In onze eerstelijnszorg bestaan twee financieringsstelsels naast elkaar. Er is het stelsel van de forfaitaire betaling, waarbij patiënten zich inschrijven in een huisartsenpraktijk. Die ontvangt dan per ingeschreven patiënt maandelijks een vast bedrag, ziek of niet ziek en ongeacht het aantal medische prestaties. Het voordeel voor de patiënt is dat hij in die formule geen remgeld hoeft te betalen. Daarnaast is er het stelsel van de betaling per medische prestatie, waarin de overgrote meerderheid (98,5 procent) van de patiënten is opgenomen. Het Federaal Kenniscentrum voor de Gez...

In onze eerstelijnszorg bestaan twee financieringsstelsels naast elkaar. Er is het stelsel van de forfaitaire betaling, waarbij patiënten zich inschrijven in een huisartsenpraktijk. Die ontvangt dan per ingeschreven patiënt maandelijks een vast bedrag, ziek of niet ziek en ongeacht het aantal medische prestaties. Het voordeel voor de patiënt is dat hij in die formule geen remgeld hoeft te betalen. Daarnaast is er het stelsel van de betaling per medische prestatie, waarin de overgrote meerderheid (98,5 procent) van de patiënten is opgenomen. Het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) voerde een vergelijkende studie uit tussen patiënten uit de twee systemen, om na te gaan of de verschillen qua financiering ook gevolgen hebben voor de kosten en de kwaliteit van de verstrekte zorg. Wat blijkt nu? 'De onderzoekers zijn er om te beginnen niet in geslaagd om twee groepen met vergelijkbare sociale kenmerken samen te stellen', zegt Jan De Maeseneer, hoogleraar huisartsengeneeskunde aan de Universiteit Gent. 'In forfaitaire huisartsenpraktijken zijn kansarme en maatschappelijk achtergestelde patiënten duidelijk oververtegenwoordigd, eenvoudigweg omdat die wijkgezondheidscentra, zoals ze vaak worden genoemd, meestal in stedelijk ge-bied gevestigd zijn. Maar daaruit kun je dus ook besluiten dat een forfaitair betalingsstelsel drempelverlagend werkt.' Er werd ook gekeken naar de kwaliteit van de zorg. Die blijkt in beide groepen even hoog te liggen, maar de forfaitaire eerstelijnszorg scoort wel beter op het vlak van preventie. 'Wat op het eerste gezicht vreemd is', aldus De Maeseneer. 'Want in de regel geldt dat kansarmen juist moeilijker bereikt worden door preventie. Men zegt vaak - en terecht - dat armoede ziek maakt. Maar dat gaat voor deze forfaitair betaalde patiënten niet op.' Het heeft ermee te maken, legt De Maeseneer uit, dat in huisartsenpraktijken met ingeschreven patiënten de eerstelijnszorg beter georganiseerd is. 'Patiënten worden bijvoorbeeld op gezette tijden opgeroepen voor bepaalde onderzoeken. Dat geeft betere resultaten.' Voorts werd de zogeheten 'kosteneffectiviteit' van beide financieringssystemen vergeleken. Op het vlak van geneesmiddelen zagen de onderzoekers dat artsenpraktijken die forfaitair vergoed worden beter aangepaste en goedkopere antibiotica voorschrijven. De verklaring daarvoor, aldus De Maeseneer, is dat in zulke groepspraktijken vaak gewerkt wordt met een vaste lijst van voor te schrijven medicatie, en dat dokters in groep elkaars voorschrijfgedrag in de gaten houden. Ten slotte kwam ook duidelijk naar voren dat patiënten uit de forfaitaire geneeskunde veel minder naar specia-listen of ziekenhuizen werden doorverwezen. 'Een sterke eerstelijnszorg werkt kostenbesparend', besluit De Maeseneer. Hij pleit er dan ook voor om het stelsel van de forfaitaire betaling verder te ontwikkelen en er meer middelen voor uit te trekken. Han Renard