De voorbije jaren kon ik op de Europese Commissie het Europees klimaatbeleid mee uittekenen. Dat leverde bijzondere momenten op. Uiteraard het klimaatakkoord van Parijs, maar ik denk ook aan de oprichting van het Global Covenant of Mayors, samen met ex-burgemeester van New York Mike Bloomberg. Dat is een netwerk van meer dan 9000 steden die vechten tegen klimaatverandering. Op zo'n momenten voel je: 'dit kan iets worden'. Dat gevoel had ik ook zondag op de klimaatmars: 'dit gaat niet liggen; we ain't seen nothing yet'.

Steden en gemeenten nemen het voortouw

Is dit het kantelmoment waar eenieder die met klimaat bezig is al zolang op zit te wachten? Het moment waarop klimaat dé prioriteit wordt? 'Ja maar, onze economie!', hoor ik sommigen terugkaatsen. Het antwoord daarop is eenvoudig: klimaatgerelateerde rampen veroorzaakten in 2017 voor bijna 300 miljard euro economische schade. 'Ja maar, onze sociale zekerheid!', weergalmt opnieuw. Ook daarop is een antwoord: luchtvervuiling kost ons in Europa jaarlijks meer dan 1,6 triljard dollar volgens de Wereldgezondheidsorganisatie.

De klimaatstrijd zal gewonnen worden op lokaal niveau, in onze steden en gemeenten.

Steeds meer steden en gemeenten beseffen dat en nemen daarom nadrukkelijk de leiding in de zoektocht naar een oplossing voor het klimaatvraagstuk. Netwerken van steden zoals Cities4Climate of Energy Cities worden invloedrijker. In de VS is na de verkiezing van President Trump het zwaartepunt van de klimaatactie zelfs expliciet naar steden en staten verschoven. Nog geen jaar nadat Trump aankondigde dat hij de VS uit het Akkoord van Parijs wilde halen, vormden New York, California en verschillende andere Amerikaanse staten, steden en bedrijven samen een tegencoalitie: de 'We Are Still In'-coalitie. Samen vertegenwoordigen ze een BBP van meer dan 9 triljard. Geef toe, dat geeft wel wat invloed.

Ook in de klimaatmars van vorige zondag stapten - zij het discreet - een aantal schepenen en burgemeesters mee. Dat is belangrijk omdat lokale politici zo met eigen ogen kunnen zien dat er écht een draagvlak is voor een vooruitstrevend klimaatbeleid. Maar ten tweede ook omdat lokale besturen betrokken partij bij uitstek zijn. Het is bijvoorbeeld allemaal goed en wel dat De Lijn recent nog 55 dieselbussen bestelde, en daarbij de leuze 'het zijn de laatste' hanteerde, maar die rijden wel mooi rond in onze steden en gemeenten. Terwijl steden en gemeenten net daar zo veel inspanningen doen om de uitstoot te verminderen.

Duurzame dynamiek

Er beweegt iets in onze gemeenten. Steeds meer gemeentebesturen hebben een klimaatschepen, of een schepen van duurzaamheid. Onder het Europees Burgemeestersconvenant hebben 235 Belgische gemeenten bovendien een actieplan ingediend om de CO2-uitstoot tegen 2020 te verminderen met minstens twintig procent. Als jouw gemeente dat nog niet gedaan heeft: bezetten maar, dat marktplein! Sommige besturen werken zelfs al aan een 2030-plan.

De politieke wil is er dus duidelijk wel al, maar toch ontbreekt nog een en ander. Er is vooral te weinig kennis, te weinig overleg met hogere overheden en te weining burgerparticipatie. Ten eerste, kennis. Het - al zeg ik het zelf - erg ambitieuze Vilvoordse bestuursakkoord zegt zwart op wit dat we werk willen maken van een duurzaamheidsrevolutie. Maar in de praktijk betekent dat veel bloed, zweet en opzoekwerk van onze ambtenaren. Of liever: ambtenaar, enkelvoud. Hoe begin je aan een lage-emissiezone, aan een warmtenet, aan een klimaatneutrale wijk of aan een energiecoöperatieve? Enkele Vlaamse pioniergemeenten hebben intussen expertise opgebouwd en willen die wanneer gevraagd delen met collega's. Maar het is weinig gestructureerd, waardoor veel tijd verloren gaat. Tijd die we niet hebben. Een revolutie zet je niet even on hold. Hoog tijd dat we structureel best practices gaan uitwisselen.

Ten tweede is er een gebrek aan overleg met hogere overheden. In november 2017 lanceerden de klimaatschepenen van 13 centrumsteden een oproep om van steden 'volwaardige partners te maken in het klimaatbeleid'. Ze vroegen een zogenaamd 'Klimaatverbond': een structureel overleg met de hogere overheden. Hoe staat het daarmee, vraag je je vast af? Zou De Lijn na zo'n overleg nog dieselbussen aankopen? Ik hoop alvast van niet.

Een stadsbestuur kan (en moet) voortrekker zijn, maar heeft doorgaans niet de middelen om het alleen te redden.

Ten derde, burgerparticipatie. Ik kan nu al zeggen dat veel gemeenten, ook mijn eigen stad, een mirakel nodig hebben om de doelstellingen van het Burgemeestersconvenant te halen. Een stadsbestuur kan (en moet) politiek een voortrekker zijn, maar heeft doorgaans niet de middelen om het alleen te redden. Voor een energiecoöperatieve, bijvoorbeeld, heb je mensen nodig die daken willen aanbieden voor zonnepanelen. Voor het meten van de roetuitstoot in de buurt van scholen, heb je scholieren nodig die met een roetmeter willen rondfietsen. En wat zou CurieuzeNeuzen geweest zijn zonder de 20.000 burgers die er aan meewerkten?

Dialoog

De klimaatstrijd zal gewonnen worden op lokaal niveau, in onze steden en gemeenten. Vandaar mijn oproep aan de 'klimaatspijbelaars' (nu al dé geuzennaam van 2019) en alle andere deelnemers aan de klimaatmarsen: spreek je gemeenteraadsleden aan en zorg ervoor dat klimaat ook besproken wordt in de gemeenteraad. Bekijk de klimaatplannen van je gemeente of stad (ze staan doorgaans online) en werk eraan mee. Vraag een gesprek met je lokale bestuurders. Vorige week ontving ik een groep klimaatketten, wat niet alleen zorgde voor een geanimeerde discussie, maar ook een aantal nuttige ideeën opleverde.

Er is geen beter moment denkbaar om nu met je gemeentebestuur aan tafel te gaan zitten. De lokale besturen hebben net de eed afgelegd, ze staan klaar om te beginnen. Grijp het momentum met beide handen vast.

Grijp het momentum met beide handen vast.

Tegelijk moeten ook wij als lokale besturen dit moment vastpakken om als volwaardige partners een rol te spelen in het Vlaamse, federale en zelfs Europese klimaatbeleid. Inderdaad, 'we ain't seen nothing yet'.