Op 30 januari 1933 werd Adolf Hitler door rijkspresident Paul von Hindenburg benoemd tot kanselier van Duitsland. Nog op de dag van zijn inauguratie volgde er een verklaring van het bestuur van de vereniging van Duitse Joden. Het leek er al bij al redelijk gerust op: zeker, het nieuwe bewind diende met wantrouwen te worden benaderd, maar er was geen reden tot paniek. Zo zou Hitler het niet in zijn hoofd halen om 'onze grondrechten' aan te tasten. 'Voor het overige geldt vandaag het motto: rustig afwachten!'
...