DOOR FRANS VERLEYEN
...

DOOR FRANS VERLEYEN Wie heeft niet, in een korte flits van de verbeelding, zijn eigen Albanië-moment gevoeld ? Wie is niet, een onbewaakte seconde lang, even weggedreven in het jongensboek van de gek geworden stad, de noodtoestand zonder enig gezag of ideologie, de absolute wanorde ? Welk onderbewustzijn heeft zich niet in een sluiks moment gevoed met televisiebeelden vol viriele maffiabrillen, plunderaars, jonge schoften met een kist zopas uit de etalage geroofde cd-spelers op hun schouders, uitgeslapen oude wijfjes die met grootmoederlijke onschuld vijf zakken meel in een handkarretje stouwen ? Het is lente in Tiranë, Shkodër, Durrës, Elbasan, Vlorë, Sarandë. De Zuid-Adriatische zee, vlakbij stromend tussen de hiel van Italië en het toeristeneiland Korfoe, blaast haar milde adem over Shqiperi zoals Albanië eigenlijk heet. De stadsvrouwen hebben hun winterkleren uitgedaan. De mannen blijven voorlopig nog wat rondlopen in schaapsleren jassen, want die gaan goed samen met de pronte dracht van een gepikte Kalashnikov. Daarmee schieten hun kersverse eigenaars uitbundig in de lucht, naar de toppen van de kale bergen, alsof munitie niets kost. Die feestelijk verspilde salvo's zijn eigenlijk geruststellend : ze bewijzen de afwezigheid van een doelgericht militair commando dat de gebeurtenissen rationeel stuurt. Buitenwereld Europa is ongeruster dan de amok makende Shqipetaren zelf. Die denken nog niet aan straks, als het zelfmoordritueel voorbij zal zijn en de normale maatschappelijke procedures opnieuw in voege treden. Voorlopig willen ze één ding : hun eigen burgerwacht of gewapende kameradenbond en daarmee hun schade inhalen, eeuwen van schade door armoe, opgelegde domheid, gevangenissen, afzondering, tirannie en zopas nog door het bedrog van zwendelspaarbanken waaraan velen hun laatste opgespaarde lek kwijtraakten. Er zijn natuurlijk ook veel bange burgers, groepjes die schuw met elkaar staan praten, geruchten uitwisselen of hoofdschuddend de machteloze staatsradio van president dr. Berisha beluisteren. Zal het elke maand trouw opgestuurde geld van hun neef in Duitsland nog wel door de post komen ? Zal hun prachtige Opel, bouwjaar 1973, deze storm veilig doorstaan ? En waarom kwam mijn oudste zoon vannacht niet thuis, waar heeft hij geslapen ? Anderen gaan op stap om met enig geritsel van zwarte dollars naar een scheepsticket richting Italië of Griekenland te hengelen. Angst helpt niet. Daar gaat een winkelruit aan diggelen. Het gerinkel belooft vrijheid, het lot en het geld van de banken eindelijk in eigen handen. Schoolkinderen houden de dag voor bekeken en rennen joelend de klas uit. De politiebrigadier houdt zich gedeisd, hij spelt de krant op zoek naar verder onheil. Brandende autobanden verspreiden hun donkere stank. Onder de walm : een bemodderde ziekenwagen, blauwe zwaailichten, een megafoon. In hun donkere flats, hun vogelkooien, vullen nerveuze huisvrouwen de badkuip met drinkwater want straks valt het kraantje vast droog. Hoe dronken ook, elke plotseling uitbrekende rebellie heeft haar eigen dorst en verscheurt bij wijze van vage vergelding haar kostbaarste boeken. Ze weet dat de teugelloosheid kort zal duren, dat discipline en ordening altijd terugkeren in de gedaante van pantserwagens. Daarom bevat haar onbesuisd plezier ook een ingebouwde neerslachtigheid, dezelfde die een zomervakantie al van bij het begin bederft door de gedachte aan haar spoedig einde. Het opzetten van de eerste de beste bouwvakkershelm, het afgooien van plichten en remmingen leidt niet tot een probleemloos leven. Zelfbeschikking bezorgt de muitende massa reeds na enkele dagen het ongerief van iemand die besloten heeft nooit meer zijn tanden te poetsen, waardoor zijn mond ontstoken raakt. Omdat hedendaagse Belgen geen Albanezen zijn, verzaken zij aan de bedwelming die met destructie en sociale koorts gepaard gaat. Zij stappen keurig geregimenteerd naar de groen-rood-blauwe betoging in Brussel. Daar aanhoren zij de toespraken van de vakbondsleiders, houden hun bordjes met slogans flink de hoogte in, gehoorzamen aan de ordedienst en blazen ritmisch op een fluitje. Hun enige conflict met de politie gaat over de telling van het aantal aanwezige demonstranten. Vijfentwintig- of tachtigduizend ? Ergens in het midden, tussen Tiranë en Brussel, ligt de waarheid : tegen wat er misloopt in de wereld van nu staat geen ideologische beweging meer ter beschikking. De blinde agitatie zonder programma leidt nergens heen, de sociaal-democratische braafheid evenmin. Vroeger was er Links, een wereld van radicale daden, wachtwoorden en gedachten. Daar was nog geestelijk leiderschap te vinden bij Sartre, Bertrand Russell, Herbert Marcuse, Jürgen Habermas en nog een dozijn anderen. Er was ook Rechts, het behoedzame humanisme van bijvoorbeeld Popper en Hayek met onder meer hun opvatting dat de politiek de werkelijkheid niet kan maken. Ze kan alleen voorzichtig proberen het in de samenleving voorkomende lijden te verminderen. HET ONRECHT IS TE KLEINDie grote denkstromingen en hun mobiliserend vermogen werden stilgelegd door de welvaartsdemocratie. Daarin worden slechts minderheden getroffen door, naar Albanese maatstaven nog milde, vormen van onrecht en discriminatie. De misstanden zijn er net te beperkt in omvang en aantal om er een golf van volkswoede op los te laten. Daarom is de postmoderne verzorgingsstaat eigenlijk saai. Per computer wordt hij bestuurd en belast door weinig integere maar stielvaardige regeringen die zich vooral als pragmatische overlevingsmachines gedragen. Wat kunnen kritische intellectuelen tegen dat politieke ?niets? inbrengen ? Ook niets. Er is geen onderwerp meer. De inmiddels doodgeciteerde Francis Fukuyama noemde deze toestand het einde van de geschiedenis. In ons land heeft dat eindpunt een niet-kleur meegekregen : wit, signaal van capitulatie en tegendeel van bestorming. Het volk wil werk, maar krijgt een loonnorm en brugpensioen of nog een paar tegemoetkomingen voor minder draagkrachtigen. Het volk wil de bestraffing van oneerlijke rechters, maar krijgt slechts enkele nieuwe paragrafen voor de regeling van benoemingen, strafuitvoering en slachtofferhulp. Het volk vraagt respect vanwege zijn overheid en krijgt de PS als dominante macht. Vandaar die poëtische vraag : wie heeft niet, in een korte flits van de verbeelding, zijn eigen Albanië-moment gevoeld ?