Een paar jaar geleden zat het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken met een netelig probleem. Het protocol eist dat een pasbenoemde ambassadeur zijn geloofsbrieven aan het staatshoofd overhandigt en dat de twee partijen elkaar daarbij de hand schudden. Nog nooit had iemand daarin graten gezien, tot er een nieuwe Iraanse ambassadeur naar Den Haag kwam. Hij stelde dat hij onmogelijk aan het protocol zou kunnen voldoen. Het Nederlandse staatshoofd was immers een vrouw en het is een islamitische man verboden de hand van een vreemde vrouw aan te raken.
...

Een paar jaar geleden zat het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken met een netelig probleem. Het protocol eist dat een pasbenoemde ambassadeur zijn geloofsbrieven aan het staatshoofd overhandigt en dat de twee partijen elkaar daarbij de hand schudden. Nog nooit had iemand daarin graten gezien, tot er een nieuwe Iraanse ambassadeur naar Den Haag kwam. Hij stelde dat hij onmogelijk aan het protocol zou kunnen voldoen. Het Nederlandse staatshoofd was immers een vrouw en het is een islamitische man verboden de hand van een vreemde vrouw aan te raken. Aanvankelijk werden de bezwaren van de kersverse ambassadeur op ongeloof onthaald, tot men er de Leidse oriëntalist J. Brugman bijhaalde. De ambassadeur bleek gelijk te hebben. Een van de bekendste Hanafitische rechtsboeken, de Hidâyah, verbiedt iedere aanraking van dien aard. Maar, zo stelden de ambtenaren van het ministerie, voorheen had er toch nooit een ambassadeur bezwaar gemaakt tegen het schudden van Beatrix' hand? Dat maakt niets uit, zei Brugman: de shari'ah of Islamitische Wet, is nu eenmaal geen helder systeem dat voor eens en altijd zegt wat wel en niet is toegelaten. Het is een reeks boeken die van commentaar voorzien zijn en daardoor voor interpretatie openstaan. Misschien hadden alle vorige ambassadeurs wel gebruikgemaakt van de toevoeging dat een man best de hand van een vrouw mag aanraken wanneer beiden de leeftijd bereikt hebben dat van hartstocht geen sprake meer kan zijn. In de essaybundel "Het raadsel van de multicultuur" gaat Brugman in op enkele interessante facetten van de islam: het gewelddadige ontstaan van deze religie bijvoorbeeld, of het feit dat zowat alle moslims de zevende eeuw als een gouden tijdperk zien waarna het met de wereld, en dit zeker op ethisch vlak, alleen nog maar bergaf is gegaan. Het grote thema van het boek is echter de multiculturaliteit. Ook in Nederland is het bon ton om de lof te zingen van de multiculturele samenleving. Wie er zijn bedenkingen bij heeft, dreigt al vlug gestigmatiseerd te raken. Want extreem rechts heeft zich met zijn volle gewicht op dit thema gestort. Maar, aldus Brugman, dit mag geen reden zijn om daarom als een kudde schapen de propaganda van de multiculturaliteit te lopen nablaten. En hij ziet daarvoor een goede reden: het maatschappelijk en uiteindelijk ook economisch welzijn van de islamitische migranten zelf. Wie almaar blijft herhalen dat Marokkanen en Turken hun islamitische cultuur ook hier moeten blijven bewaren, geeft daarmee voedsel aan het idee dat assimilatie onnodig is, wat uiteindelijk de antagonismen tussen allochtonen en autochtonen alleen maar aanwakkert. En, wat eigenlijk nog belangrijker is, de migranten zien zo ook niet in waarom ze Nederlands zouden moeten leren. Ook al is het juist deze taal die ze in staat zal stellen een fatsoenlijke baan te vinden en zich te integreren in de westerse samenleving. Waar de multiculturalisten maar eens moeten mee ophouden, aldus Brugman, is het idealiseren van de cultuur van de islamitische migranten. Dé islamitische cultuur bestaat helemaal niet. Er zijn verschillende strekkingen binnen deze religie die min of meer ontzag voor en trouw aan de Islamitische Wet vereisen. Er zijn vrijzinnige moslims zoals Brugmans collega Mohammed Arkoun. En meest van al zijn er verwesterde moslims. Vooral in de steden van het Midden-Oosten is dit heel opvallend. Niet alleen de kledij en het gedrag zijn van de vroegere koloniserende machten overgenomen, ook de klassieke Arabische literatuur is totaal op de achtergrond geraakt. Er worden daar nu romans, kortverhalen en vrije poëzie geschreven, net zoals bij ons. Racist vanop een afstandDe Sloveense filosoof en psychoanalyticus Slavoj Zizek - nooit te beroerd om een koe een koe te noemen - gaat in zijn kritiek op het multiculturalisme nog een stapje verder. Wat het multiculturalisme ook moge beweren, stelt hij, in feite komt het neer op een nieuwe vorm van eurocentrisme. De multiculturalisten hebben alleen oog voor de folklore van de vreemde culturen. Wanneer het op vrouwenbesnijdenis of ander geritualiseerd geweld aankomt, fluiten ze opeens een heel ander deuntje. In feite is de multiculturalist een racist vanop een afstand: hij kijkt vanuit een volstrekt lege, waardenloze positie om zich heen en heeft respect voor de identiteit van alle culturen. In zijn "Pleidooi voor intolerantie" analyseert deze hoogleraar aan de universiteit van Princeton het multiculturalisme vanuit een breed, filosofisch en economisch standpunt. Met zijn typische mengeling van postmodern marxisme en Lacaniaanse psychoanalyse komt hij tot enkele rake observaties. De lege positie van de multiculturalist, zo zegt hij bijvoorbeeld, is perfect in te passen in de ideologie van het wereldkapitalisme: de houding die, vanuit een lege positie op de wereld iedere plaatselijke cultuur behandelt zoals de koloniaal een gekoloniseerd volk, als een inboorling wiens gebruiken zorgvuldig moeten worden bestudeerd en gerespecteerd. Het multiculturalisme is dus de handlanger van een kapitalisme dat internationaal geworden is en de hele wereld als een kolonie bekijkt. Multinationals krijgen door hun immense economische impact almaar meer politieke macht, of op zijn Zizekiaans: "Uiteindelijk dragen we niet alleen overhemden die in een bananenrepubliek gemaakt zijn, maar wonen we zelf in een bananenrepubliek." Uit reactie tegen dit inhoudsloze kapitalisme dat de hele wereld overspoelt, gaan altijd meer mensen op zoek naar hun culturele wortels. Ofwel word je dan een fervente nationalist, óf je gaat de multiculturele toer op en respecteert alle andere culturen. Die twee posities kunnen elkaar perfect aanvullen. De multiculturalist is immers op zoek naar authentieke culturen en het is de nationalist die ze hem op een presenteerblaadje aanbiedt. Wat Zizek zeker niet beoogt, is de ontkenning van de identiteitsproblemen van migranten. Hij breidt daarentegen het multiculturalisme uit tot alle strevingen van organisaties die opkomen voor de rechten van minderheidsgroepen, dus ook homobewegingen en actiegroepen van zwarte aidspatiënten en lesbische eenoudergezinnen. Voor Zizek zijn hun moeilijkheden allemaal door hetzelfde fenomeen veroorzaakt: een verschuiving van werkelijke problemen van economische aard naar pseudoproblemen op cultureel gebied. Ieder politiek protest - wat het multiculturalisme in feite is - is een eis voor totale verandering, stelt hij. Maar onze postpolitieke maatschappij die het individu alleen als een consument benadert, vernauwt het protest onmiddellijk tot zijn culturele component en gooit er dan meteen een heel regiment deskundigen, sociale werkers en psychologen tegenaan, waarna nog maar eens een actiegroep wordt opgericht en het politieke gevaar dus bedwongen is.EEN DERDE WEGEn toch gebeurt het soms dat de bevolking van een land zijn politieke lot weer in handen neemt. Zizek geeft hiervan een prachtig voorbeeld. Toen de DDR op haar laatste benen liep en er iedere dag massademonstraties tegen de vastgeroeste communistische structuren werden georganiseerd, klonk opeens de slogan: "Wir sind das Volk". De man in de straat trok de politiek naar zich toe en wilde over zijn eigen lot beslissen. Maar dit initiatief was slechts van korte duur. Een paar dagen later klonk er een nieuwe slogan: "Wir sind ein Volk", waarmee de voormalige Oost-Duitsers zich onderwierpen aan het politieke bestel van West-Duitsland. Bestaat er dan geen derde weg tussen de cynische kapitalist en de sullige multiculturalist door, vraagt Zizek zich af. En hij geeft zelf het antwoord: we moeten terug naar het primaat van de economie om op politiek vlak iets te veranderen. Als leidraad daarbij ziet hij het fundamentele Europese erfgoed, en hij beseft terdege dat hij door dit te stellen zich heel wat op de schouders haalt: "Als je hierover spreekt, reageert elke zichzelf respecterende linkse intellectueel zoals Josef Goebbels op het woord cultuur: hij grijpt naar zijn pistool en produceert een spervuur van beschuldigingen. Dan noemen ze je een protofascistisch eurocentristisch cultureel imperialist." Maar zo hoeft dit helemaal niet te zijn, stelt Zizek. Het verlangen naar een authentiek gemeenschapsleven is niet-ideologisch en utopisch. Het is pas wanneer het concreet wordt ingevuld dat het extremisme dreigt. Want heel wat authenticiteit blijkt bij nader inzien een ideologische constructie te zijn, en dat kunnen we missen als kiespijn.J. Brugman, "Het raadsel van de multicultuur", Meulenhoff, Amsterdam, 184 blz., 698 fr. Slavoj Zizek, "Pleidooi voor intolerantie", Boom, Amsterdam, 109 blz., 650 fr.Marnix Verplancke