In zijn boek Een eeuw van uitersten stelt de Britse historicus Eric Hobsbawm dat technologische vindingen die in eerste instantie voor de oorlog en de voorbereiding daarop zijn gemaakt, achteraf beter toepasbaar zijn. Als voorbeelden haalt hij computertechnologie, kernfysica en ruimtevaart aan. Volgens hem zouden in vredestijd de hiervoor noodzakelijke hoge uitgaven nooit verder dan de kosten-batenanalyse komen. Toch is de technologische vernieuwing in de oorlogvoering geen gevolg van de oorlog. Immers, de industriële economie is met haar massaproductie gebaseerd op constante vernieuwing. Oorlog, economie en technologie lijken elkaar te stimuleren. De Tweede Wereldoorlog bevordert de verspreiding van deskundigheid en menselijk kapitaal en zeker ook de industriële organisatie van de naoorlogse massaproductie.
...

In zijn boek Een eeuw van uitersten stelt de Britse historicus Eric Hobsbawm dat technologische vindingen die in eerste instantie voor de oorlog en de voorbereiding daarop zijn gemaakt, achteraf beter toepasbaar zijn. Als voorbeelden haalt hij computertechnologie, kernfysica en ruimtevaart aan. Volgens hem zouden in vredestijd de hiervoor noodzakelijke hoge uitgaven nooit verder dan de kosten-batenanalyse komen. Toch is de technologische vernieuwing in de oorlogvoering geen gevolg van de oorlog. Immers, de industriële economie is met haar massaproductie gebaseerd op constante vernieuwing. Oorlog, economie en technologie lijken elkaar te stimuleren. De Tweede Wereldoorlog bevordert de verspreiding van deskundigheid en menselijk kapitaal en zeker ook de industriële organisatie van de naoorlogse massaproductie.Bij het begin van de twintigste eeuw staan Frankrijk en Duitsland aan de wiskundige wereldtop. Parijs (met onder anderen Henri Poincaré), Göttingen (David Hilbert) en Berlijn vormen de wiskundige centra van Europa. Felix Christian Klein (1849-1925), hoogleraar aan de universiteiten van Erlangen, München, Leipzig en later Göttingen, begrijpt als geen ander de belangrijke rol die wiskunde in de industrie begint te spelen. Hij overlegt met industrixlen en kan zo heel wat financiële steun losweken voor wiskundig onderzoek naar technische problemen. Een van zijn belangrijke successen is de oprichting van het Aerodynamisch en Hydrodynamisch Onderzoek in Göttingen. De natuurkundige Ludwig Prandtl (1875-1953) krijgt de functie van directeur. Hij legt de wiskundige basis van de aerodynamica (tot voorbij de geluidssnelheid), belangrijk voor de verdere ontwikkeling van luchtvaart en ruimtevaart.Duitsland is wereldleider op het vlak van theoretische fysica. Max Planck, grondlegger van de kwantummechanica, ontvangt hiervoor in 1918 de Nobelprijs voor de Natuurkunde. Na de uitvaardiging van de antisemitische rassenwetten, verwachten collega-wetenschappers dat Planck zich openlijk zal distantiëren van het regime. Tot grote ontgoocheling van onder anderen Albert Einstein, doet hij dit niet, alhoewel hij er Hitler persoonlijk over zou hebben aangesproken. Nationalistische bewegingen zoals Deutsche Physik stellen de theoretische fysica als zogenaamde Joodse wetenschap' aan de kaak. De relativiteitstheorie van Albert Einstein verwerpt het idee van een universele 'ether'. Heel wat fysici zijn daarom niet enthousiast over de theorie van Einstein. Met de opkomst van het Duitse nationalisme verenigt Philipp Lenard, Nobelprijswinnaar in de Natuurkunde en voorstander van de Arische natuurkunde, zich met de nazi-partij om Einsteins relativiteitstheorie af te schilderen als Joodse wetenschap'. Albert Einstein, vader van de relativiteitstheorie en door velen gezien als het grootste genie van de twintigste eeuw, ontvangt in 1921 de Nobelprijs voor zijn verklaring van het foto-elektrische effect. De Joodse Einstein verlaat in 1933 Duitsland en knipt alle banden met zijn nationaliteit en de Duitse academies door. Na eerst zes maanden in het Belgische De Haan te verblijven, emigreert hij naar de Verenigde Staten.De Duitse natuurkundige Alfred Lande, die in 1931 naar Amerika is geëmigreerd, roept in 1933 de leden van het Deutsche Physikalische Ge-sellschaft op uit de organisatie te stappen om te protesteren tegen de behandeling van de Joden. De academische en sociale situatie voor Joden is op dat moment bijzonder vijandig. Niet alleen Albert Einstein, maar tal van andere Joodse wetenschappers nemen de wijk: Hans Bethe, Felix Bloch, Max Born, James Franck, Otto Frisch, Fritz London, Lise Meitner, Erwin Schrödinger, Otto Stern, Leo Szilard, Edward Teller, Victor Weisskopf, Eugene Wigner... In één klap verliest Groot-Duitsland zijn leidinggevende rol op het vlak van wetenschap en wiskunde.Petra Moser, professor Economie aan de Universiteit van Stanford (US) toont in 2014 op overtuigende wijze aan dat de Amerikaanse wetenschap een enorme boost heeft gekregen door de toevlucht van Joodse wetenschappers voor de Tweede Wereldoorlog. Het aantal patenten neemt enorm toe vanaf de jaren 1940, vooral bij Amerikaanse uitvinders die samenwerken met gemigreerde Joodse wetenschappers.Ook aan het Manhattan Project (lees: De bom die harakiri zinloos maakt) werken behalve Amerikaanse wetenschappers als Robert Oppenheimer (Joodse afkomst), heel wat gevluchte Europese fysici mee, onder wie de Italiaan Enrico Fermi (wiens vrouw Joods was) en de Hongaar John Von Neumann. Einstein neemt niet deel aan het project, maar zou, volgens sommige bronnen, de Amerikaanse president per brief hebben gewaarschuwd dat de Duitsers bezig zijn met de ontwikkeling van een atoombom. Hiermee doelt hij vermoedelijk op de Duitse natuurkundige Werner Heisenberg (1901-1976). Ook al beweert Heisenberg na de oorlog dat hij getracht heeft om de ontwikkeling van een Duits atoomwapen te vertragen, blijft zijn houding dubbelzinnig. In een ontmoeting met de Deen Niels Bohr in 1941, zou hij gezegd hebben dat hij gelooft dat Duitsland de oorlog zal winnen en dat hij meewerkt aan de atoombom. Als Bohr dit nieuws doorspeelt aan de geallieerden, geeft het een extra stimulans aan het Manhattan Project. Waar Heisenberg niet in slaagt, slaagt zijn vroeger student Edward Teller wel in. Als 'vluchteling' van Joods-Hongaarse afkomst, werkt Teller mee aan het Manhattan Project. Later zal hij voor de Amerikanen de waterstofbom ontwikkelen.Teller en andere medewerkers aan het Manhattan Project zoals Eugene Wigner, Leó Szilárd en John Von Neumann, zijn uit Boedapest gevluchte Joden. Die stad is in het eerste kwart van de twintigste eeuw een ware broeipoel van intelligentsia. Von Neumann (1881-1963) steekt op het vlak van veelzijdigheid met kop en schouders boven zijn wetenschappelijke stadsgenoten uit. Door zijn Joodse achtergrond neemt hij de wijk naar Princeton (New Jersey) waar hij levenslang verbonden blijft aan het 1nstitute for Advanced Study. Het instituut stelt hem net zoals Albert Einstein en Kurt Gödel aan tot hoogleraar en onderzoeker. Von Neumann verricht baanbrekend werk op meerdere terreinen. Peter David Lax (Boedapest, 1926) noemt hem met recht en reden 'het fonkelende licht' van de twintigste eeuw.Op jonge leeftijd is von Neumann al een wonderkind. In zijn jeugd schrijft hij over verzamelingenleer, maattheorie en de theorie der reële getallen. Hij legt de wiskundige grondslagen voor de kwantumtheorie met zijn Mathematische Grundlagen der Quantenmechanik (1932). Als lesgever is hij niet meteen het grootste talent, maar als onderzoeker publiceert hij baanbrekende studies. Heel beroemd wordt hij door de speltheorie, een theorie over het nemen van beslissingen gebaseerd op strategische kansspelen, die hij samen met Oskar Morgenstern in het boek The theory of games and Economic Behaviour (1944) uiteenzet.Daarnaast is Von Neumann de grondlegger van de huidige computerarchitectuur. Daarin staat de processor (CPU) centraal. De CPU communiceert met het geheugen en stuurt uitvoer naar de randapparatuur. De werking van de CPU is gebaseerd op het Turingprincipe, waarbij instructies één voor één opgehaald en uitgevoerd worden. De CPU gebruikt het geheugen eveneens voor de tijdelijke opslag van gegevens (de zgn. Von Neumann-cyclus). In het overigens onafgewerkte boek The Computer and the Brain beschrijft hij de gelijkenissen en de verschillen tussen de werking van het menselijk brein en de computer. Hiermee legt hij de basis voor het gebruik van neurale netwerken in artificiële intelligentie. In zijn postuum verschenen Theory of self-reproducing automata beschrijft hij de mogelijkheden en concepten van autonome robots die in staat zijn zichzelf te reproduceren.Naast Von Neumann hebben nog twee andere wiskundigen uit de twintigste eeuw de mensheid het computertijdperk binnengeloodst: de reeds eerder genoemde Kurt Gödel en de Brit Alan Turing. Gödel is actief in Wenen. Sinds de Anschluss van 12 maart 1938 maakt Oostenrijk deel uit van nazi-Duitsland. Omdat het nieuwe bewind de titel Privatdozent afschaft, moet Gödel een nieuwe positie aanvragen. Door zijn connectie met Joodse leden van de Weense cirkel, wijst de Universiteit van Wenen zijn aanvraag af. Hij verhuist daarna naar New Jersey, waar hij aan de slag kan als docent.Kurt Gödel (1906-1978) is baanbrekend op het vlak van de formele logica die hij tot het uiterste doorvoert. De Brit Alan Turing (1912-1954) bedenkt er de bruikbare technologie voor, de zogenaamde Turingmachine. In de Tweede Wereldoorlog is Turing actief bij de Government Code and Cipher School, in Bletchley Park. Het doel van deze crypto-analytische dienst bestaat erin de gecodeerde berichten van de Duitsers te ontcijferen. Het team waar Turing deel van uitmaakt, slaagt in dat opzet. Ondanks hun enorme bijdragen voor de computerwetenschap, eindigt het leven van zowel Gödel als Turing op tragische wijze.Voor het kraken van de Duitse Enigmacodes gebruikt men in Bletchley Park reeds de bestaande Britse Colossuscomputer (1943). Het Amerikaanse leger komt drie jaar later op de proppen met de ENIAC (Electronic Numerical Integrator en Computer). Een berekening waar een kundig persoon 20 uur en zestig seconden over zou doen, doet de ENIAC in dertig seconden.De ontwikkeling van de eerste elektronische computer start echter niet bij Von Neumann, Gödel of Turing. De eerste werkende en door een programma gestuurde computer ziet het levenslicht in Duitsland. De Duitser Konrad Zuse (1910-1995) voltooit zijn elektronische Z3-computer in 1941. Hij is daarmee niet aan zijn proefstuk toe. In 1938 bouwt hij een weliswaar mechanische, maar niettemin binaire programmeerbare rekenmachine. Een jaar later volgt de Z2, een proefmodel met een mechanisch geheugen, een kaartlezer en een primitieve processor. Hij ontwikkelt tevens de eerste hogere programmeertaal (Plankalkül) ter wereld. De eerste modellen ontwikkelt hij op eigen kosten. Later krijgt hij financiële steun van het aerodynamisch onderzoekscentrum van het Duitse leger, waar zijn machines worden gebruikt voor het oplossen van wiskundige problemen bij het ontwerpen van vliegtuigen. Van een echt belangrijke militaire bijdrage kan je echter niet spreken. Zuse is nooit lid geweest van de nazipartij, maar of hij ooit aan het regime heeft getwijfeld, is niet bekend. Hij verdedigt zich later door te stellen dat de beste wetenschappers en ingenieurs in oorlogstijd steeds de keuze moeten maken tussen hun werk doen of helemaal niets doen. Na de oorlog richt hij Zuse Computers op en lanceert met de Z4 de eerste commerciële computer ter wereld, geruime tijd de enige computer op het Europese vasteland. Siemens neemt het bedrijf over in de jaren 1960. Zuse krijgt lange tijd niet de eer die hij verdient. De geëmigreerde Gödel en Von Neumann en de Brit Alan Turing zijn echter nog steeds ronkende namen in de informaticawereld.De harde anti-Joodse politiek van het naziregime zorgt ervoor dat een groot deel van het menselijk kapitaal voor Duitsland is verloren gegaan. Duitse wetenschappers die zich niet openlijk distantiëren van het regime, worden tot lang na de oorlog met de vinger gewezen. De Verenigde Staten daarentegen hebben de gevluchte wetenschappers met open armen ontvangen. De leidinggevende rol op het vlak van (kern)fysica, wiskunde en informatica is Duitsland voorgoed verloren aan de VS.Ook de rol van de VS is niet altijd even netjes. Na de oorlog stellen de Amerikanen zich tot doel om zoveel mogelijk technologische vernieuwingen uit nazi-Duitsland over te brengen naar de VS. Operatie Paperclip brengt niet alleen archieven en prototypes, maar ook Duitse geleerden die eraan werkten over naar Amerika. De bekendste geleerde is zonder twijfel Wernher von Braun die met zijn voltallige team van ingenieurs en wetenschappers naar de VS wordt gebracht. Hun kennis vormt een cruciale bijdrage tot de Amerikaanse rakettechnologie en ruimtevaart. In ruil voor hun expertise smukken de Amerikanen het 'blazoen' van deze nazi's, waaronder de raketwetenschapper Arthur Rudolph, op. De CIA zorgt voor verblijfspapieren en werk.