De Engelsen waren weg van Edgar Degas. De anglofiele Franse schilder nam vaak genoeg de pakketboot naar Londen om die liefde te beantwoorden. Dat zijn Parijse galerist Paul Durand-Ruel net een Londens filiaal opende, kwam goed uit. Het klimaat van onzekerheid na de Frans-Duitse oorlog in 1870 en de troebelen rond de Parijse commune deden trouwens nog andere Franse kunstenaars - onder hen Jules Dalou, Claude Monet en Camille Pissarro - het kanaal oversteken. De grootste tentoonstelling van zijn leven kreeg affichetekenaar en schilder Henri de Toulouse-Lautrec uitgerekend in Londen, hoewel hij er geen kandidaat- kopers aan overhield.
...

De Engelsen waren weg van Edgar Degas. De anglofiele Franse schilder nam vaak genoeg de pakketboot naar Londen om die liefde te beantwoorden. Dat zijn Parijse galerist Paul Durand-Ruel net een Londens filiaal opende, kwam goed uit. Het klimaat van onzekerheid na de Frans-Duitse oorlog in 1870 en de troebelen rond de Parijse commune deden trouwens nog andere Franse kunstenaars - onder hen Jules Dalou, Claude Monet en Camille Pissarro - het kanaal oversteken. De grootste tentoonstelling van zijn leven kreeg affichetekenaar en schilder Henri de Toulouse-Lautrec uitgerekend in Londen, hoewel hij er geen kandidaat- kopers aan overhield. Naar Degas, met zijn vloeiende en prikkelend moderne schilderijtjes over jockeys en paarden, ballerina's en muziekzalen, ging veruit de meeste aandacht. Hij kreeg genoeg publiek, goede en slechte kritieken, enthousiaste verzamelaars. En bovenal, zijn schilderij L'Absinthe zorgde voor een mediarel. Een scène in een slecht café: een leegloper naast een verlopen vrouw, het giftige goedje absint drinkend - was dat niet het toonbeeld van Franse decadentie? Of was het Britse hypocrisie - een puriteins discours op een wolk van alcohol? Geen twijfel, Edgar Degas is de schijf die de tentoonstelling Degas, Sickert and Toulouse-Lautrec/London and Paris 1870-1910 in de Tate Britain (tot 15.1) doet draaien. Dat Parijs de artistieke hoofdstad en de wieg van het modernisme was, dat durven de Tate-curatoren wel niet tegenspreken. Maar ze spitten genoeg materiaal naar boven om het Londense wagonnetje te koppelen aan de sneltrein van de lichtstad. Theaters en music-halls - tegenhangers van de cafés-concert -, salons, bars, galeries en rosse buurten: de infrastructuur van het moderne leven in de grootstad was aan de Theems even goed aanwezig als aan de Seine. In James Tissot, Philip Wilson Steer, de Italianen Giuseppe de Nitis en Giovanni Boldini, en vooral de Amerikaan James Abbott McNeill Whistler hadden ze kunstenaars met genoeg flair en stijlgevoel in huis om dat vlietende leven in de metropool op de nieuwe manier weer te geven: behoorlijk gedurfd in perspectief en compositie, beelduitsnijding en kleurgebruik. Maar de gebroken, korte penseeltoetsen van de Franse impressionisten durfden ze toch niet doorvoeren. Hun gevoel voor stijl en vorm leunde wat dat betreft nog bij de traditie aan. Trouwens, ook hun idool Edgar Degas schilderde niet rabiaat impressionistisch. Zijn zwierige, transparante en vloeiende stijl deed ook sterk aan oude meesters denken. Van alle door Degas gefascineerde kunstenaars had Walter Richard Sickert het wel het ergst te pakken. Hij won de vriendschap van zijn idool, sneed in zijn vingers om toch maar een schilderij van hem te kunnen kopen en assimileerde diens stijl en motieven. Het pleit voor Sickert dat hij desondanks geen ordinaire imitator werd. Zo zwierig en licht als Degas was, zo gespannen en rauw, zeg maar naturalistisch, ging Sickert te werk. Met een serie over de moord op een prostituee in Camden Town belandde hij zelfs in de schandaalsfeer (de roddelpers vroeg zich af of hij niet seriemoordenaar Jack the Ripper kon zijn). Tate Britain trekt de arme Sickert uit het moeras, door enkele van zijn interieurs-met-figuren knap te confronteren met juweeltjes van Pierre Bonnard, Edouard Vuillard en natuurlijk Degas. J.B.