handel te controleren, de grootste winst te draaien en dat liefst ook vol te houden op lange termijn. Belangrijk voor China is ook dat handel slechts een middel is om macht te verwerven, om het algemeen belang te dienen. In België en 15 een oproep voor economisch realisme Nederland hebben we het amper nog over 'algemeen belang'. De Chinese markt groeit inderdaad, maar het is de betrachting van de overheid om daarvan vooral Chinese bedrijven te laten produceren én de afhankelijkheid van buitenlandse bedrijven terug te dringen. Dat verklaart meteen waarom de Belgische uitvoer naar China de voorbije vijf jaar, tussen 2014 en 2018, niet gegroeid is, ondanks het feit dat de Chinese markt groeide met ruim 6 procent per jaar. Ook de Nederlandse uitvoer naar China stokt. Interessant is ook de samenstelling van de handel: China neemt steeds meer de technologie voor zijn rekening. Wij mogen de babymelk verkopen; China de machines, wij het varkensvlees; China de smartphones.

'En wat dan met al die grote bedrijven die in China actief zijn?' Het is zeker zo dat een aantal bedrijven fl inke omzet draaien in China. Maar ze moeten daar wederom flinke offers voor leveren: toegang tot technologie, het aanvaarden van joint ventures, enzovoort. Vooral in sectoren die voor China strategisch relevant zijn, wordt er veel van buitenlandse investeerders geëist, worden ze tegen elkaar uitgespeeld en worden ze vaak naar de uitgang gewandeld als binnenlandse bedrijven sterk genoeg zijn om het over te nemen. Als land moet je je ook de vraag stellen hoeveel die grote bedrijven met hun investeringen in China opleveren. China dwingt hen vaak bijna de inkomsten in China te herinvesteren, waardoor er weinig winst terug naar België en Nederland vloeit. Jaarlijks vloeit er voor 115 miljoen euro aan investeringsinkomsten terug naar België; 2,4 miljard naar Nederland. Dat is niet bepaald veel. Globaal gezien, als we de handel in goederen, de handel in 16 een oproep voor economisch realisme diensten en de investeringsinkomsten optellen, blijven we een tekort boeken met China. We geven dus eigenlijk heel veel op voor weinig baten en vele bedrijven blijven vallen voor de hype.