'De tijd is rijp', weet taal- en cultuurwetenschapper Sibo Rugwiza Kanobana. Rijp om de essaybundel Zwarte bladzijden toe te voegen aan de Vlaamse postkoloniale literatuur. Kanobana hield samen met negen andere Afro- Belgische lezers tien titels Vlaams literatuur erfgoed tegen het licht. Een diverse groep zwarte stemmen gaat in het boek in dialoog met koloniale literatuur. 'Ongezien, voor zover ik weet', zegt Kanobana.
...

'De tijd is rijp', weet taal- en cultuurwetenschapper Sibo Rugwiza Kanobana. Rijp om de essaybundel Zwarte bladzijden toe te voegen aan de Vlaamse postkoloniale literatuur. Kanobana hield samen met negen andere Afro- Belgische lezers tien titels Vlaams literatuur erfgoed tegen het licht. Een diverse groep zwarte stemmen gaat in het boek in dialoog met koloniale literatuur. 'Ongezien, voor zover ik weet', zegt Kanobana. 'Racisme gebeurt niet altijd opzettelijk,' schrijft de samensteller van het de essaybundel, 'maar vaker onbedoeld. Ondersteund door vooroordelen waar je je niet alleen niet bewust van bent, maar waarvan je zelfs niet weet waar ze vandaan komen.' Literatuur heeft deze onbewuste denkkaders en -patronen mee vormgegeven, maar er is meer. 'De literatuur zelf toont ons ook hoe er op een bepaald moment en op een bepaalde plaats naar de wereld gekeken werd. En om te weten waar je naartoe gaat, moet je weten waar je vandaan komt', beklemtoont Kanobana. Voor alle duidelijkheid: Zwarte Bladzijden is geen afrekening met het verleden. Maar de herlezing gaat vaak wel gepaard met pijn. Pijn, omdat de diverse groep die Kanobana verzamelde verbonden is doordat ze allemaal een nauwe band hebben met Vlaanderen én een 'raciaal stigma delen'. Wanneer Kika Umurisa bijvoorbeeld volgende zin leest, schrikt ze: 'Van een zwarte had zij praktisch alleen de kleur, en, in tegenstelling met veel andere negerkinderen, had ze een bijzonder wakker en intelligent gezichtje.' De zin komt uit de roman De rode aarde die aan onze harten kleeft (1962) van Daisy Ver Boven, schrijfster van een aantal Congoromans. Hij doet Umurisa denken aan haar eigen dochter, toen die aan de ontbijttafel huilend zei dat ze niet mee wilde naar Rwanda. 'Ik wil niet zo zwart worden als Taté', als tante of oma, had ze verklaard. Haar dochter, opgegroeid in een Nederlands dorp, had kennelijk negatieve gevoelens verbonden aan een donkere huidskleur. 'In de koloniale tijd die Daisy Ver Boven beschrijft, wordt kleurverschil gelijkgesteld aan beschaving. Waarbij het blanke uitgangspunt is dat hun beschaving de juiste is.' Daisy Ver Boven durft dat uitgangspunt in 1962 ter discussie stellen, prijst Umurisa het boek. Het doel van deze essaybundel is volgens Kanobana niet om boeken te gaan censureren of om nieuwe standbeelden in te huldigen, maar wel om 'stil te staan bij wat en wie we eren, en wat en wie we negeren en vergeten, en waarom'. Zo herinneren Mohamed Barrie en Sigo Rugwiza Kanoba graag even aan Hendrik Consciences werk Batavia. Conscience, de schrijver die steevast omschreven wordt als 'Hij die zijn volk leerde lezen' en wordt geëerd op tal van pleinen en straatnaambordjes. De Vlaamse volksschrijver is vooral bekend van de historische roman De Leeuw van Vlaanderen en prijkt met dit werk dan ook in de lijst van vijftig boeken van de literaire canon. Die canon is niet de lijst historische ankerpunten die onze Vlaamse regering wil samenstellen, maar een al bestaande boekenlijst opgesteld door de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren en Literatuur Vlaanderen. Vorig jaar schrapten de juryleden Gangreen van Jef Geeraerts nog van die lijst. 'We hadden ons vergaloppeerd', verklaarde de voorzitter Erik Vlaminck daarover in De Morgen. 'De commissie kreeg het steeds moeilijker met dat witte hoofdpersonage dat zwarte vrouwen als seksuele gebruikswaar hanteert, en dat vanuit een uitgesproken machopositie. Noem het voortschrijdend inzicht.' Pijnlijk laat, mochten we het gerust noemen. Hendrik Conscience en zijn Leeuw prijken wel nog op die lijst. Barrie en Rugwiza Kanoba pleiten niet voor het verwijderen van dat boek, maar kijken met een kritische blik naar een andere roman van dezelfde auteur, Batavia (1858). Dat is het liefdesverhaal van Walter en Aleidis. Hij wil haar ouders overtuigen van zijn heldenmoed door zich te onderscheiden bij de Verenigde Oost-Indische Compagnie, de handelsonderneming die naar Nederlands-Indië vaarde. 'Hoewel hij het boek decennia voor de kolonisatie van Congo schreef, is het opvallend om daarin de gelijkenis te zien met hoe Leopold II de aanwezigheid van de Belgen in Congo verantwoordde, door die voor te stellen als een strijd tegen de slavernij én als een beschavingsmissie. De ene slavernij verving echter de andere, gelegitimeerd door een zogenaamde natuurlijke witte superioriteit. Voor Conscience was er waarschijnlijk geen contradictie in een standpunt pro-kolonisatie en anti-slavernij.' Vlaanderens grote volksauteur mag dus ook gezien worden als de man die zijn volk warm maakte voor de koloniale ambities van Leopold II. 'Schrijvers moet je niet zien als goden die boven hun tijd uitstijgen. Je kunt de tijdsgeest waarin ze leefden juist heel goed reconstrueren dankzij hun werk', stelde de Palestijns-Amerikaanse literatuurwetenschapper Edward Said, een van de grondleggers van het postkolonialisme. Batavia leert je inderdaad iets over die tijdsgeest, vinden Barrie en Kanoba. Maar die tijdsgeest hoeft geen sussend argument te zijn om het publieke debat over de koloniale geschiedenis mee af te remmen. Schrijvers als Marc Twain stelden zich in diezelfde tijd al vragen bij het idee van witte superioriteit, argumenteren ze. Nog vóór Twain had Cyriel Buysse het in 1898 al allemaal gesnapt, concludeert doctor in de politieke wetenschappen Olivia Umurerwa Rutazibwa na het herlezen van Buysses De zwarte kost. 'Het boekje schreeuwt het morele failliet van de kolonisering van de daken. Niet alleen door te schieten op Leopold of de heersende elite, maar door de koloniale onderneming te linken aan de diepste verlangens van de Vlaming. 'Dat we het altijd al geweten hebben eigenlijk, diep vanbinnen', noteert Rutazibwa. Het doet haar denken aan de eerste zin van het boek Exterminate All the Brutes (1992) van Sven Lindqvist: 'Je weet al genoeg. Ik ook. Het ontbreekt ons niet aan kennis. Wat we missen is de moed om te begrijpen wat we weten en daaruit conclusies te trekken.' De zwarte kost is volgens Rutazibwa zinvolle lectuur om 'de leugen' te ontrafelen. Want daar gaat dekoloniseren volgens haar over: het ontrafelen van wat auteur en sociaal criticus James Baldwin de leugen noemt. 'De leugen van het waardeverschil van mensenlevens en van alle structuren die in de samenleving deze kloof in stand houden.' Maar dit boek heeft goed gezelschap nodig, waarschuwt ze. De zwarte kost mag voor haar zeker in het curriculum, maar dan ergens na een rist lectuur van vele historici, novellisten, poëten, filmmakers van de koloniale diaspora.' En ze geeft je meteen enkele welkome alternatieve leestips mee. 'Voor zo'n herziene en constant muterende "Vlaamse canon" teken ik meteen', besluit ze. Het lijkt haast of de auteurs van enkele essays je overtuigen om de besproken koloniale boeken toe te voegen aan je leeslijst. Paul Brondeels Blanke Kaffer uit 1971 bijvoorbeeld, of De Rode Aarde die aan onze harten kleeft. Maar de essaybundel doet je vooral op tijd concluderen dat we nu wel genoeg witte blikken op het Afrikaanse continent te verwerken hebben gekregen. De tegenstemmen van Kanobana en Umurisa zijn vandaag zinvoller dan het herlezen van de oorspronkelijke titels. Want alle behandelde boeken van Zwarte Bladzijden kampen met hetzelfde probleem: ze vertellen ons vooral iets over de witte kijk op het koloniale project. De roman De Nikkers (1958) van Piet van Aken is bijvoorbeeld wel kritisch voor de kolonisering, hij deelt de verzuchtingen van de slachtoffers van het systeem. 'Maar Van Aken geeft die slachtoffers en andere zwarte personages zelden een stem', stelt schrijver en fotograaf Hugues Makaba Ntoto vast. 'Een gemiste kans,' vindt hij, 'omdat deze personages, en vooral de mensen van vlees en bloed die gebeurtenissen uit het boek werkelijk meemaakten, ongetwijfeld wel een hoop koesterden die universeel is: de mogelijkheid om een menswaardig en vrij leven te leiden. Deze waarheid ontbreekt in dit relaas.' Om dat gebrek aan de stem van betrokkenen op te vullen, is het interessant er een gelijkaardige bundel bij te nemen, eentje van bij de noorderburen. In Nederland stelde de Turks-Nederlandse journalist Rasit Elibol (De Groene Amsterdammer) De Nieuwe koloniale leeslijst samen. Net als Zwarte bladzijden is het een bundel essays, 22 om precies te zijn, en elk niet langer dan tien bladzijden. Ze werden geschreven door Elibot, enkele collega's van De Groene en andere scherpe pennen zoals Gloria Wekker en Alfred Birney. Slechts drie teksten worden gewijd aan reeds bekende koloniale boeken, waaronder de klassieker Max Havelaar van Multatuli. De bundel wil vooral een noodzakelijke aanvulling zijn op de literaire canon en brengt daarom ook vergeten stemmen onder de aandacht. Het doel is om dat perspectief diverser te maken. Kollektieve schuld van de Afro-Surinaamse schrijver Edgar Cairo (1976) bijvoorbeeld. Dat boek wil je in je boekenkast na het lezen van het essay van Elibol. Cairo stierf in 2000, alleen en miskend, in zijn Amsterdamse flat. 'Nederland was nog niet klaar voor een schrijver als hij, met zijn eigen taal, zijn eigen woorden, zijn eigen vertelstructuren', verklaart Elibol. 'Een Afro-Surinaamse man die vond dat de kolonisator geen alleenrecht had op de taal.' De eigenzinnige taal van Cairo werd tijdens zijn leven niet altijd gewaardeerd. 'Voor anderen was het speels, maar voor Cairo was het niks minder dan een statement: als zwart persoon moet je jezelf niet verloochenen.' Elibol pleit ervoor om de traditionele canon te herzien, 'zodat iedereen zich kan herkennen in die verhalen'. Met meer Antilliaanse perspectieven op de Nederlandse koloniale geschiedenis, bijvoorbeeld. Zo prijst de leeslijst ook werk van Tip Marugg en Boeli van Leeuwen aan. Maruggs De morgen loeit weer aan en Schilden van leem verschenen allebei in de jaren tachtig en werden ook toen al kennelijk erg goed onthaald. Die eerste roman, over een halfdronken man die zijn leven en de geschiedenis van zijn eiland en continent overdenkt, werd in 1988 zelfs genomineerd voor de AKO Literatuurprijs. Al was die nominatie dat jaar pech voor zijn landgenoot Boeli van Leeuwen, weet expert Surinaamse literatuur Michiel van Kempen. 'Want twee romans van de Antillen op de shortlist vond men wat te veel van het goede.' In 2021 mogen we hopen dat diverse perspectieven meer zijn dan minimale quota, en eerder een noodzakelijk medicijn tegen de naweeën van de kolonisatie die onze maatschappij nog steeds tekenen.