...

In veel liften kan men op een plaatje de namen Thyssen-Krupp lezen. Het zijn twee Duitse reusachtige, oorspronkelijk familiale staalbedrijven, die fuseerden tot een van de grootste in de wereld. Ze hebben beide een enorme rol gespeeld tijdens de twee wereldoorlogen, Krupp met het produceren van kanonnen, wapens en munitie en Thyssen met grote sommen geld te investeren in Adolf Hitlers megalomane ideeën. Merkwaardig genoeg ondervonden ze na beide oorlogen relatief weinig hinder om hun winstgevende activiteiten verder te zetten. De kant Krupp koos ervoor om zijn fortuin te investeren in onroerend goed terwijl de familie Thyssen zich ging interesseren in beeldende kunst. Het is allemaal begonnen bij de stamvader August Thyssen die aanvankelijk producent van kippendraad was en later zijn bedrijf uitbreidde met zowat alles wat met ijzer en staal kon gefabriceerd worden. Hij overleed in 1924 en zijn fabriek kwam in handen van zijn oudste en derde zoon, Fritz en Heinrich. Dat zijn de twee pionnen die een hoofdrol zullen spelen op het schaakbord van de familiegeschiedenis en bij hen begint ook de dubieuze rol die de clan zal spelen in de loop van de politieke ontwikkelingen in Duitsland. Fritz was namelijk een van de eerste en felste supporters van Adolf Hitler al lang voor die rijkskanselier werd. Zo ondersteunde hij financieel de fameuze putsch in de bierkelder in München (1923) en bleef geldschieter van de NSDAP. Tijdens de Tweede Wereldoorlog brak hij wel met de nazi's, werd in een concentratiekamp opgesloten maar ook de geallieerden wisten hem te vinden en zetten hem voor vele jaren in de gevangenis. Zijn broer Heinrich liet zich niet verleiden tot actieve collaboratie en week uit naar Hongarije, huwde de dochter van een koninklijk kamerheer en werd zo baron. Het paar trok naar Nederland waar hun zoon Heini werd geboren. Heini's vader was al een ijverig kunstcollectioneur die zijn eerste werken kocht van Amerikaanse miljonairs die hun fortuinen in rook zagen opgaan door de Grote Depressie en enorme successierechten wilden vermijden. Zo kon hij goedkoop topwerken verwerven van onder meer Titiaan, Holbein, Carpaccio, El Greco, Rubens, Velasquéz en Rembrandt. Zoon Heini kocht later vooral moderne werken van het impressionisme tot Jackson Pollock, David Hockney en Lichtenstein. Helemaal onbesproken was Heini destijds niet want in de jaren zeventig van de vorige eeuw werd hij door de Italiaanse politie verdacht van een grootschalige internationale kunstsmokkel en al voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij betrokken in een ondoorzichtig web van transacties via bank- en andere instellingen die nazi-Duitsland gul financierden. Het ging om miljoenen dollars. Fritz was de man die het allemaal regelde terwijl Heini toekeek en instemde. Fritz schreef er in 1940 een boek over "I paid Hitler" om zich enigszins wit te kunnen wassen bij de geallieerden. Later ontkende hij het auteurschap. Zoals de Kruppdynastie zich onmetelijk verrijkte met het produceren van alle denkbare oorlogstuig zwommen de Thyssens tussen de geldhaaien en brachten de mooiste vissen aan wal. Het ferme reukje dat aan hun activiteiten hing, verdoezelden ze met hun kunstcollecties die minder met liefde dan, alweer, met geldgewin en imago had te maken. Krupp schonk zijn enorme villa Hügel in Essen aan de deelstaat die er een uitstekend museum van maakte.Maar de vileine geschiedenis van de Thyssens is nog niet ten einde want zopas verscheen er een boek van de jonge Zwitserse journalist Sacha Batthyany die nu correspondent is in Washington. Destijds was hij deskjournalist bij de Neuen Zürcher Zeitung. Een collega liet hem op een dag een knipsel zien uit de weekendbijlage over een gebeurtenis uit de oorlogstijd met een foto waarop hij zijn groottante herkent, tante Margit. Het ging over een moordpartij tijdens de Tweede Wereldoorlog die tot dan onbekend was gebleven. In het Oostenrijks-Hongaars grensstadje Rechnitz stond het luxueuze landhuis van Margit Thyssen-Bornemisza, niet afkerig van de aandacht die de ingekwartierde SS-officieren haar schonken. Tijdens de kerstnacht van 1945, toen het voor veel van die officieren al duidelijk was dat de Führer de oorlog verloren had, organiseerde zij een party voor haar gasten waar overvloedig geschranst en gedronken werd. In het naburige spoorwegstation stonden ondertussen zowat tweehonderd joodse dwangarbeiders in de bijtende kou te wachten tot een vrachtwagen ze in groepjes kwam ophalen tot aan de grens van een bos en een weide. Toen ze allemaal ter plaatse waren, werd hen spaden gegeven en bevolen een gracht te graven. Ondertussen kreeg in het landhuis een hogere officier een telefoontje met het verzoek om een aantal aanwezigen te bewapenen en naar het nabijgelegen bos te sturen. Zo gebeurde en ze kregen daar het bevel de ondertussen naakte joden neer te schieten. Ze tuimelden in de zelfgegraven gracht. Tante Margit had zich bij het groepje officieren gevoegd en nam, met haar persoonlijke revolver, ijverig deel aan de slachtpartij. Daarna keerden ze met z'n allen terug naar het feest alsof er niets gebeurd was. Zo stond het ongeveer in de krant die de de jonge journalist onder ogen kreeg en enige tijd later begon hij aan een queeste die hem leidde naar familiegeheimen die hij uiteindelijk wilde ophelderen. Hij besloot de waarheid aan het licht te brengen en slaagde daar in na vele jaren research waarbij nog andere kwalijke familiehistories boven water kwamen. Het boek dat hij er over schreef is een spannende maar dramatische episode uit de Thyssen familiegeschiedenis die een scherp licht werpt op de ambiguïteit die gedurende vier generaties de clan heeft kunnen aanhouden : het commercieel succes, de kunstcollecties en de collaboratiepraktijken die naadloos in elkaar schoven.Und was hat das mit mir zu tun, Ein Verbrechen im märz 1945 -Die Geschichte meiner Familie, door Sacha Batthyany, uitgegeven Pastel Lübbe, Köln, 2017 - ISBN 978-3-404-60939-0