In deze tijden van snelle sociale media ontpoppen mensen zich al gauw tot expert in materies waar ze in feite geen goed zicht op hebben. Zo zijn er mensen die menen dat overheden of natuurverenigingen zwaar in de fout gaan door bomen te kappen. Terwijl dat net noodzakelijk kan zijn voor een goed bos- e...

In deze tijden van snelle sociale media ontpoppen mensen zich al gauw tot expert in materies waar ze in feite geen goed zicht op hebben. Zo zijn er mensen die menen dat overheden of natuurverenigingen zwaar in de fout gaan door bomen te kappen. Terwijl dat net noodzakelijk kan zijn voor een goed bos- en natuurbeheer. Bio-ingenieur Koenraad Van Meerbeek (KU Leuven) en zijn collega's maken in het vakblad Bioscience de balans op tussen het onaangeroerd laten van liefst grote gebieden om ze natuurlijk te laten ontwikkelen, en het inzetten op herstel en instandhouding van half-natuurlijke landschappen zoals onze heiden en hooilanden. Als je naar de kosten kijkt, is de eerste optie uiteraard de beste, want dan hoef je niet in te grijpen. Maar in sommige omstandigheden is het nodig in te grijpen als je de natuurwaarden wilt behouden. Het hoeft dus niet te verbazen dat er een compromis uit de analyse kwam: niet ingrijpen waar mogelijk, wel ingrijpen waar nodig. Wat het debat verschuift naar de vraag: wanneer is het nodig om in te grijpen? Bio-ingenieur Kris Verheyen (UGent) en zijn collega's breken in The Journal of Applied Ecology een lans voor het behoud van kleine bossen. Die blijken namelijk verhoudingsgewijs meer koolstof in de bodem op te slaan en meer voedingsbronnen voor wilde dieren (zoals bessen en boompjes) te leveren dan grote bossen. Er leven wel minder soorten in dan in grote bossen, maar qua nuttige ecosysteemdiensten voor de mens (zoals koolstofopslag) doen ze het beter dan verwacht.