Hebben de maatregelen van de regering-Michel 200.000 of zelfs 300.000 nieuwe banen gecreëerd, zoals de voorstanders ervan beweren? De totale werkgelegenheidscijfers lijken deze vaststelling te bevestigen: in 2018 telde de arbeidsmarkt 200.000 werknemers meer dan in 2014.

© .

Maar een nauwkeuriger observatie van de cijfers leidt tot heel andere conclusies.

Ten eerste werd de helft van deze banen gecreëerd als tijdelijke banen, terwijl in de periode 2000-2014 de totaliteit van de jobgroei ten gunste van vaste banen was. De gemiddelde groei van het BBP was in beide periode nochtans van dezelfde grootte-orde (1,7%).

Nee, de regering-Michel heeft geen '300.000 nieuwe banen gecreëerd'.

Bovendien voordoet die aangroei van vaste banen in de periode 2014-2018 zich volledig in de leeftijdsgroep van 55- tot 64-jarigen, waar er 140.000 vaste jobs bijkwamen. In de leeftijdsgroep van 15- tot 54-jarigen daarentegen dáálde het aantal vaste jobs zelfs met 40.000 eenheden.

© .

Omgekeerd is de groei van de tijdelijke werkgelegenheid geconcentreerd in de leeftijdsgroep van de 15-54-jarigen (97.000 van de 103.000).

Van 2015 tot 2018 zouden alle gecreëerde vaste banen dus hebben geleid tot de aanwerving van 55-plussers. Dit zou een ernstige anomalie zijn ten aanzien van de normale werking van de arbeidsmarkt, aangezien nieuwe banen over het algemeen worden toegewezen aan jongere werknemers of zelfs nieuwkomers op de arbeidsmarkt. Hoe kan dit fenomeen uitgelegd worden?

Dit kan niet worden uitgelegd door de vergrijzing van de bevolking: de bevolking van de 55-64-jarigen is slechts met 85.000 eenheden toegenomen, verre van de 140.000 extra werknemers in deze leeftijdsgroep.

Ook is het niet te wijten aan een daling van de werkloosheid onder 55-64-jarigen, waaronder er slechts 30.000 werklozen zijn, een cijfer dat niet gedaald is sinds 2015.

Wel is tussen 2014 en 2018 het aantal 55-64-jarigen dat behoort tot de zogenaamde 'actieve bevolking' sterk toegenomen : er zijn heel wat mensen in die leeftijdscategorie bijgekomen die of werken, of werkzoekend zijn (en dus 'actief' zijn op de arbeidsmarkt, in tegenstelling tot zogenaamde 'inactieven', zoals studenten, of arbeidsongeschikten, of gepensioneerden). Het gaat om 145.000 extra 'actieven' - een cijfer dat bijna exact overeenkomt met dat van de werkgelegenheidsgroei in dezelfde leeftijdscategorie. Er is dus duidelijk een verband tussen deze twee cijfers. Wat zit er dus achter deze stijging van de activiteitsgraad in de leeftijdscategorie 55- tot 64-jarigen ?

Het gaat niet om plotseling genezen patiënten: integendeel, het aantal arbeidsongeschikten neemt toe bij oudere werknemers. Er zijn nauwelijks studenten onder de oudere werknemers die met hun studie massaal zouden hebben stoppen om werk te zoeken. Het enige wat overblijft is pensioen. We weten echter dat de regering-Michel de voorwaarden voor vervroegde uittreding heeft aangescherpt, om zo mensen langer aan het werk te houden. Dit heeft geleid tot een historische verhoging van de pensioenleeftijd: + 18 maanden sinds 2014.

© .

Als mechanische gevolg van deze ontwikkeling werden de ongeveer 36.000 oudere werknemers die niet met pensioen konden gaan en hun baan konden behouden als werknemers opgenomen bij elke jaarlijkse telling van het aantal werknemers in dienst. Van jaar tot jaar verschijnen ze als "extra" werknemers, terwijl ze gewoon hun vorige baan hebben behouden.

© .

Hier ligt alvast de verklaring voor 145.000 van de 200.000 'nieuwe' banen die onder de regering-Michel gecreëerd zouden zijn : het zijn geen nieuwe banen die er voordien nog niet waren, maar om banen van oudere werknemers die langer aangehouden werden omdat de effectieve pensioenleeftijd verhoogd werd.

De echte jobcreatie vinden we dus bij de 15-54-jarigen. In deze leeftijdsgroep is het aantal vaste banen echter niet toegenomen, maar gedaald met 40.000 eenheden (-10.000 per jaar), terwijl het sinds 2000 met 14.000 eenheden per jaar is toegenomen. Alleen de tijdelijke werkgelegenheid van deze leeftijdsgroep is sinds 2015 (aanzienlijk) toegenomen : + 96.000 eenheden, of 24.000 per jaar (+ 30,2%).

Met inbegrip van tijdelijke arbeidovereenkomsten en interim werk wordt tijdelijk werk over het algemeen als onzeker werk beschouwd. Er zijn echter pogingen ondernomen om de werkonzekerheid als gevolg van de het toenemende aandeel van tijdelijk werk te betwisten, door deze te presenteren als een eenvoudige vervanging van de onlangs geschrapte proefperiode: omdat de proefperiode is afgeschaft, zouden werkgevers nu, ter vervanging hiervan, vaste jobs laten voorafgaan door een periode van tijdelijk werk. Dit tijdelijk werk zou dus niet moeten beschouwd worden als een vervanging van, maar als een voorafname op vast werk. Deze stelling kan echter niet worden gevolgd: dit zou hebben vereist dat de toename van het aantal vaste banen parallel met het aantal tijdelijke banen zou hebben plaatsgevonden, zij het een paar maanden later, maar in hetzelfde algemene tempo. Integendeel neemt de vaste tewerkstelling van de 15-54-jarigen in vaste dienst echter af tussen 2015 en 2018.

De echte staat van dienst van de regering-Michel op het gebied van werkgelegenheid kan dan worden samengevat in de volgende punten:

  • 145.000 van de 200.000 als extra getelde banen zijn in werkelijkheid slechts verlengingen van de reeds bestaande banen bij het begin van de legislatuur, als gevolg van de verhoging van de effectieve pensioenleeftijd.
  • Zonder loopbaanuitbreiding was de creatie van echt nieuwe banen van 2015 tot 2018 niet belangrijker dan sinds 2000: 56.000 eenheden in totaal (+ 96.000 tijdelijke banen - 40.000 vaste banen), of 14.000 per jaar, hetzelfde cijfer als het jaargemiddelde van de vorige periode.
  • De onzekerheid op de arbeidsmarkt is aanzienlijk toegenomen: in vergelijking met de vorige periode zijn er 24.000 minder vaste banen per jaar in de leeftijdsgroep van 15-54 jaar (14.000 niet gecreëerde banen + 10.000 verloren banen), vervangen door 24.000 meer tijdelijke banen per jaar (96.000/4).

Als deze resultaten kunnen worden toegeschreven aan de maatregelen van de regering-Michel is het toegestaan te overwegen of het wenselijk is deze te verlengen. Maar in elk geval, door te beweren dat deze maatregelen hebben geleid tot een jobcreatie van 200.000 of meer banen, misleiden de aanhangers ervan de bevolking.

Alessandro Grumelli is economist en jurist, voormalig vakbondsvertegenwoordiger bij de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven. Momenteel werkt hij als onderzoeker in een sociaal-economische openbare instelling. Hij schrijft deze opinie in eigen naam. Een Franse versie van deze bijdrage verscheen eerder op de site van de RTBF. Een uitgebreide versie kan u lezen op de website www.analyses-sociales.org.

Hebben de maatregelen van de regering-Michel 200.000 of zelfs 300.000 nieuwe banen gecreëerd, zoals de voorstanders ervan beweren? De totale werkgelegenheidscijfers lijken deze vaststelling te bevestigen: in 2018 telde de arbeidsmarkt 200.000 werknemers meer dan in 2014.Maar een nauwkeuriger observatie van de cijfers leidt tot heel andere conclusies. Ten eerste werd de helft van deze banen gecreëerd als tijdelijke banen, terwijl in de periode 2000-2014 de totaliteit van de jobgroei ten gunste van vaste banen was. De gemiddelde groei van het BBP was in beide periode nochtans van dezelfde grootte-orde (1,7%).Bovendien voordoet die aangroei van vaste banen in de periode 2014-2018 zich volledig in de leeftijdsgroep van 55- tot 64-jarigen, waar er 140.000 vaste jobs bijkwamen. In de leeftijdsgroep van 15- tot 54-jarigen daarentegen dáálde het aantal vaste jobs zelfs met 40.000 eenheden.Omgekeerd is de groei van de tijdelijke werkgelegenheid geconcentreerd in de leeftijdsgroep van de 15-54-jarigen (97.000 van de 103.000). Van 2015 tot 2018 zouden alle gecreëerde vaste banen dus hebben geleid tot de aanwerving van 55-plussers. Dit zou een ernstige anomalie zijn ten aanzien van de normale werking van de arbeidsmarkt, aangezien nieuwe banen over het algemeen worden toegewezen aan jongere werknemers of zelfs nieuwkomers op de arbeidsmarkt. Hoe kan dit fenomeen uitgelegd worden? Dit kan niet worden uitgelegd door de vergrijzing van de bevolking: de bevolking van de 55-64-jarigen is slechts met 85.000 eenheden toegenomen, verre van de 140.000 extra werknemers in deze leeftijdsgroep. Ook is het niet te wijten aan een daling van de werkloosheid onder 55-64-jarigen, waaronder er slechts 30.000 werklozen zijn, een cijfer dat niet gedaald is sinds 2015.Wel is tussen 2014 en 2018 het aantal 55-64-jarigen dat behoort tot de zogenaamde 'actieve bevolking' sterk toegenomen : er zijn heel wat mensen in die leeftijdscategorie bijgekomen die of werken, of werkzoekend zijn (en dus 'actief' zijn op de arbeidsmarkt, in tegenstelling tot zogenaamde 'inactieven', zoals studenten, of arbeidsongeschikten, of gepensioneerden). Het gaat om 145.000 extra 'actieven' - een cijfer dat bijna exact overeenkomt met dat van de werkgelegenheidsgroei in dezelfde leeftijdscategorie. Er is dus duidelijk een verband tussen deze twee cijfers. Wat zit er dus achter deze stijging van de activiteitsgraad in de leeftijdscategorie 55- tot 64-jarigen ?Het gaat niet om plotseling genezen patiënten: integendeel, het aantal arbeidsongeschikten neemt toe bij oudere werknemers. Er zijn nauwelijks studenten onder de oudere werknemers die met hun studie massaal zouden hebben stoppen om werk te zoeken. Het enige wat overblijft is pensioen. We weten echter dat de regering-Michel de voorwaarden voor vervroegde uittreding heeft aangescherpt, om zo mensen langer aan het werk te houden. Dit heeft geleid tot een historische verhoging van de pensioenleeftijd: + 18 maanden sinds 2014.Als mechanische gevolg van deze ontwikkeling werden de ongeveer 36.000 oudere werknemers die niet met pensioen konden gaan en hun baan konden behouden als werknemers opgenomen bij elke jaarlijkse telling van het aantal werknemers in dienst. Van jaar tot jaar verschijnen ze als "extra" werknemers, terwijl ze gewoon hun vorige baan hebben behouden.Hier ligt alvast de verklaring voor 145.000 van de 200.000 'nieuwe' banen die onder de regering-Michel gecreëerd zouden zijn : het zijn geen nieuwe banen die er voordien nog niet waren, maar om banen van oudere werknemers die langer aangehouden werden omdat de effectieve pensioenleeftijd verhoogd werd.De echte jobcreatie vinden we dus bij de 15-54-jarigen. In deze leeftijdsgroep is het aantal vaste banen echter niet toegenomen, maar gedaald met 40.000 eenheden (-10.000 per jaar), terwijl het sinds 2000 met 14.000 eenheden per jaar is toegenomen. Alleen de tijdelijke werkgelegenheid van deze leeftijdsgroep is sinds 2015 (aanzienlijk) toegenomen : + 96.000 eenheden, of 24.000 per jaar (+ 30,2%). Met inbegrip van tijdelijke arbeidovereenkomsten en interim werk wordt tijdelijk werk over het algemeen als onzeker werk beschouwd. Er zijn echter pogingen ondernomen om de werkonzekerheid als gevolg van de het toenemende aandeel van tijdelijk werk te betwisten, door deze te presenteren als een eenvoudige vervanging van de onlangs geschrapte proefperiode: omdat de proefperiode is afgeschaft, zouden werkgevers nu, ter vervanging hiervan, vaste jobs laten voorafgaan door een periode van tijdelijk werk. Dit tijdelijk werk zou dus niet moeten beschouwd worden als een vervanging van, maar als een voorafname op vast werk. Deze stelling kan echter niet worden gevolgd: dit zou hebben vereist dat de toename van het aantal vaste banen parallel met het aantal tijdelijke banen zou hebben plaatsgevonden, zij het een paar maanden later, maar in hetzelfde algemene tempo. Integendeel neemt de vaste tewerkstelling van de 15-54-jarigen in vaste dienst echter af tussen 2015 en 2018.De echte staat van dienst van de regering-Michel op het gebied van werkgelegenheid kan dan worden samengevat in de volgende punten: Als deze resultaten kunnen worden toegeschreven aan de maatregelen van de regering-Michel is het toegestaan te overwegen of het wenselijk is deze te verlengen. Maar in elk geval, door te beweren dat deze maatregelen hebben geleid tot een jobcreatie van 200.000 of meer banen, misleiden de aanhangers ervan de bevolking.Alessandro Grumelli is economist en jurist, voormalig vakbondsvertegenwoordiger bij de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven. Momenteel werkt hij als onderzoeker in een sociaal-economische openbare instelling. Hij schrijft deze opinie in eigen naam. Een Franse versie van deze bijdrage verscheen eerder op de site van de RTBF. Een uitgebreide versie kan u lezen op de website www.analyses-sociales.org.