Geen instrument in het orkest heeft zoveel wijzigingen en aanpassingen ondergaan als de hoorn. De oorspronkelijke jachthoorn kon maar een beperkt aantal natuurtonen laten horen, die vooral hoog onzuiver werden. De natuurhoorn bracht al een aantal oplossingen. Je kunt met de hand in de beker de toonhoogte bijsturen, al geeft dat soms ongewone sourdineklanken. Maar dat maakt het instrument dan ook heerlijk nukkig en karakteristiek.
...

Geen instrument in het orkest heeft zoveel wijzigingen en aanpassingen ondergaan als de hoorn. De oorspronkelijke jachthoorn kon maar een beperkt aantal natuurtonen laten horen, die vooral hoog onzuiver werden. De natuurhoorn bracht al een aantal oplossingen. Je kunt met de hand in de beker de toonhoogte bijsturen, al geeft dat soms ongewone sourdineklanken. Maar dat maakt het instrument dan ook heerlijk nukkig en karakteristiek. De natuurhoorn kreeg er stilaan opzetstukken bij om in andere stemmingen te spelen, en ook een stemschuif. Maar de belangrijkste evolutie was natuurlijk de komst van ventielen. Eindelijk werd het instrument volledig chromatisch: alle noten konden perfect worden gespeeld en de reikwijdte werd bijna vier octaven. De vondst werd niet door alle componisten op dezelfde manier onthaald: Brahms sprak van een 'blikken altviool', maar Schumann schreef er grote werken voor. De nieuwe cd van Luc Bergé, een uitstekende hoornist die zijn sporen verdiende in talloze binnen- en buitenlandse orkesten, geeft deze evolutie in een notendop weer. In Beethovens Sonate voor hoorn en piano op. 17 gebruikt hij de zuivere natuurhoorn, met een dramatische eerste beweging waarin de typische effecten van het instrument maximaal worden uitgebuit. Een korte treurmars gaat naadloos over in een dialoog met de Streicher-pianoforte. Voor het prachtige lied Auf dem Strom van Franz Schubert komt een nobele ventielhoorn uit 1890 boven. Heel bijzonder is de voortdurende focusverschuiving tussen zang en hoorn, waarbij het instrument soms een stemming aankondigt, ze dan weer onderstreept maar soms ook laat naklinken. Stem, hoorn en pianoforte houden elkaar perfect in evenwicht. Dat is trouwens typisch voor deze cd. In het Trio voor hoorn, hobo en piano op. 188 van Carl Reinecke schuift het instrument soms zelfs iets te ver op de achtergrond. Maar het stuk is alweer uitstekend gekozen: dramatisch en rijk in de eerste beweging (de Bechstein-pianoforte is bijna een orkest op zich), met erg mooie motieven; speels in het ultrakorte scherzo; met diepe Brahmskleuren in het adagio; en fantasierijk (bijna impressionistisch) tot krachtig met een sterke climax in de finale. Het Adagio & allegro voor hoorn en piano op. 70 van Robert Schumann, een van de eerste belangrijke composities voor ventielhoorn, bestaat uit een mooi langgerekt eerste deel, ondersteund door de piano, en een allegro in hoog tempo met in het midden een kort intermezzo dat echo's van het adagio bevat. De opname sluit af met een korte solocompositie van Bergé zelf. Een meer dan interessante cd rond de hoorn waarin dat instrument lang niet altijd de hoofdrol opeist. LUC BERGé (HOORN), JAN MICHIELS EN INGE SPINETTE (FORTEPIANO), MARCEL PONSEELE (HOBO) EN YVES SAELENS (TENOR): O, DU SCHöNER HöRNERKLANG... FUGALIBERA, FUG 541, 17 EURO, BESTELLEN KAN VIA WWW.FUGALIBERA.COM.Peter Vandeweerdt