De maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften, het M-decreet, vonden sinds vorig schooljaar geleidelijk ingang. Zowel bij ouders als bij schoolteams was er heel wat ongerustheid over de toekomst van het buitengewoon onderwijs en de draagkracht van de gewone scholen. Dit voorjaar bleek uit de inschrijvingscijfers dat er geen massale verschuiving gebeurde van het buitengewoon naar het gewoon onderwijs. Er kwamen vierduizend leerlingen extra in een gewone school terecht, dat is gemiddeld één leerling per school. Het probleem is echter dat de verdeling van de zorgleerlingen tussen scholen niet gelijk is en dat gepaste antwoorden op de zorgvragen nog niet altijd vanzelfsprekend of haalbaar zijn.

Tastbare ondersteuning op de klasvloer

Leerkrachten vragen al geruime tijd om extra ondersteuning. Er was eerder al de waarborgregeling die ervoor zorgt dat gewone scholen beroep kunnen doen op personeel van het buitengewoon onderwijs dat vrijkomt bij verschuivingen van leerlingen naar het gewoon onderwijs. Nu is er in ijltempo ook een nieuw ondersteuningsmodel voor het gewoon onderwijs goedgekeurd. Dit model integreert de middelen voor GON (geïntegreerd onderwijs), ION (inclusief onderwijs), de waarborgregeling en de competentiebegeleiders. Nog vóór de zomervakantie moeten regionale ondersteuningsteams worden samengesteld die vanaf september gewone scholen met een ondersteuningsvraag kunnen versterken tot op de klasvloer. De minister heeft extra middelen voorzien waarmee 300 leerkrachten bijkomend kunnen worden ingezet. Een mooie start, maar zal dit volstaan?

Niets over ons, zonder ons, of het belang van ouderbetrokkenheid

De Gezinsbond rekent er op dat ouders een belangrijke rol krijgen in het vorm geven van de ondersteuning. Hun inbreng is niet bedreigend, maar complementair en zelfs noodzakelijk om een passend antwoord te kunnen bieden op zorgnoden van leerlingen. Niet toevallig is 'niets over ons, zonder ons' de leidraad van het VN-verdrag voor de Rechten van Personen met een Handicap, dat aan de basis ligt van het M-decreet. Echte participatie veronderstelt betrokkenheid van ouders en leerlingen binnen alle fasen van het zorgtraject op school. Zo kunnen ouders in functie van de noden van hun kind mee nadenken over een goed evenwicht tussen leerlingspecifieke en klasondersteuning. Daarnaast is het ook belangrijk dat ouders en leerlingen concrete aanspreekpunten hebben in de ondersteuningsnetwerken bij vragen of nood aan bemiddeling. Ook de overheid moet de stem van de direct betrokkenen ernstig nemen. Participatie is veel meer dan advies mogen geven over kant en klare conceptnota's van de overheid, ouders moeten van bij de start mee vorm kunnen geven aan het inclusief onderwijssysteem van de toekomst.

Een beleid dat snel inspeelt op ervaren knelpunten

De snelheid waarmee het ondersteuningsmodel tegen het volgend schooljaar op poten moet staan, roept opnieuw onzekerheid op. Ouders van leerlingen die tot nu op GON-begeleiding konden rekenen, weten niet hoe de ondersteuning voor hun kind er volgend schooljaar precies zal uitzien, ze vrezen dat de opgebouwde vertrouwensrelatie met GON-begeleiders verloren zal gaan. De net-overschrijdende samenwerking die verwacht wordt van de regionale ondersteuningsteams blijkt in praktijk niet evident, terwijl toch het samenbrengen van zoveel mogelijk verschillende ervaring en expertise in een team, en niet de netgebondenheid het uitgangspunt zou moeten zijn. De ondersteuningscoaches binnen de teams maken zich zorgen om de vele zorgvragen die ze op het werkveld horen, terwijl leerkrachten nog in het ongewisse zijn over hoe de ondersteuning in hun klas concreet vorm zal krijgen. De aangekondigde samenwerking met het departement Welzijn is in ieder geval een meerwaarde. Het Persoonsgebonden AssistentieBudget (PAB) voor minderjarigen kan bijvoorbeeld op de klasvloer een aanvullende ondersteuning bieden, maar ook daar zijn de middelen vandaag ontoereikend.

Nog altijd te veel leerlingen zonder gepaste ondersteuning. Wie zijn zij?

We weten dat er traditioneel bepaalde groepen oververtegenwoordigd zijn in het buitengewoon onderwijs : jongens, leerlingen met een migratie-achtergrond en kinderen uit socio-economische kwetsbare gezinnen. Diezelfde groep trekt tot vandaag ook in het gewoon onderwijs meestal aan het kortste eind. Extra ondersteuning is immers vaak gekoppeld aan een diagnose, een 'label' dat van ouders soms veel tijd, geduld én middelen vraagt en dus niet voor iedereen evident is. Het is dus positief dat de toegang tot ondersteuning vanaf schooljaar 2018-2019 niet meer alleen afhankelijk zal zijn van een medische diagnose, op voorwaarde dat ouders en leerlingen kunnen rekenen op een brede basiszorg in alle scholen, zonder onderscheid.

Uit de inschrijvingscijfers van het ministerie van Onderwijs blijkt dat 1.270 leerlingen dit schooljaar zijn begonnen in een gewone school maar later overstapten naar het buitengewoon onderwijs. Een nadere verklaring voor die verschuiving moet nog worden onderzocht. Mogelijk heeft dit voor een deel te maken met inschrijvingen onder ontbindende voorwaarden. Wanneer na een tijd blijkt dat er sprake is van onredelijke aanpassingen, wordt de inschrijving alsnog ontbonden. Soms dringen ouders zelf aan op een overstap naar het buitengewoon wanneer ze vaststellen dat de gewone school er niet in slaagt om datgene te bieden wat hun kind nodig heeft om te groeien en zich goed te voelen. Wij vinden het belangrijk om te achterhalen om welke leerlingen het gaat. Zijn er bijvoorbeeld bepaalde onderwijsnoden waar gewone scholen vandaag nog geen voldoende antwoord op kunnen geven?

Daarnaast is het minstens zo belangrijk om meer te weten over de achtergrond van deze leerlingen. Gaat het overwegend over dezelfde groep leerlingen die vroeger ook al extra kwetsbaar bleek als het om gelijke onderwijskansen gaat? Met andere woorden, kan het M-decreet zijn voornemen om alle leerlingen de kans te geven om zich maximaal te ontwikkelen, waarmaken? Het is duidelijk dat er op meerdere fronten en blijvend moet geïnvesteerd worden in een inclusief onderwijssysteem. De uitbouw ervan mag niet stilvallen of negatief uitdraaien omdat er te weinig oog en oor zou zijn voor knelpunten die onderwijspersoneel en ouders signaleren. Aandacht voor kwetsbare groepen, waarvan de stem niet altijd zo luid klinkt, moet hierbij een rode draad zijn.