Het verzet tegen een Europese eenheidsmunt is bijvoorbeeld in het Verenigd Koninkrijk legendarisch. 'Maar zeer eigenaardig is dat de meerderheid die resoluut anti is, er niet meer zo indrukwekkend groot is (53 procent)', meent Mark Hofmans, die alles van begin tot einde coördineerde. Eind mei wees een poll van het onderzoeksbureau Gallup nog uit dat 64 procent van de Britten bij een eventueel referendum tegen de single currency zou stemmen, en slechts 28 procent voor. 'En ons onderzoek ter plaatse dateert van eind september, slechts vier maanden later, maar ook niet zo lang na de aanslagen in de Verenigde Staten', weet Hofmans. 'De gestegen populariteit van euro-lover Tony Blair is ...

Het verzet tegen een Europese eenheidsmunt is bijvoorbeeld in het Verenigd Koninkrijk legendarisch. 'Maar zeer eigenaardig is dat de meerderheid die resoluut anti is, er niet meer zo indrukwekkend groot is (53 procent)', meent Mark Hofmans, die alles van begin tot einde coördineerde. Eind mei wees een poll van het onderzoeksbureau Gallup nog uit dat 64 procent van de Britten bij een eventueel referendum tegen de single currency zou stemmen, en slechts 28 procent voor. 'En ons onderzoek ter plaatse dateert van eind september, slechts vier maanden later, maar ook niet zo lang na de aanslagen in de Verenigde Staten', weet Hofmans. 'De gestegen populariteit van euro-lover Tony Blair is een mogelijke uitleg voor de geleidelijke kentering. Let wel: elke verklaring is subjectief. Als je gaat interpreteren en analyseren, begeef je je dus op glad ijs. Maar om bijvoorbeeld te weten waarom de kandidaat-lidstaten pro euro zijn, hoef je geen helderziende te zijn. Voor hen kan de nieuwe munt een mooi ideaal lijken, al is het zeker geen mirakeloplossing voor hun economische problemen. Ook de val van de Muur heeft niet de gehoopte welvaart gebracht, ondanks het blinde optimisme bij heel wat mensen toen.' ELLENDE AAN DE KASSABinnen de eurozone is het verschil tussen eurofiele en eurofobe lidstaten nog groot. In Duitsland moeten er nog veel zieltjes gewonnen worden, zeker bij de oudere lagen van de bevolking.De Belgen en de Nederlanders denken traditioneel Europeser, wat ook nu weer aan het licht komt. Maar wat te zeggen over het Italiaanse enthousiasme? Zijn ze in de Laars misschien de grote getallen in lire beu?Nog een opvallende vaststelling: bijna eenvierde van de mensen is ervan overtuigd dat de euro hun persoonlijke financiële situatie zal verslechteren. Alweer de Duitsers (37 procent) spannen hier de kroon. 'Dat is een rode draad door dit onderzoek', vertelt Hofmans. 'Van de twaalf deelnemende landen heeft Duitsland duidelijk de minst eurogezinde bevolking, ongeveer vergelijkbaar met de Britse zelfs.'Over de praktische zorgen, die de invoering van de eenheidsmunt met zich zal brengen voor de gewone burger en consument, werden eveneens vragen gesteld. En 57 procent van de Europeanen, zo blijkt, is nog het meest bevreesd voor gesjoemel met prijzen. Toch zegt slechts 27 procent dat ze gaan oefenen met de nieuwe biljetten en munten. Wat aan de kassa's ongetwijfeld een heleboel problemen zal veroorzaken. In dat verband is er voor ons land goed nieuws. Bijna de helft van de Belgen (44 procent) verklaart meer naar de elektronische portemonnee te zullen grijpen om muntproblemen te vermijden. Voor heel Europa is dat slechts een op vijf. Het kan voor de Belgische handelaars een nieuwe aanzet zijn om het Proton-systeem in huis te halen, temeer omdat de resultaten hier in elke socio-demografische niche en dus in elke mogelijke doelgroep gelijklopen. 'Wat trouwens voor een heel groot deel van de bevraging geldt', aldus Hofmans. Oud of jong, rijk of arm, stadsmus of plattelander, hoge opleiding achter de rug of amper gestudeerd: tenminste over de euro zijn de Belgen opvallend eensgezind. G.M.GfK Ad Hoc Research Europe voerde het grootste deel van dit onderzoek uit in acht eurolanden (België, Duitsland, Finland, Italië, Nederland, Oostenrijk en Spanje). Maar ook in vijf niet-deelnemende landen (Hongarije, Polen, Tsjechië, het Verenigd Koninkrijk en Zweden) trokken de enquêteurs op pad. Het veldwerk vond plaats tussen 3 september en 24 oktober 2001. De foutenmarge bedraagt iets meer dan drie procent voor de landen waar de steekproef duizend respondenten omvatte. In Zweden, Finland en Tsjechië werd een kleinere steekproef genomen. Daar kan de afwijking oplopen tot maximaal vijf procent.