De permanente aanwezigheid van gevarieerd voedsel en mateloze luiheid : Herman Pleij over Cocagne, het middeleeuwse lustoord.
...

De permanente aanwezigheid van gevarieerd voedsel en mateloze luiheid : Herman Pleij over Cocagne, het middeleeuwse lustoord.Elke tijd heeft zijn eigen voorstelling van het paradijs als een gedroomd lustoord of luilekkerland. In de Middeleeuwen kent iedereen Cocagne, een plek waar werken verboden is en het bereide voedsel je letterlijk in de mond vliegt. In zijn boek ?Dromen van Cocagne? ontleedt de Amsterdamse hoogleraar Herman Pleij dat middeleeuwse lustoord. Het uitgangspunt daarbij zijn drie Middelnederlandse teksten uit de late Middeleeuwen, waaronder twee rijmteksten en een prozatekst. Het resultaat is een stevig gedocumenteerd wetenschappelijk werk, in een voor het genre ongemeen sprankelend proza. Heel wat elementen uit het Cocagne-verhaal verwijzen naar vreemdsoortige middeleeuwse opvattingen met vaak eeuwenoude literaire wortels. Maar ook het omgekeerde is waar : verschillende Cocagne-elementen behoren in de Middeleeuwen tot de dagelijkse praktijk. Centraal in de vertelling staan de mateloze luiheid en de permanente aanwezigheid van gevarieerd voedsel. HERMAN PLEIJ : In de teksten komt de voedselobsessie op vier manieren aan bod. Om te beginnen is er in Cocagne een volstrekte overdaad van voedsel. Ten tweede is eten er heel gevarieerd aanwezig. Je vindt er zalm, steur, worsten, gevogelte, gebak en vlaai. Een derde element is het wonen in voedsel, naar mijn gevoel een afgrijselijk gegeven. Ik mag er niet aan denken in een vertrek te verblijven waarvan de wanden uit worsten bestaan. Een vierde element is dat de eetwaar zich spontaan aanbiedt. Je hoeft er niets voor te doen. Aanvankelijk verbond ik de dwangvoorstelling rond voedsel met hongersnood. Dat heeft alles te maken met ons beeld van de Middeleeuwen. We hanteren die periode steeds als maximaal contrast met onze tijd. Zo geloven we graag dat er toen permanent hongersnood heerste. We worden daarin gesterkt door onze overtuiging dat wij weten wat hongersnood betekent op basis van de televisiebeelden van de Derde Wereld. Dat kleurt ons beeld, ook het mijne. Tot mijn verrassing stelde ik vast dat het een projectie is. Het probleem in onze streken in de Middeleeuwen was niet primair hongersnood. Er heeft toen in Europa welgeteld één onmiskenbare hongersnood gewoed, namelijk van 1315 tot 1317. Wel was de angst voor honger gigantisch, een gevoel dat nog werd aangewakkerd door de eenzijdigheid van het voedsel. Daarvoor biedt het Cocagne-verhaal met zijn enorme variëteit aan eetwaar een compensatie. Hoe komt het dat wij ons de Middeleeuwen zo voorstellen ? PLEIJ : We halen dat beeld bij de middeleeuwse kroniekschrijvers die onophoudelijk over honger vertellen. Wij hebben die verslagen lange tijd geïnterpreteerd als feitelijke rapporten. Maar de middeleeuwse kroniekschrijvers beschrijven niet de zintuiglijk waarneembare werkelijkheid. Dat is naar middeleeuwse opvatting het bedrieglijke terrein van de duivel. Wat de kroniekschrijvers beschrijven, is de ideologische waarheid van het heilsplan. Volgens dat plan hoort er hongersnood te zijn. Het is Gods voornaamste wapen om de zondige mens mee te straffen. Historici uit de twintigste eeuw hebben op basis van materiële bronnen zoals graanprijzen en stadsrekeningen kunnen vaststellen dat er in de Middeleeuwen vrijwel nooit echte hongersnoden waren. Maar de angst voor de honger was er niet minder om. Waar komt de middeleeuwse angst voor honger vandaan ? PLEIJ : Die angst werd aangewakkerd door de zogenaamde topistiek van de honger, eenzelfde reeks verhalen die in de Middeleeuwen over elke hongersnood werd verteld. Ze vinden hun oorsprong in de teksten van Flavius Josephus over de vernietiging van Jeruzalem in 70 na Christus. Die geschriften waren in de Middeleeuwen ongemeen populair. Ze werden een soort basisstramien voor de beschrijving van elke mogelijke zogenaamde hongersnood. Wat waren de vaste bestanddelen in de beschrijving van een hongersnood ? PLEIJ : Een vast ingrediënt is dat mensen eerst het mos van de muren schrapen en opeten. Vervolgens gooien ze zich op oneetbare dingen, zoals het leer van schoenen of schilden. Weer een volgende fase is dat de hongerigen straatvuil, uitwerpselen en braaksel beginnen te eten. Vanaf hier wordt het pure horror. Het is trouwens de bedoeling het hongerverhaal zo afschrikwekkend mogelijk te vertellen. Wie nog iets heeft gevonden om in zijn mond te stoppen, wordt onmiddellijk vermoord. Zijn maag wordt opengesneden en het net verslonden voedsel wordt eruit gehaald. Het absolute hoogtepunt in elke middeleeuwse hongerbeschrijving is het thema ?moeder eet kind?. Er wordt verteld dat honger een moeder haar kind doet slachten. De ene helft eet ze op, de andere helft pekelt ze in en plaatst ze in de kelder. Nog een stap verder gaan de verhalen over autofagie of zelfopeterij. Ook dat wordt voortdurend gerapporteerd. Zo zouden boeren uit Picardië de hongerdood hebben willen verslaan door met een volle maag te sterven. Ze aten zichzelf op, te beginnen bij de hand. Toen ze bij de elleboog kwamen, gingen ze dood. Uit het horroraspect in de hongerbeschrijvingen kan je afleiden dat er geprobeerd wordt een enorme angst voor honger te creëren. Cocagne is een reactie op die angst. Je kan er even wegdromen, ver van de dagelijkse problemen. Hoe wordt gulzigheid in de Middeleeuwen omschreven ? PLEIJ : Vraatzucht of ?gula? is één van de zeven hoofdzonden. Wij denken daarbij spontaan aan mateloos veel eten. Maar in de Middeleeuwen wordt met vraatzucht iets anders bedoeld, namelijk het eten buiten de vastgestelde tijden. Men is ervan overtuigd dat je op vaste tijdstippen moet eten en bovendien niet meer dan twee keer per dag. Geestelijken horen zich zelfs maar één keer per dag te voeden. Uit de vraatzuchtpassages blijkt dat de Cocagne-teksten niet enkel als droom zijn bedoeld, maar ook als lering : in Cocagne kan iedereen de hele dag door schransen. Ik heb vaak over die vraatzuchtpassages heen gelezen, tot ik plots ontdekte dat de nadruk niet ligt op ?veel?, maar op ?de hele dag door? eten. Dat is in de Middeleeuwen de hoofdzonde van de ?gula?. Hoe reageerde de middeleeuwse mens op de angst voor honger ? PLEIJ : Eén van de reacties was vasten. We kennen daar spectaculaire voorbeelden van, vooral bij nonnen. Het fenomeen kreeg de naam anorexia religiosa. Nonnen houden nagenoeg competities in het vasten. De verhalen daarover zijn afgrijselijk. Lidwina van Schiedam bijvoorbeeld, ligt tientallen jaren weg te rotten op haar bed. De maden kruipen uit haar lichaam en ze eet niets meer, behalve hosties. De vastenexercities boden me een heel directe, medische toegang tot Cocagne. Wie lange tijd eenzijdig voedsel gebruikt, krijgt allerlei enzymentekorten. De hormonenhuishouding slaat tilt met hallucinaties als gevolg. De inhoud van die zinsbegoochelingen bestaat vaak uit het tegendeel van de kwaal. Heel wat vastende nonnen krijgen visioenen over enorme eetpartijen. De visioenteksten gaan altijd over een trip naar de hemel, de hel en het vagevuur. Opmerkelijk is dat de hemelvisioenen altijd over eten gaan. Ook Lidwina heeft het over dampende potten eten op lange tafels. De middeleeuwse hemelbeschrijvingen zijn heel grappig. Er wordt verteld dat de mensen in de hemel aan tafels zitten. Overal staat permanent dampend voedsel. Jezus schenkt de wijn in als een soort opperherbergier en de muziek wordt verzorgd door koning David. De medische verklaring voor de middeleeuwse visioenen heeft nog een ander aspect. De Italiaanse cultuurhistoricus Camporesi wijst er op dat mensen in tijden van schaarste aan het einde van de Middeleeuwen compenserend voedsel zochten op de akkers. Ze aten allerlei grassen en zaden. Het gebeurde dat ze hennep en papavervelden die er in de Middeleeuwen veel meer waren dan nu kaalplukten. In mijn boek maak ik de boude bewering dat de helft van de bevolking in de Middeleeuwen gedrogeerd was. Dat is natuurlijk een ideale toestand om te delireren over enorme eetparadijzen. Werd er in de praktijk ook veel gevreten ? PLEIJ : Vreten was een andere reactie op de angst voor honger. Gedurende de hele Middeleeuwen werden gigantische slemppartijen aangericht, eerst bij de Franken, daarna bij de Bourgondiërs. De Franken bunkeren alsof de dood hen op de hielen zit. Dat heeft veel te maken met machogedrag. Een sterke krijger moest ook uitmunten in het verslinden van onvoorstelbare hoeveelheden voedsel. Karel De Grote worstelt voortdurend met die typisch Frankische machobehoefte om veel te eten en de christelijke deugd van de matigheid. Ook de Bourgondiërs drukten alles met eten uit. Hun dagenlange banketten zijn een soort Cocagne in de praktijk, waarmee ze hun macht demonstreerden tegenover de angst voor de honger. Vooral het versierde eten trok mijn aandacht. Het doet sterk denken aan het Cocagne-element van eten dat zichzelf aanbiedt. Tijdens de Bourgondische maaltijden worden dode dieren geserveerd alsof ze levend zijn. Er is sprake van een pauw die vuur spuwt, met allerlei speciale effecten die in de kookboeken staan beschreven. De pauw leek net een levend dier dat binnenreed en zichzelf aanbood. Verder zitten er ook levende dieren in de buik van een dood dier. Wanneer die opengaat, vliegen er bijvoorbeeld tientallen vogels uit. Het bewegend eten dat zichzelf aanbiedt uit het Cocagne-verhaal werd door de Bourgondiërs letterlijk uitgebeeld. De enorme eetcultuur bestond bij alle lagen van de bevolking. Op het platteland was de tijd tussen winter en zomer een gigantische vreetpartij. In het holst van de winter lag het leven op het platteland stil. In die periode zette men het op een vreten. Niet voor niets vallen er zoveel feesten in die periode : Sinterklaas, Kerstmis, Onnozele Kinderendag, Nieuwjaarsdag, Driekoningen, Maria Lichtmis, het begin van de vasten en halfvasten. De hele winterperiode zijn er feesten die gekenmerkt worden door gigantische vreet- en zuippartijen. Ook in kloosters en abdijen werd er stevig gebunkerd en gedronken, bijvoorbeeld naar aanleiding van de verjaardag van de abt of de dood van een broeder. Opmerkelijk is het zogenaamde caritas-drinken in de kloosters, het uitbrengen van een toost op het noemen van de naam van allerlei heiligen. Naarmate het rijtje heiligen vorderde, nam ook de dronkenschap toe. De kerkelijke overheid heeft heel wat verbodsbepalingen uitgevaardigd tegen het caritas-drinken. Het waren echte uitspattingen. Wat verstond men in de Middeleeuwen onder tafelhumor ? PLEIJ : Vooral tijdens de Bourgondische maaltijden werden er voortdurend grappen met het eten uitgehaald. Een gesmaakte grap was voedsel suggereren dat uit andere ingrediënten bestaat : een gebraden kip die uit deeg blijkt te zijn, of een speenvarken uit zemelen. Dat bedrieglijke eten moet zowat het toppunt van humor zijn geweest. Ook erotiek werd aan tafel vrijelijk beleefd. Geslachtsdelen werden in pasteivorm gebakken. Het was bijzonder hilarisch om daarin te happen. Het versierde eten gaat ook goed samen met erotiek. De Bourgondiërs kenden al het principe van de blote vrouw die uit een taart springt, iets wat in het Chicago van de jaren dertig zo in trek was. Een typisch staaltje van middeleeuwse humor treffen we aan tijdens een banket in Rijsel. Karel De Stoute schijnt zelden zo gelachen te hebben als toen. Hij mocht kiezen wie van de drie naakte vrouwen de mooiste was. De mop bestond hierin dat het drie mismaakte vrouwen waren : de eerste was heel groot, de tweede heel klein en de derde heel dik. Naar onze normen is dat buitengewoon grof, toen was het een enige mop. Hoe stond de middeleeuwse mens tegenover traagheid of luiheid ? PLEIJ : Het volstrekte luieren dat Cocagne aanbiedt, correspondeert met ?acedia?, een van de zeven hoofdzonden. In de vroege Middeleeuwen trok deze hoofdzonde weinig aandacht. Luiheid was enkel van toepassing op geestelijken die hun godsdienstige plichten niet nakwamen. In de stedelijke mentaliteit van de late Middeleeuwen krijgt ?acedia? nog een andere betekenis. Het wordt synoniem voor luiheid, het niet verrichten van arbeid. In de laatmiddeleeuwse steden doet zich een opwaardering van de arbeid voor. Dat is absoluut nieuw. In de Middeleeuwen is arbeid niet per definitie positief. Het wordt namelijk geassocieerd met de straf voor de zondeval. Wie veel werkt, wordt voor hoogmoedig versleten. Hij is namelijk overijverig in de uitvoering van Gods straf. In de Middeleeuwen moet je werken om jezelf te voeden en nog iets extra overhouden om aan de armen te geven. Met die mentaliteit kan zich natuurlijk nooit enige stedelijke activiteit ontwikkelen. Het vroegkapitalisme in de steden is gebaseerd op arbeid. In de late Middeleeuwen doet zich in de literatuur en in de preken een ontwikkeling voor die arbeid positief waardeert, een heel vermakelijke evolutie. Op miniaturen van het Aards Paradijs duikt Adam nu op met een hark. Hij is nu in het paradijs zelf bezig met arbeid. Om dat hard te maken wordt de regel uit Genesis opgepikt dat Adam elke dag het paradijs wat moet aanharken. Ook God wordt in de late Middeleeuwen afgebeeld met gereedschap in de hand. Als Schepper is hij de grootste arbeider ooit. In die gewijzigde context wordt ?acedia? een hele hevige zonde. Wie in de stad niet productief is armen, gebrekkigen, bejaarden wordt verdacht van welbewuste luiheid. Zo gaat het Cocagne-verhaal ook fungeren. De extreme luierzucht in Cocagne wordt een leerschool van hoe het in de werkelijkheid niet moet. Waarom spreekt het Cocagne-verhaal over vrije seks met een altijd gewillige partner ? PLEIJ : Dat element zit wel in de teksten, maar speelt toch een eerder marginale rol. Dat is vreemd, vermits erotiek in de late Middeleeuwen tot de geliefkoosde thema's behoorde. Volgens mij is dit een bewijs dat het Cocagne-verhaal uit een vroegere cultuur stamt. Vermoedelijk gaan de wortels ervan terug tot de zesde eeuw. Toen hadden plattelandsmensen geen enkel probleem met seksualiteit. De obsessie rond erotiek dateert van de late Middeleeuwen, toen de Kerk zich extreem ging bemoeien met het seksuele gedrag van mensen. Dan heet het dat genot bij de ?uitoefening van de bijslaap? betekent dat de duivel je te pakken heeft. In de vroege Middeleeuwen zijn mensen niet met seksualiteit bezig, wel met honger en ploeteren voor eten. Dat zijn precies de kernen van Cocagne. De seksualiteit is er pas later aan vastgeplakt. Seksualiteit met een altijd willige partner verwijst naar de ketterijen van de Heilige Geest, die door de Brusselse Adamieten werden verkondigd. Zij geloofden dat de mens via vasten en boetedoening volmaakt kon worden. Eenmaal zover, kon hij zijn natuurlijke impulsen volgen zonder zondig te zijn. De Adamieten zijn volgelingen van Adam, die het aards paradijs hier en nu willen herscheppen. Ze lopen naakt en paren zoals Adam en Eva dat in het paradijs zouden hebben gedaan. Augustinus heeft over dat thema bladzijden lange beschrijvingen gemaakt. Hij vertelt hoe de duivel na de zondeval de menselijke geslachtsdelen in zijn greep kreeg, waardoor de mens ze niet langer controleert. In het paradijs daarentegen konden Adam en Eva zich volkomen beheersen. Volgens Augustinus bestaat paradijsseks hieruit dat Adam lusteloos zijn lid verheft terwijl Eva maagd blijft. De Brusselse Adamieten verkochten dat verhaal aan de begijnen. Ik kan me dat voorstellen : ?Je denkt misschien dat ik met lust bevangen ben, maar lusteloos verhef ik mijn lid...? De begijnen trapten erin. De ketterij van de Brusselse Adamieten heeft geleid tot een heel merkwaardig proces. De betrokken notabelen kregen vrijwel geen straf, de begijnen wel. Zij moesten openbaar schuld bekennen, terwijl de notabelen een soort seksclub hadden opgericht en de begijnen hadden misleid met schijnbaar religieuze motieven. De Cocagne-teksten drijven de spot met die ketterijen. De verwijzing naar seks met een willige partner is satirisch bedoeld. Wat is het verband tussen Cocagne en de pretparken van de adel ? PLEIJ : Cocagne werd daar door de adel in de praktijk gebracht. Het verschijnsel van de heerlijke tuinen waaide over uit het Nabije Oosten. In onze streken heeft de adel soortgelijke tuinen gecreëerd, bijvoorbeeld in Hesdin en in Binche. De gigantische parken bij de hoven noem ik pretparken, omdat er allerlei grappen werden uithaald. Er kwam wijn uit de muren en bier uit de fonteinen. Wanneer de dames over een brug liepen, werden ze onder hun jurk bespoten met water. Een enige grap vonden ze dat. Er was verder ook een pop die je een hand gaf en je met de andere hand een klap om de oren verkocht. De techniek achter deze automata was gebaseerd op hete lucht. In een bepaalde zaal waren ze erin geslaagd het te doen donderen en bliksemen, in een andere zaal sneeuwde het poedersuiker. Dat laatste komt letterlijk voor in de prozatekst rond luilekkerland. In de pretparken van de adel komen volgeladen tafels aan kettingen uit het plafond. De pretparkencultuur heeft dus duidelijke links met Cocagne. De elite had als het ware haar eigen Cocagne. Wordt het Cocagne-verhaal in de loop van de Middeleeuwen moraliserender ? PLEIJ : Ik suggereer dat er bij de verschriftelijking een boodschap in de tekst is gestopt. Misschien was die er al in de orale traditie, maar dat weten we niet. De mondelinge opvoering van het verhaal laat toe door middel van stembuigingen of gebaren aan te geven dat het ironisch bedoeld is. Eenmaal de tekst wordt neergeschreven, gaat de ironie verloren. De moraliserende boodschap moet dan expliciet worden gemaakt. De twee rijmteksten zeggen inderdaad uitdrukkelijk dat iedereen die lui is naar Cocagne moet verhuizen. De prozatekst uit de zestiende eeuw laat er helemaal geen twijfel over bestaan : Cocagne is een opvoedingsoord voor jongeren, een plek waar ze kunnen leren hoe het niet moet. Wat is de functie van Cocagne ? PLEIJ : Ik spreek me daar niet over uit. Het verhaal is multifunctioneel. Je kan het gebruiken als vlucht of ventiel. Ook kan Cocagne dienst doen als lering van hoe het niet moet. Een derde mogelijkheid is de teksten te beschouwen als parodieën op bestaande ketterijen of op de opgeschroefde reisverhalen uit die tijd. Waar ligt Cocagne ? PLEIJ : Eigenlijk nergens, of het moet in de hoofden van de mensen zijn. In het verhaal zitten heel wat elementen die de middeleeuwse mens verbond met de realiteit, maar samengepakt in Cocagne was het pure fictie. Niemand geloofde dat het echt bestond. Wel ben ik overtuigd dat iedereen het kende. Dat is een boude bewering, omdat het niet eenvoudig is iets te weten te komen over de massacultuur. We hebben maar een beperkt zicht op wat de mensen elkaar vertelden. Het enige wat we nu hebben is een paar notities van het overgedragen verhaal, een soort blauwdruk. Maar er hebben duizenden Cocagnes bestaan, mensen hebben het verhaal voortdurend aan elkaar verteld. Hoe ziet ons Cocagne eruit ? PLEIJ : Een middeleeuwse mens die toevallig in onze tijd zou belanden, zou vaststellen dat Cocagne wel degelijk bestaat. In de westerse wereld kan je op elk moment van de dag eten, drinken en kopen. Slapend rijk worden, is met ons beurssysteem theoretisch mogelijk. De fontein van de eeuwige jeugd uit Cocagne wordt in onze tijd belichaamd door de actieve verjongingsindustrie. Het ideale klimaat van Cocagne wordt in onze tijd gerealiseerd door toestellen voor klimaatbeheersing. In de reisbureaus kan je Cocagne kopen in de vorm van vakantie-oorden met een ideaal klimaat. Wellicht zijn er in onze tijd meer diverse droomlanden. Ieder heeft zijn eigen Cocagne. Voor de ene is dat een week lang voetbal kijken, voor de andere is dat de dagelijkse soap. Die series zijn typische Cocagne-vormen voor veel mensen in onze samenleving. In een soap wordt zo'n droomwereld aangeboden waarin je je als kijker kunt verliezen. Er zijn velerlei Cocagnes in onze samenleving. Maar de behoefte aan een droomwereld bestaat ook in onze tijd. Sofie Messeman Piet de Moor Herman Pleij, ?Dromen van Cocagne. Middeleeuwse fantasieën over het volmaakte leven?, Prometheus, 544 blz., 1100 fr. (gebonden 1700 fr.)Herman Pleij : Het absolute hoogtepunt in elke hongerbeschrijving is het thema moeder eet kind.