Herman Matthijs (UGent, VUB)

‘De Europese begroting: wie betaalt?’

In deze bijdrage staat professor Herman Matthijs (VUB en UGent) stil bij definanciering van de begroting van de Europese Unie.

Op 9 juni trekken de kiezers naar de stembus om de dertien Vlaamse leden te verkiezen in het Europees Parlement. Omdat er op die dag ook federale en regionale verkiezingen plaatsvinden, is de kans zeer groot dat de Europese thema’s helemaal niet aan bod komen in de electorale campagne.

Dit artikel behandelt de financiering van de begroting van de Europese Unie (EU) en gaat in op de desbetreffende problematische verdeling aan de ontvangstenzijde.  

In de begroting 2024 zijn er 136,5 miljard euro aan eigen middelen geraamd voor de ontvangstenzijde van de EU-begroting.  De overige 6 miljard aan inkomsten zijn afkomstig van belastingen op de wedden van de EU-ambtenaren en vooral de Britse bijdrage als gevolg van het uittredingsverdrag. 

Maar welke lidstaten betalen nu vooral die eigen middelen voor de EU-schatkist? Hierna volgt de lijst van de tien lidstaten met de hoogste nominale en procentuele bijdrage aan de Europese begroting.

  1. Duitsland:   30,1 miljard euro of 22,1% aandeel,
  2. Frankrijk:     23,4 miljard euro of 17,1%,
  3. Italië:           17,2 miljard euro of 12,6%,
  4. Spanje:        12,6 miljard euro of 9,2%,
  5. Nederland:   8,3 miljard euro of 6,1%,
  6. Polen:            7,2 miljard euro of 5,2%,
  7. België:            6,2 miljard euro of 4,5%,
  8. Ierland:          3,3 miljard euro of 2,4%,
  9. Zweden:         3,2 miljard euro of 2,3%,
  10. Oostenrijk:     3 miljard euro of 2,2%.

Al de andere 17 lidstaten geven minder dan 3 miljard euro aan de EU-begroting en hun aandeel is ook minder dan 2 procent.  Opmerkelijk is ook dat er in deze top-tien maar één nieuwe lidstaat in staat, namelijk Polen. Hiermee is het duidelijk dat de 13 nieuwe lidstaten van deze eeuw budgettair bepaald geen aanwinst zijn geweest voor de EU-begroting.

De drie grootste betalers zijn goed voor 52 procent van de eigen middelen. Als men daarbij de drie Benelux-landen telt en zo de groep krijgt van de oorspronkelijke leden van de EEG, dan betalen die zes landen 63 procent van de huidige eigen middelen van de EU-schatkist. Dat is dus bijna twee derde. Trouwens de drie Benelux-landen samen zijn goed voor een aandeel van 11 procent in de begroting 2024 en dat is meer dan bijvoorbeeld Spanje. De drie Scandinavische EU-landen (Denemarken, Finland en Zweden  zijn samen goed voor een aandeel van 5,8 procent in de eigen middelen 2024.

De 14 lidstaten van de Europese Unie uit de 20ste eeuw betalen, in de begroting 2024, nog steeds 85,75 procent van de eigen middelen.

Het aantal netto-betalers onder de lidstaten is een groep van negen landen, namelijk: de Bondsrepubliek, Zweden, Frankrijk, Nederland, Oostenrijk, Finland, Denemarken, Ierland en Italië. Dat zijn dus allemaal landen die meer betalen aan de EU, dan ze terugkrijgen uit de EU-begroting.   

België en Luxemburg zijn twistpunten omdat men voor deze beide landen de aanwezigheid meetelt van de talrijke EU-instellingen (Brussel en Luxemburg-stad). Men gaat ervanuit dat deze locaties opbrengsten zijn voor beide lidstaten. Zonder die telling, zijn beide landen ook netto-betalers aan de Europese Unie.

Conclusie

De uitbreiding van de Unie naar het Oosten heeft zeker geen rijkere landen aan boord gebracht. Maar de enige rijkere Europese landen die nog interessant zouden zijn voor de Europese begroting zijn Noorwegen en Zwitserland. Deze landen behoren tot de EFTA (European Free Trade Association), samen met Liechtenstein en IJsland. Maar zowel Oslo als Bern, hebben al lang berekend dat het EFTA-lidmaatschap veel goedkoper is dan dat van de Europese Unie.

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content