De onderzoeksgroep Gaspar van de faculteit politieke en sociale wetenschappen aan de UGent heeft het gebruik van voorkeurstemmen bij de verkiezingen van afgelopen zondag geanalyseerd. Daaruit blijkt dat kiezers voor de vierde verkiezing op rij minder voorkeurstemmen en meer lijststemmen hebben uitgebracht. Voor het Vlaams, federaal en Europees parlement bracht net iets meer dan de helft van de kiezers een voorkeurstem uit, terwijl dan in 2003 gemiddeld nog twee op drie kiezers was. Voor de Kamer en het Vlaams parlement bevindt het percentage van voorkeurstemmen zich nu zelfs onder het niveau van 1995.

In de kieskringen waar de absolute partijkopstukken opkwamen, steeg het aandeel voorkeurstemmen wél. Dat was bijvoorbeeld het geval voor de Vlaamse verkiezing in Antwerpen, waar partijvoorzitters Bart De Wever (N-VA) en Meyrem Almaci (Groen) opkwamen. In Limburg, Vlaams-Brabant en Namen hadden CD&V-voorzitter Wouter Beke, N-VA-kopstuk Theo Francken en CDH-voorzitter Maxime Prévot hetzelfde effect.

West-Vlaanderen is een geval apart: daar zorgde Vlaams boegbeeld Hilde Crevits voor een forse toename in het aantal voorkeurstemmen voor CD&V, alleen zorgt de opmars van Vlaams Belang er in die provincie voor dat er globaal wél een daling is. De extreemrechtse partij haalt trouwens overal in Vlaanderen opvallend weinig voorkeurstemmen. Dat verklaart trouwens voor een deel de algemene daling: partijen die het goed deden, halen traditioneel veel minder voorkeurstemmen.

Op partijniveau blijven de christendemocraten bij CD&V en CDH de keizers van de voorkeurstem. Die partijen staan historisch erg sterk op nationaal en lokaal vlak, waardoor ze altijd overal kopstukken konden uitspelen. Die koppositie moeten ze ook nu niet afgeven, ondanks het mindere resultaat voor de partij in het algemeen. De andere traditionele partijen (Open VLD en SP.A) volgen, met allemaal percentages rond de 60 procent, terwijl de nieuwere partijen als Groen, Vlaams Belang en PVDA het met minder dan 50 procent aan voorkeurstemmen moeten doen. N-VA schippert wat tussenbeide.

Het aantal voorkeurstemmen voor een lijst hangt natuurlijk samen met de populariteit van de kandidaten op die lijst. De UGent vergeleek de personificatiegraad van de lijsttrekkers - of hoe populair ze zijn binnen hun eigen lijst op basis van het aantal naamstemmen tegenover het totale aantal voorkeurstemmen voor de partij - en hun penetratiegraad binnen de kieskring, of het aantal voorkeurstemmen van de lijsttrekker versus het totaal aantal uitgebrachte stemmen in die kieskring.

N-VA-voorzitter Bart De Wever spant daar de kroon. Hij heeft de hoogste personificatie- en penetratiegraad van alle lijsttrekkers. Zijn partijgenoot Theo Francken volgt op 2, CD&V-kopstuk Hilde Crevits staat op de 3de plaats. Daarna volgen Vlaams Belang-voorzitter Tom Van Grieken, N-VA-Kamerlid Zuhal Demir (al heeft zij wel een hogere penetratiegraad dan Van Grieken) en onafhankelijk kandidaat voor Vlaams Belang Dries Van Langenhove.

Europees is Guy Verhofstadt het eerste kopstuk, op plaats 7 in de algemene rangschikking. SP.A-voorzitter John Crombez, N-VA'er Jan Jambon en Peter Mertens van PVDA vervolledigen de top 10.

In Franstalig België spant PVDA-kopman Raoul Hedebouw de kroon, gevolgd door CDH-voorzitter Maxime Prévot en PS-voorzitter Elio Di Rupo.

Uittredend premier Charles Michel volgt pas op plaats 8. Hij kon maar 64 procent van de MR-voorkeurstemmers naar zich toe trekken, terwijl Bart De Wever daar bijvoorbeeld bij bijna 90 procent van de kiezers in slaagt.

De onderzoeksgroep Gaspar van de faculteit politieke en sociale wetenschappen aan de UGent heeft het gebruik van voorkeurstemmen bij de verkiezingen van afgelopen zondag geanalyseerd. Daaruit blijkt dat kiezers voor de vierde verkiezing op rij minder voorkeurstemmen en meer lijststemmen hebben uitgebracht. Voor het Vlaams, federaal en Europees parlement bracht net iets meer dan de helft van de kiezers een voorkeurstem uit, terwijl dan in 2003 gemiddeld nog twee op drie kiezers was. Voor de Kamer en het Vlaams parlement bevindt het percentage van voorkeurstemmen zich nu zelfs onder het niveau van 1995. In de kieskringen waar de absolute partijkopstukken opkwamen, steeg het aandeel voorkeurstemmen wél. Dat was bijvoorbeeld het geval voor de Vlaamse verkiezing in Antwerpen, waar partijvoorzitters Bart De Wever (N-VA) en Meyrem Almaci (Groen) opkwamen. In Limburg, Vlaams-Brabant en Namen hadden CD&V-voorzitter Wouter Beke, N-VA-kopstuk Theo Francken en CDH-voorzitter Maxime Prévot hetzelfde effect. West-Vlaanderen is een geval apart: daar zorgde Vlaams boegbeeld Hilde Crevits voor een forse toename in het aantal voorkeurstemmen voor CD&V, alleen zorgt de opmars van Vlaams Belang er in die provincie voor dat er globaal wél een daling is. De extreemrechtse partij haalt trouwens overal in Vlaanderen opvallend weinig voorkeurstemmen. Dat verklaart trouwens voor een deel de algemene daling: partijen die het goed deden, halen traditioneel veel minder voorkeurstemmen. Op partijniveau blijven de christendemocraten bij CD&V en CDH de keizers van de voorkeurstem. Die partijen staan historisch erg sterk op nationaal en lokaal vlak, waardoor ze altijd overal kopstukken konden uitspelen. Die koppositie moeten ze ook nu niet afgeven, ondanks het mindere resultaat voor de partij in het algemeen. De andere traditionele partijen (Open VLD en SP.A) volgen, met allemaal percentages rond de 60 procent, terwijl de nieuwere partijen als Groen, Vlaams Belang en PVDA het met minder dan 50 procent aan voorkeurstemmen moeten doen. N-VA schippert wat tussenbeide. Het aantal voorkeurstemmen voor een lijst hangt natuurlijk samen met de populariteit van de kandidaten op die lijst. De UGent vergeleek de personificatiegraad van de lijsttrekkers - of hoe populair ze zijn binnen hun eigen lijst op basis van het aantal naamstemmen tegenover het totale aantal voorkeurstemmen voor de partij - en hun penetratiegraad binnen de kieskring, of het aantal voorkeurstemmen van de lijsttrekker versus het totaal aantal uitgebrachte stemmen in die kieskring. N-VA-voorzitter Bart De Wever spant daar de kroon. Hij heeft de hoogste personificatie- en penetratiegraad van alle lijsttrekkers. Zijn partijgenoot Theo Francken volgt op 2, CD&V-kopstuk Hilde Crevits staat op de 3de plaats. Daarna volgen Vlaams Belang-voorzitter Tom Van Grieken, N-VA-Kamerlid Zuhal Demir (al heeft zij wel een hogere penetratiegraad dan Van Grieken) en onafhankelijk kandidaat voor Vlaams Belang Dries Van Langenhove. Europees is Guy Verhofstadt het eerste kopstuk, op plaats 7 in de algemene rangschikking. SP.A-voorzitter John Crombez, N-VA'er Jan Jambon en Peter Mertens van PVDA vervolledigen de top 10. In Franstalig België spant PVDA-kopman Raoul Hedebouw de kroon, gevolgd door CDH-voorzitter Maxime Prévot en PS-voorzitter Elio Di Rupo. Uittredend premier Charles Michel volgt pas op plaats 8. Hij kon maar 64 procent van de MR-voorkeurstemmers naar zich toe trekken, terwijl Bart De Wever daar bijvoorbeeld bij bijna 90 procent van de kiezers in slaagt.