Godsdienst in China: ‘De deur die even open leek, gaat opnieuw dicht’

In de oude Dai Miao tempel in Tai'an vertrekken de bedevaarten al eeuwen. © Maria Fialho
Sus van Elzen
Sus van Elzen Sus van Elzen is journalist en auteur

In de Chinese Volksrepubliek is godsdienst helemaal terug. Journalist Sus van Elzen trok de heilige berg Taishan op en werpt een blik op de plaats van religie in de Chinese samenleving, gisteren en vandaag.

Van alle bergen in China is de Taishan (Shan betekent berg) de heiligste. Of toch de berg die het meest door pelgrims en bedevaarten beklommen wordt. Een trap van 7000 treden leidt naar de top die maar liefst 1500 meter hoog reikt. Er is een kabelbaan voorzien maar echte pelgrims maken daar vanzelfsprekend geen gebruik van.

Er bevinden zich vijf taoïstische heilige bergen in China, naast een pak andere zogenaamde heilige bergen. Deze, de Taishan of de vredige berg, zit diep verankerd in de Chinese geschiedenis en mythologie, en in wat je ‘de Chinese religie’ zou kunnen noemen.

De eerste keizer, de verschrikkelijke Qin Shi Huang, beklom de berg in 219 voor Christus, om de eenmaking van het Chinese rijk te vieren. Confucius (zelf afkomstig uit het naburige Qufu) beklom de berg om naar het land van Lu, een toenmalige vazalstaat, te kijken en sprak: ‘Vanop de Taishan gezien is de wereld klein.’

De Taishan is een taoïstische berg, maar wat dat betekent is niet duidelijk. De Chinese beschaving kent al eeuwen drie basisreligies. Een ervan, het confucianisme, is geen godsdienst maar eerder een filosofie of reglement. Een tweede, het taoïsme, is in zijn meest zuivere vorm dan weer een soort mystiek anarchisme. De derde is het boeddhisme afkomstig uit India en al lang ‘verchineest’.

Al eeuwen komen bedevaartgangers op de Taishan naar de zonsondergang kijken.
Al eeuwen komen bedevaartgangers op de Taishan naar de zonsondergang kijken.© Maria Fialho

We zijn tweeduizend jaar verder en voor Chinese gelovigen blijft een religieuze mengvorm over. De abstractie van Tao is te ingewikkeld, Confucius te droog en het echte boeddhisme te streng. De mengvorm is vervolgens bestrooid met oudere goden, godinnen, en heiligen. Na het toevoegen van kleur en wierook blijft vandaag een kleurige, welriekende eenheidsworst over.

Het is vandaag dan ook verre van duidelijk wie ‘de god van de berg’ eigenlijk is, de god waarover men spreekt in de oude Dai Miao tempel, het vertrekpunt van de bedevaart in Tai’an, de stad aan de voet van de berg.

Al eeuwen klimmen bedevaarders naar ‘de vrouw van de azuren wolk’ die bovenop de berg haar tempel deelt met de godin van het Licht en Avalokiteshvara of Kwan yin. Nu kan die azuren wolk wel taoïstisch zijn, maar de twee andere figuren zijn wel degelijk boeddhistisch. Maar de mensen die hier appels en mandarijntjes komen offeren, of wierook en papieren namaakgeld verbranden (het stille genoegen pakken honderd yuan-biljetten met het portret van Mao Zedong erop te mogen verbranden) maken zich daar geen zorgen over. Dit alles maakt deel uit van het ‘Oude China’.

Maar wij hebben te maken met het ‘Nieuwe China’. Voor Mao Zedong waren godsdiensten opium voor het volk en dienden ze uitgeroeid te worden, samen met de traditionele Chinese cultuur. Tempels werden gesloten en afgebroken, priesters werden aan het werk gezet, buitenlandse missionarissen werden opgesloten en uit het land gezet. Het moderne geloof was dat in Mao, zijn gedachten en zijn Communistische Partij van China, en de hoogmis ervan was de Culturele Revolutie (1966-1976).

Na de dood van Mao opende Deng Xiaoping de Volksrepubliek en konden invloeden van het Oude China weer binnensijpelen. Voor de Communistische Partij van China waren er voortaan vijf ‘erkende’ religies, dat wil zeggen gecontroleerd door de CCP, opgenomen als ze waren in het ‘Eenheidsfront’ van de Partij met niet-communisten. De vijf religies waren het boeddhisme, het taoïsme, de islam, het katholicisme en het protestantisme. De Communistische Partij bleef vanzelfsprekend de baas en hield alle touwtjes in handen.

Aangemoedigd werden de religies niet, maar ze werden wel geduld. Het zou duren tot het begin van de eenentwintigste eeuw voor godsdienst echt opnieuw min of meer probleemloos beleden kon worden. Een bevriende Vlaamse sinoloog woonde vijf jaar in Xi’an in de jaren tachtig. Hij keerde er twintig jaar later terug en trof tot zijn verbazing een oude tempel aan tegenover het pand waar hij gewoond had. De tempel had al die tijd achter muren verborgen gezeten.

Toen godsdienst uiteindelijk écht weer kon in China, was er sprake van een explosie. Natuurlijk bleef het controleprobleem bestaan en religies die niet bij de erkende vijf behoorden, zoals het judaïsme, konden slechts een precair bestaan leiden. De Falung Gong-sekte, die te veel bij de traditioneel Chinese sekten aanleunde die de Partij verafschuwde, werd na een onvoorzichtige manifestatie verboden en meedogenloos vervolgd. De andere religies kenden een periode van bloei.

Deze evolutie was ook niet zo vreemd. Zoals Ian Johnson, correspondent voor The New York Times, het mooi beschrijft in zijn boek The Souls of China: The Return of Religion after Mao, had het maoïsme al het oude uitgeroeid of eerder onder de oppervlakte geduwd. Toen onder Deng Xiaoping bleek dat het maoïstische geloof slechts een pijnlijke grap was geweest, stonden de Chinezen voor een grote leegte: er was niets meer om in te geloven. Hun maoïsme was dood, hun klassieke Chinese waarden waren vernietigd.

Het was dan ook geen wonder dat de godsdiensten weer uit de kast kwamen. En dan in de eerste plaats de autochtoon Chinese religies: het taoïsme, het confucianisme, en het boeddhisme. Volgens cijfers van Johnson zou China nu om en bij de 200 miljoen boeddhisten en taoïsten tellen, 50 à 60 miljoen protestanten, 20 tot 25 miljoen moslims en 10 miljoen katholieken. Maar deze cijfers zijn bedenkelijk, dit soort zaken blijft moeilijk meetbaar in China.

Wat vandaag verder opvalt is de snelle opkomst van christelijke varianten met een direct geloof in een persoonlijke god, iets wat in China traditioneel nooit wortel schoot. Maar ze werken met het idee van de individuele inzet en verantwoordelijkheid van de gelovige tegenover het regime. Dit blijkt een sterk argument.

Het sleutelwoord voor deze ‘vreemde’ godsdiensten is vandaag ‘verchinezing’. Ze moeten zich zien in te passen in de Chinese cultuur. Wat dat betekent, zal de Partij wel bepalen.

In aanloop naar het voorbije Congres waren de katholieken in China optimistisch. Een grote opening en dialoog leek in de maak, met uitwisselingen tussen onder andere China en België. Datums waren vastgelegd, vliegtuigtickets gekocht. Een bezoek van kardinaal De Kesel aan Peking werd voorbereid. Nu het Congres voorbij is, blijkt dat bezoeken en uitwisselingen afgelast dan wel geannuleerd zijn. De ‘dialoog’ zal verder bekeken worden en misschien ook wat meer gereglementeerd worden. De deur die even open leek, gaat opnieuw dicht.

De Partij is geen ideologie meer, maar een loopbaan of machtsstructuur.

Dreigt deze religieuze golf de ideologie van de Communistische Partij weg te vegen? Neen, de Partij is geen ideologie meer, maar een loopbaan of machtsstructuur. Maar de golf kan wel, als men het optimistisch bekijkt, aansluiten bij de herleving van de traditionele Chinese cultuur die Xi Jinping nu voorstaat. De combinatie zou generaties jonge Chinezen op weg kunnen helpen om voor zichzelf te leren denken.

Generaties Chinezen stappen intussen welgemoed de 7000 trappen van de Taishan op. Ze gaan langs gedenkplaten, schrijnen, altaartjes en kapellen voor onbekende goden en niemand weet wat ze daar allemaal van denken. Boven aangekomen branden ze wierook en namaakgeld voor ‘de vrouw van de azuren wolk’. Zo is dat altijd geweest. Dan gaat de zon onder achter een andere top met een paviljoentje erop. Het is wondermooi, daar op de berg. Nooit ben ik dieper in China geweest.

Partner Content