Die vijf parameters vergeleek Peersman met de resultaten van andere Europese landen. Twee vaststellingen springen bijzonder in het oog. Eén: de verlaging van de loonkosten heeft niet voor extra jobs gezorgd. Er is wel een verhoging van de winstmarges van de bedrijven. Twee: de afgelopen vijf jaar is de koopkracht van een gemiddeld gezin met 1000 euro gestegen, maar als onze koopkracht de evolutie van onze buurlanden had gevolgd, zou dat ruim 2300 euro zijn geweest. Tot slot ontdekt Peersman ook een olifant in de kamer.
...

Die vijf parameters vergeleek Peersman met de resultaten van andere Europese landen. Twee vaststellingen springen bijzonder in het oog. Eén: de verlaging van de loonkosten heeft niet voor extra jobs gezorgd. Er is wel een verhoging van de winstmarges van de bedrijven. Twee: de afgelopen vijf jaar is de koopkracht van een gemiddeld gezin met 1000 euro gestegen, maar als onze koopkracht de evolutie van onze buurlanden had gevolgd, zou dat ruim 2300 euro zijn geweest. Tot slot ontdekt Peersman ook een olifant in de kamer.De economische groei is de eerste parameter die Gert Peersman onder de loep nam. 'De regering-Michel kan op het eerste gezicht met mooie groeicijfers uitpakken', zegt hij. 'Tussen 2014 en 2018 is de Belgische economie met 6,3 procent gegroeid. Maar als we de groeicijfers van de andere landen van de eurozone erbij nemen, zien we dat dit maar povertjes is. De gemiddelde groei daar bedroeg 8,2 procent. België zit dus in de staart van het Europese peloton. Alleen Frankrijk (5,9 procent groei), Italië (4,5 procent) en Griekenland (2,8 procent) deden het slechter.' Mogen we de komende jaren misschien een groeispurt verwachten, die onze achterstand goedmaakt? Peersman moet ons ontgoochelen: 'Voor dit en volgend jaar samen wordt voor België een economische groei van 2,5 procent voorspeld, voor de hele eurozone 2,9 procent. We hangen op de op één na laatste plaats, alleen Italië strompelt met 1 procent verwachte groei nog achter ons aan.' Is onze economische groei in vergelijking met de rest van Europa misschien zo laag omdat die landen meer hebben afgezien van de economische crisis die in 2008 uitbrak, en hun betere groeicijfers nu een inhaalbeweging zijn? Peersman: 'Dat kan meespelen. België hield tijdens de crisis beter stand, maar dat kan niet alles verklaren. Een hele reeks landen deden het tijdens de crisis even goed of zelfs beter dan België én konden de afgelopen vijf jaar opnieuw betere groeicijfers voorleggen.' Een eerste conclusie is duidelijk: onze economie is de voorbije vijf jaar bijna 2 procentpunt minder gegroeid dan die van de rest van Europa. Peersman liet twee economische modellen berekenen hoeveel onze economie normaal had moeten groeien, op basis van de internationale conjunctuur en onze situatie vóór 2015. Peersman: 'Beide modellen vertellen dat we 2,5 procentpunt groei minder hadden dan we mochten verwachten.' Hoe komt het dat we tussen 2014 en 2018 2 tot 2,5 procentpunt minder zijn gegroeid dan we hadden mogen verwachten? Daarvoor kunnen een hele reeks redenen worden aangegeven. Een daarvan is zeker onze productiviteit. Ooit werd België daarvoor geroemd, maar sinds enige tijd slabakt onze productiviteitsgroei. Peersman: 'Terwijl in de eurozone de productiviteit sinds 2014 met 2,6 procent is toegenomen, was dat in ons land slechts met 1,6 procent. Maar in 5 van de 19 landen van de eurozone stijgt de productiviteit nog minder: Cyprus, Italië, Portugal, Luxemburg en Griekenland. Dat is niet goed.' En hoe zit het met de 'jobs, jobs, jobs'? De regering-Michel pakt er graag mee uit dat er dankzij haar 254.000 extra jobs bij zijn gekomen. 'Dat klopt,', zegt Peersman, 'maar laten we dat cijfer eens toetsen aan de jobgroei in de rest van Europa, en aan wat we mochten verwachten op basis van de internationale conjunctuur.' Peersman duikelt in zijn cijfers: 'Terwijl in België tussen 2014 en 2018 het aantal jobs met 4,8 procent toenam, namen ze in de landen van de eurozone met 5,5 procent toe. Als het aantal jobs bij ons even sterk was gestegen als het gemiddelde in de eurozone, dan hadden er ruim 30.000 jobs méér bij moeten komen. En als ik de economische modellen laat berekenen hoeveel jobs er bij hadden moeten komen op basis van de internationale conjunctuur, dan hadden er dat 36.000 méér moeten zijn dan vandaag. Dat zet die 254.000 extra jobs in een ander daglicht. Eigenlijk moesten er tijdens de regering-Michel 290.000 banen bij zijn gekomen.' Qua jobcreatie presteerde België dus ondermaats en ook daarvoor zijn meerdere redenen aan te halen. Peersman wijst op het verband tussen economische groei en jobcreatie: 'Is er onvoldoende groei omdat er onvoldoende jobs bij kwamen? Of komen er onvoldoende jobs bij omdat er onvoldoende groei is? Dat is de vraag van de kip of het ei. Maar het is duidelijk dat de Belgische economische groei, productiviteitsgroei én jobgroei de afgelopen vijf jaar onder het Europees gemiddelde lagen. Dat moet ons zorgen baren.' De regering-Michel wou de concurrentiekracht herstellen en voerde daarom een beleid van loonmatiging, met een indexsprong en met de taxshift, waarbij de lasten op arbeid verschoven naar vervuiling, consumptie en vermogen. De resultaten daarvan zijn te merken: de afgelopen vijf jaar zijn onze uurloonkosten met 3,9 procent gestegen. Dat is minder dan in de eurozone (5,7 procent), of in onze buurlanden (Nederland 4,4 procent, Frankrijk 4,8 procent, Duitsland 9,9 procent). Volgens de Nationale Bank zorgde de loonmatiging voor 50.000 extra jobs, een studie van de KU Leuven spreekt zelfs van 90.000 banen. Peersman schudt het hoofd: 'Die studies voorspellen op basis van gemiddelden in het verleden hoeveel jobs er bij hadden moeten komen dankzij de loonmatiging. Maar niemand heeft gecheckt of die aantallen ook daadwerkelijk zijn gehaald. Volgens mijn berekeningen moest de loonmatiging 61.000 extra jobs opleveren, maar die zie ik niet. Ik heb net aangetoond dat er in ons land minder jobs bij zijn gekomen dan we op basis van de internationale conjunctuur hadden mogen verwachten. Ik kan dan ook niet anders dan besluiten dat de taxshift géén extra jobs heeft opgeleverd.' Samenvattend: de afgelopen vijf jaar zijn er 254.000 jobs bij gekomen, maar dat hadden er op basis van de internationale conjunctuur en in vergelijking met de rest van Europa bijna 290.000 moeten zijn. Tel daar nog eens die 61.000 jobs bij die de loonkostenverlaging had moeten opleveren, dan hadden er tijdens de afgelopen regeerperiode zo'n 350.000 jobs extra bij gekomen moeten zijn. 'Klopt,', zegt Peersman, 'en ik vraag het me ook af: waar zijn die 100.000 missing jobs?' Peersman komt zelf met een verklaring: 'Lagere loonkosten leiden tot meer banen als de bedrijven dat doorberekenen in hun prijzen en die (deels) laten zakken. Want lagere prijzen zorgen voor meer vraag van binnenlandse en buitenlandse consumenten naar onze producten, en daarvoor zijn extra werknemers nodig. Dat cruciale mechanisme heeft ook in het verleden voor extra banen gezorgd bij loonmatiging. Maar wat gebeurde er tijdens deze regeerperiode? De prijzen van in België geproduceerde goederen en diensten stegen met 5,8 procent, terwijl dat in de eurozone en onze buurlanden slechts met 4,8 procent was.' Hoe komt dat? Peersman: 'Niet door de stijging van onze loonkosten, want die was bij ons lager. De belastingen - btw en accijnzen - verhoogden bij ons de prijzen met 1 procent als gevolg van de taxshift, in onze buurlanden met 0,9 procent, dus dat maakt niet het grote verschil. Het verschil zit hem in een stijging van de brutowinstmarge: in ons land leidde die tot een verhoging van de prijzen met 3,2 procent, in de eurozone met 2,3 procent, en in onze buurlanden met 1,8 procent. De brutowinstmarge nam in België dus bijna dubbel zoveel toe als in onze buurlanden en dan krijg je het omgekeerde effect van een loonmatiging: de economische groei en jobcreatie worden afgeremd. De abnormale stijging van de prijzen en van de winstmarges: dat is de olifant in de kamer.' Die verhoging van de winstmarges in ons land is géén inhaalbeweging, beklemtoont Peersman. Uit cijfers vanaf 1999 blijkt dat de winstmarges in ons land al sinds langere tijd meer stijgen dan in onze buurlanden of de eurozone, en na 2015 is die evolutie nog versneld. Peersman merkt ook op dat dit níét geldt voor onze exportprijzen: die zijn minder gestegen dan in de buurlanden. Het zijn dus vooral de prijzen en winstmarges van de producten voor binnenlandse consumptie die opvallend de pan uit swingen: ze stijgen 2 tot 3 procentpunt meer dan in onze buurlanden. Peersman: 'En in verschillende sectoren waar de prijzen de voorbije vijf jaren meer dan gemiddeld zijn gestegen door hogere winstmarges zijn er relatief weinig jobs bij gekomen, bijvoorbeeld in de horeca, de bouw, de financiële sector en de informatie- en communicatiesector.' Peersman vat samen: 'De hogere prijzen remmen de vraag naar Belgische producten in eigen land af. Daardoor is de toename van de productie en de werkgelegenheid bij ons geringer dan in de buurlanden, en dat leidt ertoe dat onze economische groei ondermaats is.' Mogen we concluderen dat de indexsprong en de taxshift niet voor meer werkgelegenheid maar wel voor meer bedrijfswinst hebben gezorgd en dus vooral de aandeelhouders ten goede zijn gekomen? Peersman: 'Ze hebben in ieder geval het loonmatigingsbeleid tenietgedaan, waardoor er netto geen extra banen bij zijn gekomen. In plaats van de verlaging van de loonkosten door te berekenen in de prijzen, wat voordelig zou zijn voor de consumenten, werden de prijzen verhoogd zodat de bruto winstmarges zelfs meer stegen dan de loonkostendaling. Of de aandeelhouders daarvan hebben geprofiteerd is niet eens zeker. De winstmarges zijn wel hoger, maar door de hogere prijzen en lagere macro-economische groei daalt de omzet. De welvaart gaat erop achteruit omdat er een kleinere taart wordt gebakken.' Hoe zit het met onze koopkracht? In de aanloop naar de verkiezingen is er tussen de politieke partijen veel gehakketak over de vraag of de koopkracht, die weergeeft hoeveel een gezin gemiddeld kan kopen, de voorbije jaren is gestegen of gedaald. Gert Peersman berekende de evolutie van onze koopkracht tussen 2014 en 2018. Het reëel beschikbare inkomen - dat is het inkomen na belastingen en gecorrigeerd voor inflatie, de stijging van de levensduurte - van alle Belgen samen is in die periode met 4,3 procent gestegen. Dat klinkt mooi, maar in de eurozone blijkt die stijging gemiddeld 6 procent te zijn. De koopkracht van alle Belgische gezinnen nam dus veel minder toe dan gemiddeld in de eurozone. Die 4,3 procent stijging van het reëel beschikbare inkomen geldt voor alle burgers samen, maar de afgelopen jaren is de bevolking in ons land toegenomen. Begin 2014 telde België 11,1 miljoen inwoners, begin dit jaar 11,4 miljoen. Daarom berekende Peersman hoeveel het reëel beschikbare inkomen per hoofd van de bevolking is gestegen: in België was dat 2,2 procent, in de eurozone 4,8 procent. Peersman: 'Dat de koopkracht lager ligt, heeft te maken met de hogere prijzen in ons land. Maar natuurlijk speelt ook onze zwakkere economische groei een rol: de koek die we moeten verdelen groeit minder hard dan in andere Europese landen. Bovendien moeten we die koek ook nog eens over meer monden verdelen. Gevolg is dat het reëel beschikbare inkomen per Belg veel minder is toegenomen dan het gemiddelde van de eurozone.' Peersman plakt er een concreet bedrag op: 'De koopkracht van een gemiddeld gezin in België is onder de regering-Michel met meer dan 1000 euro gestegen. Als wij dezelfde evolutie hadden gekend als het Europese gemiddelde, zou onze koopkracht met ruim 2300 euro gestegen zijn. Met andere woorden: in vergelijking met die andere landen zijn we zeker de helft van de koopkrachtstijging misgelopen. Onze koopkracht is dus bescheiden gestegen in vergelijking met onze buurlanden, én die stijging is ook nog eens ongelijk verdeeld. Mensen die bij de start van de regering-Michel al een job hadden, zagen slechts een zeer beperkte toename. Werknemers die geen loonschaalverhoging hebben gekend, kunnen zelfs een daling van de koopkracht hebben gehad, als het verlies door de indexsprong groter was dan de winst door de taxshift.' Er zijn studies die vertellen dat de koopkracht van mensen met lage lonen meer dan gemiddeld is gestegen dankzij de taxshift, zegt Peersman, 'maar de koopkracht nam vooral toe bij de mensen die in de afgelopen vijf jaar een baan hebben gevonden. En zo komen we weer terug bij het probleem van onze lage jobcreatie: als er in ons land evenveel banen bij waren gekomen als in onze buurlanden, hadden nog meer mensen aan de slag kunnen gaan, was de koopkracht nog meer toegenomen en zou onze economie meer gegroeid zijn.' Daarbij doet Peersman nog een aantal opmerkelijke vaststellingen. 'Ondanks het feit dat onze koopkracht minder is toegenomen dan elders in Europa, bleven de gezinnen toch gewoon consumeren zoals we dat volgens de internationale conjunctuur mochten verwachten. Anders gezegd, de Belg hield de vinger niet op de knip. Maar mede door de prijsstijging van binnenlandse producten kochten we meer importgoederen.' De Belg, lange tijd spaarkampioen van Europa, ging ook minder sparen. Peersman: 'De spaarquote, dat is het deel van het inkomen dat de gezinnen niet gebruiken voor consumptie maar sparen, daalde tijdens de regeerperiode van Michel van 12,5 procent naar 11 procent. Je kunt denken dat dit te maken heeft met de lage rente: sparen brengt niet veel meer op. Maar kijk naar de evolutie van de gemiddelde spaarquote in de eurozone, waar de rente even laag staat: die daalde van 12,5 procent naar 11,9 procent. De Belg is dus minder gaan sparen dan andere Europeanen.' Tegelijkertijd ziet Peersman nog een andere beweging: 'De Belg ging de afgelopen vijf jaar meer lenen, en duidelijk veel meer dan andere Europeanen. De schuldgraad van de Belgische gezinnen is in die periode met 5,8 procent gestegen, terwijl die in de eurozone gemiddeld met 4,7 procent is gedaald. In de praktijk stak de Belg zich vooral meer in de schulden voor de aankoop van vastgoed.' Tot slot keek Peersman ook naar de begroting. Het begrotingstekort bedroeg in 2014 nog 3,1 procent en werd door de regering-Michel afgebouwd tot 0,8 procent vorig jaar. Peersman: 'Die pluim mag de regering-Michel niet op haar hoed steken. Het begrotingstekort nam met meer dan 2 procentpunt af, maar meer dan de helft daarvan is toe te schrijven aan de lage rente: onze overheid hoefde minder geld uit te geven om de staatsschuld af te bouwen. En bijna de helft is te danken aan de stijgende internationale conjunctuur, waardoor meer mensen werk vonden en dus belastingen betaalden en minder mensen een beroep hoefden te doen op uitkeringen.' Peersman wijst er nog op dat voorspeld wordt dat het begrotingstekort dit jaar opnieuw zal oplopen tot 1,7 procent. Nog belangrijk: de daling van het begrotingstekort mag dan volledig te danken zijn aan de lagere rente en de goede internationale conjunctuur, dat wil niet zeggen dat de regering-Michel niet heeft bespaard: 'Als de regering niet had bespaard, was de begroting achteruitgegaan door de vergrijzingskosten', zegt Peersman. 'De inkomsten daalden tijdens de regeerperiode, als gevolg van de taxshift die eigenlijk een taxcut bleek te zijn. De verschuiving van de belastingen bleek een belastingverlaging. Maar de regering-Michel gaf ook bijna 1 procent minder uit, zonder de rentelasten, sinds de start van de regeerperiode. En dat terwijl de gemiddelde overheidsuitgave in de eurozone zelfs een klein beetje is gestegen.' Peersman brengt nog een nuance aan: 'Tussen 2014 en dit jaar zal het begrotingstekort in ons land met 1,4 procent afnemen, het gemiddelde in de eurozone bedraagt 1,7 procent. België zit dus in de buurt van het gemiddelde. Als we ook rekening houden met de impact van de betere conjunctuur in andere landen, doen we het zelfs beter dan het Europese gemiddelde.' 'Maar', zegt Peersman, 'de meeste Europese landen hadden hun saneringsinspanning wel al achter de rug vóór de start van de regeerperiode-Michel. Zij hebben de afgelopen jaren de teugels wat gevierd en konden zich dat ook veroorloven. België had vijf jaar geleden een vrij groot begrotingstekort en de regering-Michel had dus wat meer mogen en moeten doen.' Op het eerst gezicht kan de regering-Michel mooie economische prestaties voorleggen. Tijdens haar regeerperiode groeide onze economie met 6,3 procent en kwamen er 254.000 extra jobs bij. Door een beleid van loonmatiging verbeterde onze concurrentiekracht, onze koopkracht ging reëel met 4,3 procent vooruit en het begrotingstekort werd met twee derde afgebouwd. Kus van de juf en bank vooruit, zou je denken. Tot je die cijfers vergelijkt met de verwezenlijkingen in onze buurlanden en de andere landen van de eurozone. Peersman: 'Dan moet je constateren dat we qua groei tot de slechtste van de klas behoren, dat er minder jobs bij zijn gekomen dan we mochten verwachten, dat de loonmatiging niet heeft geleid tot meer jobs en dat de prijzen zelfs abnormaal zijn gestegen, dat onze koopkracht veel minder is toegenomen dan elders in Europa, en dat ons begrotingstekort onvoldoende is afgebouwd en de volgende jaren zelfs opnieuw zal toenemen.' Op zoek naar oorzaken voor die mindere prestaties, groef Peersman dieper in de cijfers en stootte hij op een aantal pijnpunten in onze economie. 1. 'Ons begrotingstekort loopt opnieuw op, de volgende regering zal dus weer moeten saneren. Al heb ik er op zich geen probleem mee dat een begroting een klein tekort heeft, als de overheid dat geld maar goed investeert zodat de groei weer stijgt. Dat is de afgelopen jaren en decennia te weinig gebeurd en nu zie je de gevolgen, bijvoorbeeld in onze infrastructuur.' 2. 'De vertraging van onze productiviteitsgroei, die nog maar de helft van het gemiddelde van de eurozone bedraagt, moet ons zorgen baren. Onze hoge productiviteit was altijd een van onze troeven. We moeten die opnieuw opkrikken. Ook dat zou bijdragen tot meer groei. Dat zal niet één-twee-drie gaan. Het regeringsbeleid zal aandacht moeten besteden aan scholing, onderzoek en ontwikkeling, de infrastructuur en mobiliteit enzoverder, maar een hogere productiviteit zou veel oplossen.' 3. 'Waarom zijn de bruto winstmarges op de binnenlandse consumptieproducten zo gestegen in ons land, iets wat we niet zien in de rest van Europa? Waarschijnlijk heeft dat te maken met een gebrek aan concurrentie op de binnenlandse markt. Dat moet in ieder geval bestudeerd worden, zodat de regering aangepaste maatregelen kan nemen, want die opvallende prijsstijgingen remmen de jobcreatie en de groei af.' 4. 'Als we erin slagen om meer economische groei te creëren, wordt het makkelijker om ons begrotingsevenwicht te bereiken. Om het heel eenvoudig te zeggen: stel dat onze groei de voorbije vijf jaar op het niveau van het gemiddelde van de eurozone had gelegen en we dus 2 procent hoger waren uitgekomen. Aangezien de overheid alles belast aan 50 procent, zou dat 1 procentpunt meer hebben opgeleverd aan inkomsten voor de begroting. Dan hadden we in 2018 een begrotingsevenwicht gehad.' 5. 'We hebben de voorbije jaren gefocust op de loonkosten van bedrijven. Onze handicap voor exportbedrijven is nu weggewerkt. Het heeft ook geen zin om de werkgeversbijdragen verder te verlagen om jobs te creëren, want dat wordt momenteel niet doorberekend in de prijzen. Om banen te creëren is het daarom verstandiger de nadruk te leggen op de aanbodzijde van de arbeidsmarkt, zoals het verlagen van de belastingen voor werknemers.' 6. 'We moeten zien dat de vacatures ingevuld raken. We blijven het moeilijk hebben om onze werkgelegenheidsgraad - het aantal mensen tussen 20 en 65 jaar die een job uitoefenen - op te drijven. Volgens de statistieken vinden vooral laaggeschoolden te weinig werk, het beleid moet zich dus op hen richten. We moeten ze de juiste opleiding en prikkels geven om een baan te vinden. Daarnaast moeten we werknemers langer aan de slag houden en onze pensioenleeftijd zo snel mogelijk stelselmatig verhogen tot 67 jaar, zoals andere landen al hebben gedaan.' 7. 'Er is een opvallende toename van de gezinsschulden. Daar moet voldoende aandacht voor zijn, want vroeg of laat moeten die schulden worden afbetaald. En dat zal dan wegen op de groei. Het maakt ons ook kwetsbaar bij een volgende crisis: als op een dag de rente opnieuw aantrekt, zal dat niet alleen onze overheid met haar hoge schuld in de problemen brengen, maar ook veel gezinnen. Dan heeft België een dubbel probleem.'