De staatshervormingen van de afgelopen decennia zijn er hoofdzakelijk gekomen omdat nogal wat dossiers op federaal niet op te lossen waren. De tegenstellingen waren te groot tussen de twee belangrijkste Gemeenschappen en de Gewesten. Een rétour vers l' unitarisme is helemaal geen garantie dat er dan plotseling beter en efficiënter zal bestuurd worden.

De zesde staatshervorming heeft een politiek systeem gecreëerd dat niet beleidsvriendelijk kan genoemd worden, ook een Bijzondere Financieringswet met te veel soorten dotaties en een ondoorzichtig oerwoud van parameters. Dat alles draagt niet bij tot een beter bestuur. De vele heterogene bevoegdheidspakketten zorgen ook al niet voor een beter bestuur. En alle verkiezingen op één dag houden is best niet voor herhaling vatbaar.

Maar laat ons eens nagaan of er nu teveel parlementsleden en regeringensleden zijn?

Parlementen

In het unitaire België tot 1995 bestond de kamer uit 212 leden en de Senaat uit 184 leden. Met andere woorden 396 voltijds te betalen verkozenen. Dan worden de Senatoren van rechtswege niet meegeteld en dat waren er toen drie. Er ware ook 27 Vlaamse provinciale afgevaardigden met een parlementaire wedde (anno 2020 nog 20) en tientallen meer provincieraadsleden dan vandaag.

Terugkeer naar unitarisme is geen garantie dat er plotseling beter en efficiënter bestuurd zal worden.

Het Duitstalig Parlement wordt al rechtstreeks verkozen sinds 1973 en bestaat uit 25 deeltijdse leden. Het Brussels Hoofdstedelijk Parlement wordt rechtstreeks verkozen sinds 1989 en kent 89 leden. Het Vlaamse Parlement wordt rechtstreeks verkozen sinds 1995 en heeft 124 zetels. Het Waalse Parlement is goed voor 75 verkozen leden sinds 1995. Het Parlement van de Franse Gemeenschap bestaat uit dubbelmandaten vanuit het Waals en het Brussels Parlement. Al deze parlementsleden van de deelstaten komen uit op 313 verkozenen, waarvan 25 deeltijdse te Eupen.

Met 1,1 miljoen inwoners valt het groot aantal parlementsleden op voor Brussel met liefst 89. Oorspronkelijk waren er dat 75, maar dat is verhoogd omdat het aantal Vlaamse verkozenen maar op 11 stond. De historische taalverdeling in het Brussels Gewest is er een van 80 procent Franstaligen en 20 procent Nederlandstaligen. Vandaag zijn er dus 17 Nederlanstalige leden en 72 Franstalige verkozenen.

Als men het aantal regionale parlementsleden opdeelt per taalrol, dan komt men uit op 25 deeltijdse Duitstaligen, 141 Nederlandstaligen ( 124 Vlaanderen en 17 Vlaamse Brusselaars ) en 147 Franstaligen ( 75 Waals gewest en 72 Franstalige Brusselaars ). Een bespreking van de vermindering van het aantal Brusselse parlementsleden wordt zeker gekoppeld aan de taalverdeelsleutel. Dat dossier is al even moeilijk dan de fusie van de Brusselse zes politiezones.

Vanaf 1995 is het aantal federale parlementsleden afgenomen tot de huidige 150 kamer leden en 60 Senatoren. Maar van die laatste zijn er enkel de 10 deeltijdse gecoöpteerde te betalen door de Senaat alsook het enige Duitstalige lid.

Zo komen we vandaag uit op 473 regionale parlementsleden, waarvan 35 deeltijdse (de Duitstaligen en de gecoöpteerde Senatoren). Tegenover de 396 uit het unitaire België is dat een vermeerdering.

Regeringen

De regionale regeringen tellen momenteel 34 leden, namelijk: de 9 Vlaamse Ministers, de 8 Brusselse (5 Ministers en 3 staatssecretarissen), 4 van de Duitstalige Regering, de 5 Franse Gemeenschapsregering en de 8 leden van de Waalse regering.

Verhoudingsgewijs heeft de Vlaamse regering weinig leden. Vooral de Duitstaligen hebben een omvangrijke regering , maar dat is ook het resultaat van een coalitie van drie partijen. Ook de split tussen het Waalse Gewest en de Gemeenschap leidt tot een veel omvangrijker aantal regeringsleden. Het feit dat de Brusselse regering uit bijna evenveel leden bestaat dan de Vlaamse, is ook het resultaat van een gegarandeerde Vlaamse aanwezigheid.

De federale regering-Michel telde 14 Ministers en 4 staatsecretarissen, daarvoor leidde Di Rupo het land met 13 Ministers en 6 staatssecretarissen. Sinds 1995 beperkt de grondwet het aantal federale Ministers tot 15. Maar het aantal staatssecretarissen is niet gelimiteerd.

De laatste regering-Martens telde 19 Ministers en 13 staatssecretarissen. Bovendien waren er toen ook al regionale regeringen in het kader van het dubbelmandaat. Als men de boeken politieke geschiedenis induikt, dan moet men concluderen dat er vroeger zeer omvangrijke federale regeringen bestonden: de tripartite van Wilfried Martens in 1980 telde bijvoorbeeld 27 Ministers en 9 staatsecretarissen.

Conclusie

Een federale staatsstructuur leidt tot meer regeringen en Parlementen. Gezien het versnipperd politiek landschap wordt het ook moeilijk om de aantallen van regeringsleden en parlementsleden te verminderen.

Enkele voortellen:

-heeft de Senaat nog nut?

-zijn er nog federale staatssecretarissen nodig?

- kan er gesaneerd worden in Brussel?

- zijn de Franstaligen bereid om iets te doen aan het afzonderlijk bestaan van Gemeenschap en Gewest?

- kan het Vlaams Parlement met minder leden?

-moet de Kamer nog 150 leden hebben als de Nederlandse Tweede Kamer er ook 150 telt?

Een sanering van het aantal politieke mandaten past zeker in een strategie politieke vernieuwing. Maar dat is geen garantie dat het beleid beter en anders zou worden.

En ten slotte blijft de meest belangrijke vraag: kan hierover een politieke meerderheid worden gevonden?

De staatshervormingen van de afgelopen decennia zijn er hoofdzakelijk gekomen omdat nogal wat dossiers op federaal niet op te lossen waren. De tegenstellingen waren te groot tussen de twee belangrijkste Gemeenschappen en de Gewesten. Een rétour vers l' unitarisme is helemaal geen garantie dat er dan plotseling beter en efficiënter zal bestuurd worden. De zesde staatshervorming heeft een politiek systeem gecreëerd dat niet beleidsvriendelijk kan genoemd worden, ook een Bijzondere Financieringswet met te veel soorten dotaties en een ondoorzichtig oerwoud van parameters. Dat alles draagt niet bij tot een beter bestuur. De vele heterogene bevoegdheidspakketten zorgen ook al niet voor een beter bestuur. En alle verkiezingen op één dag houden is best niet voor herhaling vatbaar.Maar laat ons eens nagaan of er nu teveel parlementsleden en regeringensleden zijn?In het unitaire België tot 1995 bestond de kamer uit 212 leden en de Senaat uit 184 leden. Met andere woorden 396 voltijds te betalen verkozenen. Dan worden de Senatoren van rechtswege niet meegeteld en dat waren er toen drie. Er ware ook 27 Vlaamse provinciale afgevaardigden met een parlementaire wedde (anno 2020 nog 20) en tientallen meer provincieraadsleden dan vandaag. Het Duitstalig Parlement wordt al rechtstreeks verkozen sinds 1973 en bestaat uit 25 deeltijdse leden. Het Brussels Hoofdstedelijk Parlement wordt rechtstreeks verkozen sinds 1989 en kent 89 leden. Het Vlaamse Parlement wordt rechtstreeks verkozen sinds 1995 en heeft 124 zetels. Het Waalse Parlement is goed voor 75 verkozen leden sinds 1995. Het Parlement van de Franse Gemeenschap bestaat uit dubbelmandaten vanuit het Waals en het Brussels Parlement. Al deze parlementsleden van de deelstaten komen uit op 313 verkozenen, waarvan 25 deeltijdse te Eupen. Met 1,1 miljoen inwoners valt het groot aantal parlementsleden op voor Brussel met liefst 89. Oorspronkelijk waren er dat 75, maar dat is verhoogd omdat het aantal Vlaamse verkozenen maar op 11 stond. De historische taalverdeling in het Brussels Gewest is er een van 80 procent Franstaligen en 20 procent Nederlandstaligen. Vandaag zijn er dus 17 Nederlanstalige leden en 72 Franstalige verkozenen. Als men het aantal regionale parlementsleden opdeelt per taalrol, dan komt men uit op 25 deeltijdse Duitstaligen, 141 Nederlandstaligen ( 124 Vlaanderen en 17 Vlaamse Brusselaars ) en 147 Franstaligen ( 75 Waals gewest en 72 Franstalige Brusselaars ). Een bespreking van de vermindering van het aantal Brusselse parlementsleden wordt zeker gekoppeld aan de taalverdeelsleutel. Dat dossier is al even moeilijk dan de fusie van de Brusselse zes politiezones. Vanaf 1995 is het aantal federale parlementsleden afgenomen tot de huidige 150 kamer leden en 60 Senatoren. Maar van die laatste zijn er enkel de 10 deeltijdse gecoöpteerde te betalen door de Senaat alsook het enige Duitstalige lid. Zo komen we vandaag uit op 473 regionale parlementsleden, waarvan 35 deeltijdse (de Duitstaligen en de gecoöpteerde Senatoren). Tegenover de 396 uit het unitaire België is dat een vermeerdering.De regionale regeringen tellen momenteel 34 leden, namelijk: de 9 Vlaamse Ministers, de 8 Brusselse (5 Ministers en 3 staatssecretarissen), 4 van de Duitstalige Regering, de 5 Franse Gemeenschapsregering en de 8 leden van de Waalse regering.Verhoudingsgewijs heeft de Vlaamse regering weinig leden. Vooral de Duitstaligen hebben een omvangrijke regering , maar dat is ook het resultaat van een coalitie van drie partijen. Ook de split tussen het Waalse Gewest en de Gemeenschap leidt tot een veel omvangrijker aantal regeringsleden. Het feit dat de Brusselse regering uit bijna evenveel leden bestaat dan de Vlaamse, is ook het resultaat van een gegarandeerde Vlaamse aanwezigheid. De federale regering-Michel telde 14 Ministers en 4 staatsecretarissen, daarvoor leidde Di Rupo het land met 13 Ministers en 6 staatssecretarissen. Sinds 1995 beperkt de grondwet het aantal federale Ministers tot 15. Maar het aantal staatssecretarissen is niet gelimiteerd. De laatste regering-Martens telde 19 Ministers en 13 staatssecretarissen. Bovendien waren er toen ook al regionale regeringen in het kader van het dubbelmandaat. Als men de boeken politieke geschiedenis induikt, dan moet men concluderen dat er vroeger zeer omvangrijke federale regeringen bestonden: de tripartite van Wilfried Martens in 1980 telde bijvoorbeeld 27 Ministers en 9 staatsecretarissen.Een federale staatsstructuur leidt tot meer regeringen en Parlementen. Gezien het versnipperd politiek landschap wordt het ook moeilijk om de aantallen van regeringsleden en parlementsleden te verminderen. Enkele voortellen: -heeft de Senaat nog nut?-zijn er nog federale staatssecretarissen nodig?- kan er gesaneerd worden in Brussel? - zijn de Franstaligen bereid om iets te doen aan het afzonderlijk bestaan van Gemeenschap en Gewest?- kan het Vlaams Parlement met minder leden?-moet de Kamer nog 150 leden hebben als de Nederlandse Tweede Kamer er ook 150 telt?Een sanering van het aantal politieke mandaten past zeker in een strategie politieke vernieuwing. Maar dat is geen garantie dat het beleid beter en anders zou worden. En ten slotte blijft de meest belangrijke vraag: kan hierover een politieke meerderheid worden gevonden?