Foto's Maria Fialho
...

Foto's Maria FialhoHet grapje gaat ongeveer zo. Aan één kant heb je Saddam Hoessein in Irak, die zweert géén nucleaire, bacteriologische of chemische wapens, kortom massavernietigingswapens, te hebben. Jarenlang hebben gespecialiseerde VN-teams zijn land op dergelijke wapens doorzocht, en ze hebben inderdaad niets gevonden. Waarna de VS hem de oorlog verklaren. Aan de andere kant van de wereld, in Noord-Korea, heb je Kim Jong-il, die rondbazuint kernwapens te hebben en er nog bij te willen maken, en tegen Zuid-Korea de oorlog te willen hernemen. Waarna de VS hem een speciale ambassadeur toesturen. Wie begrijpt nog iets van de Amerikaanse buitenlandse politiek? Het is natuurlijk niet allemaal karikaturaal. De buitenlandse politiek van een supermacht, zegt Danielle Pletka van het American Enterprise Institute, is als een geladen supertanker: het vraagt heel veel tijd en moeite om die van koers te doen veranderen. Het is een platitude dat Washington de ineenstorting van het Sovjetrijk en het einde van de Koude Oorlog nog niet verteerd heeft. Plots waren de VS de enig overgebleven supermacht, met zoveel voorsprong dat tot ver voorbij de horizon geen opkomende rivalen te bekennen waren. Meer dan tien jaar later is dat nog steeds het geval. Over de implicaties van die nog steeds als nieuw ervaren situatie gaan de grote discussies in Washington. Het tweede evenement dat de VS politiek zou gaan bepalen, waren de aanslagen van 11 september 2001 op New York en Washington, waardoor radicalere elementen in de discussie meer impact en macht gingen krijgen dan voorheen. De wereldwijde oorlog tegen het terrorisme - waarbij willens nillens iedereen ingeschakeld werd en 'wie niet voor ons is, tegen ons is' - bracht opnieuw het soort eensluidendheid in de Amerikaanse politiek waaraan men gewend was in de Koude Oorlog. Net als vroeger, met de anticommunistische retoriek, kunnen nu onder het mom van antiterrorisme, andere motieven bedekt worden en manoeuvres aan de man worden gebracht, die zonder die hulp onverkoopbaar zouden zijn geweest. Daarbij moet worden opgemerkt dat de Amerikaanse maatschappij natuurlijk ook wel verdeeld is in links en rechts, maar zeker niet langs de partijscheidingslijnen van Democraten en Republikeinen. Lange tijd stonden beide partijen onverdeeld en unaniem achter het beleid van president George W. Bush. Pas met het uitzicht op de naderende verkiezingen begonnen de Democraten de afgelopen weken kritische geluiden te maken - behoorlijk onsamenhangend overigens, vaak op de fameuze frase over Saddams zogenaamde uraniumtransactie in Niger, die niet in Bush' State of the Union-toespraak had mogen staan. Want dat is het derde element dat - in de toekomst dan - de VS-politiek helpt bepalen: de presidentsverkiezingen, waarvoor de campagne dit najaar begint. Volgens de meeste waarnemers kan George W. Bush die bijna niet verliezen. Ten eerste omdat de zetelende president bijna nooit verliest. Ten tweede omdat Bush onvergelijkelijk veel meer geld heeft dan de Democratische rivalen (zijn geldmachine draaide begin deze zomer al op volle toeren en men speculeerde dat hij tussen de 200 en de 250 miljoen dollar zou uitkomen voor de campagne), en het bijna altijd de kandidaat met het meeste geld is die door zijn partij genomineerd wordt. En ten derde omdat de Republikeinen, surfend op de golf van Amerikaans patriottisme, zozeer de wind in de zeilen hebben dat Karl Rove, de strateeg achter de successen van Bush, de ambitie zou hebben het Witte Huis voor een generatie of langer in Republikeinse handen te geven. Maar dat alles neemt niet weg dat in de ogen van de meeste waarnemers voor Bush de tijd dringt: hij moet nu gauw aan de slag voor zijn herverkiezing. Dat wil zeggen, weg van de buitenlandse politiek, werken aan de Verenigde Staten zelf. Toen de Koude Oorlog ten einde was, betekende dat meteen het einde van een lange constante in de VS-politiek: die van 'containment', het bedwingen van de communistische vijand. Wat in de plaats moest komen, wist men nog niet, maar het gigantische militaire, politieke en zelfs industriële apparaat dat voor 'containment' was opgebouwd (bijvoorbeeld de NAVO), was heel even, misschien niet voorbijgestreefd, maar toch het noorden kwijt. Tegen de 'dreiging' van de roep om ontwapening en vredesdividenden, die de Amerikaanse strijdkrachten wilden inkrimpen, ontwierp de toenmalige chef staf Colin Powell het concept dat de VS op elk moment in staat moesten zijn twee oorlogen tegelijk te voeren. Het aantal zou variëren: een grote oorlog en een kleine, een middelgrote en twee kleine, twee middelgrote... Om dat concept politiek waarschijnlijker te maken, bedachten andere strategen de theorie van de 'rogue states', de schurkenstaten: toen al Noord-Korea, Irak, Libië, en nog wat andere. Tegelijk kwam, grotendeels onder impuls van de Republikeinen in het Congres, de campagne voor ' National Missile Defence', het antirakettenschild, van de grond. Met de regering van George W. Bush werd dit alles aanvankelijk alleen maar vergroot. Defensieminister Donald Rumsfeld vroeg veel meer geld voor de modernisering van de strijdkrachten. Vice-president Dick Cheney ontwierp een energiegerichte strategie voor de solitaire supermacht: energiebronnen als olie- en gasreserves, bijvoorbeeld rond de Perzische Golf, in het Kaspische Zeebekken en in Centraal-Azië, werden strategische nationale belangen van de VS. Rumsfeld en Cheney, beiden uit de Reagan-regering geërfd, waren niet zozeer vernieuwers dan wel versterkers van de bestaande politiek. De theorie van de rogue states bleef behouden, de politieke aankleding van het geheel werd ontworpen in het bureau van professor Condoleezza Rice, adviseur voor nationale veiligheid, door lieden als Lewis 'Scooter' Libby, de 'kabinetschef' van Cheney, en Paul Wolfowitz, nummer twee in het Pentagon. Daarmee verschoof het intellectuele zwaartepunt van de oudere Reagan-haviken naar de 'neocons', de jongere generatie neoconservatieven. Zeker in aanmerking genomen dat George W. Bush en zijn groep in hun hart niet geïnteresseerd zijn in het buitenland, kan men veronderstellen dat hieruit een weliswaar rechts-conservatieve, maar wellicht niet revolutionaire politieke doctrine zou zijn voortgekomen. Maar toen kwam 11 september 2001, en dat veranderde het hele landschap. Na de aanslagen van 9/11 kon Amerika zich niet langer tevreden stellen met alles te bewaren zoals het was: Al-Qaeda, de internationale terreurorganisatie, had immers alles veranderd. De VS waren in oorlog. De neoconservatieve haviken hadden hun theorieën al lang uitgewerkt en opgeschreven - maar nu kregen ze hun kans om hun stempel te drukken op de echte politiek. Daarbij moet men twee dingen in het oog houden. Eén aspect is dat de neoconservatieven, stichter-aartsvader Norman Podhoretz incluis, eigenlijk van de linkerzijde komen. Wolfowitz, Richard Perle, Joshua Muravchik en andere neoconservatieve intellectuelen als Douglas Feith, evolueerden van radicaal links naar uiterst rechts in de jaren '70, maar bleken hun morele drijfveren en hun enthousiasme om de wereld te verbeteren, behouden te hebben. Een tweede aspect is dat de neocons als groep uitgesproken sympathie hebben voor de Israëlische Likud, en dat een aantal van hen heeft meegewerkt aan het opstellen van mogelijke Likud-strategieën. Het eerste aspect verklaart waarom de neocons de macht van de VS willen gebruiken om de wereld te veranderen, het tweede waarom ze daar om te beginnen het Midden-Oosten voor hebben uitgekozen (en niet, bij voorbeeld, het Koreaanse schiereiland). Hoe dan ook, de nieuwe VS-doctrine, na 11 september, impliceerde dat de Verenigde Staten, als enige supermacht, alles moesten doen om te beletten dat deze machtssituatie nog zou veranderen. Militair moesten zij hun macht zo vergroten dat om het even wie zelfs de hoop zouden opgeven om de VS ooit nog in bewapening bij te benen. Politiek moesten zij prioritair beletten dat waar ook ter wereld een macht zou groeien die op termijn met de VS zou kunnen rivaliseren. Goedgelovige Europeanen dachten dat dit op China betrekking had. Maar toen kwam de aanloop naar de oorlog tegen Irak, en de gestaag breder wordende kloof tussen Washington en enkele Europese landen. Frankrijk en Duitsland natuurlijk voorop, die zich tegen die oorlog bleven verzetten. Men hoort het niet overal even duidelijk zeggen maar, zegt professor James Chace in New York: 'In haar toespraak voor het International Institute for Strategic Studies in Londen kwam Condoleezza Rice in juni met iets nieuws. Zij zei dat de VS de wereld moeten leiden, en dat het gedaan moet zijn met de rivaliteit tussen grootmachten die de wereld al zo lang in haar greep heeft. En om dat te realiseren, zegt zij, moet Europa het principe van multipolariteit afzweren! Afzweren! Dat is dus precies het tegenovergestelde van wat de Europese leiders nu zeggen. Dat komt er dus op neer dat de VS de leiding moeten nemen, en alle anderen moeten volgen. En dan zal er vrede zijn. Wel, mogelijk... Maar ik zie niet onmiddellijk de EU die wijze raad aanvaarden.'Daarom, zegt Chace, is momenteel wellicht een breuk in de maak tussen de VS en Europa, die niet zo gauw weer overbrugd zal zijn. En dat is volgens hem een belangrijk nieuw feit in de Amerikaanse buitenlandse politiek. Het andere nieuwe feit is de intrede van godsdienst en ethiek in de staatszaken. Natuurlijk is president Bush een born again christian, en is zijn regering heel beïnvloedbaar door wat men de 'christelijke zionisten' of de 'christelijke rechterzijde' noemt. En men weet dat deze groepen zich vergaand identificeren met de rechtse zionisten in de Amerikaanse joodse gemeenschap, en zo ook met de Likud-regering in Israël. Het belang daarvan is direct voelbaar in New York. Toch is dat niet voldoende om de dynamiek van de neoconservatieven te verklaren. Waarschijnlijk zijn zij oprecht verontwaardigd over het verwijt dat zij het Midden-Oosten willen 'regelen' naar de wensen en noden van Israël. Des te meer omdat zij het, in hun ogen, niet eens hebben over belangen - die van de VS, laat staan die van een ander land - maar over goed en kwaad. Beginnend in Irak willen zij het hele Midden-Oosten hertekenen, niet om de strategische VS-belangen in de olie (geconcentreerd als zij zitten in de rechtse denktank van het American Enterprise Institute) of om Israël van mogelijke interferentie af te helpen bij het behandelen van zijn Pales- tijnse 'probleem', maar omdat heel dat Midden-Oosten zowel politiek als sociaal en economisch een puinhoop is. Dat is moeilijk te weerleggen. Alleen denken de neocons dat zij - dat wil zeggen de VS als supermacht - de middelen hebben om dat te verhelpen. Bijvoorbeeld door systematisch democratisering in de regio te promoten, in plaats van voor de VS comfortabele, maar tirannieke en retrograde regimes in stand te houden. En wat méér is: juist omdat de Verenigde Staten de enige overblijvende supermacht is die de wereld moet leiden - en daar de macht en de mogelijkheden voor heeft - is het volgens hen ook de morele plicht van Washington om die actie te ondernemen, en de wereld te verbeteren. Het is een vroom argument dat goed van pas komt, zeker op een moment dat de VS naarstig bezig zijn de eigen democratie en civiele rechten en vrijheden te ondermijnen in naam van de oorlog tegen het terrorisme, maar zoals Jozef Sta- lin al zei, je kunt geen omelet maken zonder eieren te breken, en men moet een optimist zijn, of anders een echte 'Prins der Duisternis', zoals de invloedrijke defensieadviseur Richard Perle door zijn bewonderaars wel genoemd wordt, om te geloven dat het doenbaar is: dat de VS, met geweld van geld en militaire macht alleen, van bijvoorbeeld Saudi-Arabië een democratie zouden kunnen maken. Optimisten zijn de neoconservatieven zeker, de vraag is of George W. Bush zelf meent daarmee zijn verkiezingen te kunnen winnen. Sus van ElzenVoor de neoconservatieven is het de morele plicht van Washington om actie te ondernemen en de wereld te verbeteren.Na de aanslagen van 9/11 kon Amerika zich niet langer tevreden stellen met alles te bewaren zoals het was.