Een opvallend puntje in de documenten bij de begrotingsbesprekingen, was dat in de toekomst werknemers niet langer een medisch attest van arbeidsongeschiktheid, opgesteld door een (huis)arts zouden moeten voorleggen voor een afwezigheid van één dag op het werk.

In de laatste 30 jaar werd herhaaldelijk geargumenteerd dat gedurende de eerste drie dagen van een ziekte een medisch attest van 'werkonbekwaamheid' geen zin had, omdat het een extra administratieve belasting voor de huisarts betekende en omdat een medische interventie bij de meeste kortdurende 'zelflimiterende' ziekten geen meerwaarde realiseert. Bovendien bleek uit buitenlands onderzoek dat waar de verplichting tot medisch attest voor periodes van 3 (in sommige landen 5) dagen afwezigheid wegens ziekte was afgeschaft, dit niet gepaard ging met meer kortdurend ziekteverzuim (soms met minder).

Afschaffen doktersbriefje voor één dag: zou wetenschap een (grotere) rol kunnen spelen bij politieke besluitvorming?

Het kwalijk neveneffect van zo een briefje is dat men de normale gang van zaken: een werknemer informeert zijn leidinggevende dat hij/zij niet in staat is te werken omwille van ziekte, soms wordt vervangen door een medisch dispuut tussen de behandelende huisarts en één op vraag van de werkgever gestuurde 'controle-arts' over het verantwoord zijn van één dag werkonbekwaamheid meer of minder.

Met andere woorden: een communicatie tussen werknemer en leidinggevende wordt vervangen door een discussie onder artsen: een sociaal probleem wordt 'gemedicaliseerd'. In de huisartsenvereniging Domus Medica heeft in de voorbije jaren een werkgroep van jonge huisartsen nog eens alle wetenschappelijke inzichten samen gebracht, en de conclusie is duidelijk: een afschaffing van dit attest heeft - wetenschappelijk bekeken - enkel voordelen en is kostenbesparend voor de burger en voor de gezondheidszorg.

Afschaffing van het attest: voor welke periode?

Uit mijn doctoraatsonderzoek bleek dat de helft van de nieuwe attesten arbeidsongeschiktheid (die in 15 % van de contacten met patiënten van 18-65 jaar werden uitgeschreven door de huisarts) een termijn van 1 tot en met 3 dagen als duur hadden. Indien men dus - zoals bijvoorbeeld in Noorwegen- de medische attestering pas vanaf de vierde dag arbeidsongeschiktheid vraagt, reduceert dit de belasting van de huisarts voor deze activiteit in ons land met 50%. Overigens is 3 dagen logisch als men kijkt naar het ziektebeloop van "zelflimiterende" aandoeningen: meestal is verbetering duidelijk vanaf dag 3 (met zelfzorg, pijnstillers, koortswerende producten,...).

Indien de patiënt zich niet beter voelt op dag 3, consulteert hij/zij op die dag de huisarts, die een diagnose stelt en ofwel kan patiënt nadien aan het werk, ofwel zal verdere diagnostische en therapeutische aanpak nodig zijn, met een medisch attest voor de extra dagen arbeidsongeschiktheid. Overigens heb ik in mijn 40 jarige loopbaan als huisarts, vooral energie gestoken in het overtuigen van patiënten dat ze beter niet gaan werken met koorts, hoesten,...

Het spanningsveld tussen wetenschap, belangengroepen en politiek

Bij politieke onderhandelingen houdt elke partij uiteraard rekening met de belangen van de "eigen achterban": op zich is daar niets mis mee, maar men zou toch mogen verwachten dat het 'algemeen belang' en de wetenschappelijke kennis mee het debat stoffeert.

Indien men argumenteert, dat 'de huisartsen de afschaffing van het attest niet willen', zou dit best met feiten worden gedocumenteerd: in België is de meerderheid van de huisartsen voor afschaffing: in Vlaanderen is de overgrote meerderheid van de huisartsen voor, in Wallonië is dat niet het geval.

Een andere belangengroep in het debat is de ondernemersorganisatie Unizo: 'Als je voor de eerste dagen ziekte het verplicht ziektebriefje afschaft, zet je de deur wagenwijd open voor de maandagochtendziekte.' De veronderstelling is, dat de huisarts dit probleem zal oplossen door te weigeren een attest te schrijven? Op welke wetenschappelijke gronden zou de huisarts dit kunnen doen? Het is absoluut onmogelijk om in een eerste consultatie rond pijn, vermoeidheid, ongemak,... de symptomen te objectiveren en tot een sluitende diagnose te komen. En overigens is het niet de rol van de huisarts om het probleem van de "maandagochtendziekte" (een weinig respectvolle term naar de werknemers toe) op te lossen.

Resultaat van het politiek overleg: er komt een afschaffing van het attest arbeidsongeschiktheid voor één dag, en dit enkel voor de 'grote bedrijven' niet voor de KMO's.

Hoe zou wetenschap een (grotere) rol kunnen spelen bij politieke besluitvorming?

Er is in ons land veel kennis over ziekte en gezondheid, gedrag van patiënten, interventies van artsen,... Het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg, opgericht door Minister Frank Vandenbroucke in 2002, heeft intussen meer dan 340 degelijke, onderbouwde rapporten afgeleverd. Van de conclusies van die rapporten naar de politieke onderhandelingstafel, is blijkbaar niet altijd een eenvoudige weg.

Misschien moeten we - zoals in Nederland - ook in ons land een Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid(actief sinds 1975) oprichten, die wetenschappelijke adviezen geeft over wat op de politieke beslissingstafel ligt. Men zou deze adviezen kunnen opnemen in de Memorie van Toelichting van wetten, besluiten, decreten,..., met de afspraak dat, wanneer men afwijkt van deze adviezen - wat uiteraard soms om goede redenen (b.v. ontoereikende budgetten) nodig is - dit transparant wordt gemotiveerd. Zo een Raad zou wellicht een aantal 'spanningen' kunnen helpen oplossen.

Een opvallend puntje in de documenten bij de begrotingsbesprekingen, was dat in de toekomst werknemers niet langer een medisch attest van arbeidsongeschiktheid, opgesteld door een (huis)arts zouden moeten voorleggen voor een afwezigheid van één dag op het werk. In de laatste 30 jaar werd herhaaldelijk geargumenteerd dat gedurende de eerste drie dagen van een ziekte een medisch attest van 'werkonbekwaamheid' geen zin had, omdat het een extra administratieve belasting voor de huisarts betekende en omdat een medische interventie bij de meeste kortdurende 'zelflimiterende' ziekten geen meerwaarde realiseert. Bovendien bleek uit buitenlands onderzoek dat waar de verplichting tot medisch attest voor periodes van 3 (in sommige landen 5) dagen afwezigheid wegens ziekte was afgeschaft, dit niet gepaard ging met meer kortdurend ziekteverzuim (soms met minder). Het kwalijk neveneffect van zo een briefje is dat men de normale gang van zaken: een werknemer informeert zijn leidinggevende dat hij/zij niet in staat is te werken omwille van ziekte, soms wordt vervangen door een medisch dispuut tussen de behandelende huisarts en één op vraag van de werkgever gestuurde 'controle-arts' over het verantwoord zijn van één dag werkonbekwaamheid meer of minder. Met andere woorden: een communicatie tussen werknemer en leidinggevende wordt vervangen door een discussie onder artsen: een sociaal probleem wordt 'gemedicaliseerd'. In de huisartsenvereniging Domus Medica heeft in de voorbije jaren een werkgroep van jonge huisartsen nog eens alle wetenschappelijke inzichten samen gebracht, en de conclusie is duidelijk: een afschaffing van dit attest heeft - wetenschappelijk bekeken - enkel voordelen en is kostenbesparend voor de burger en voor de gezondheidszorg. Uit mijn doctoraatsonderzoek bleek dat de helft van de nieuwe attesten arbeidsongeschiktheid (die in 15 % van de contacten met patiënten van 18-65 jaar werden uitgeschreven door de huisarts) een termijn van 1 tot en met 3 dagen als duur hadden. Indien men dus - zoals bijvoorbeeld in Noorwegen- de medische attestering pas vanaf de vierde dag arbeidsongeschiktheid vraagt, reduceert dit de belasting van de huisarts voor deze activiteit in ons land met 50%. Overigens is 3 dagen logisch als men kijkt naar het ziektebeloop van "zelflimiterende" aandoeningen: meestal is verbetering duidelijk vanaf dag 3 (met zelfzorg, pijnstillers, koortswerende producten,...). Indien de patiënt zich niet beter voelt op dag 3, consulteert hij/zij op die dag de huisarts, die een diagnose stelt en ofwel kan patiënt nadien aan het werk, ofwel zal verdere diagnostische en therapeutische aanpak nodig zijn, met een medisch attest voor de extra dagen arbeidsongeschiktheid. Overigens heb ik in mijn 40 jarige loopbaan als huisarts, vooral energie gestoken in het overtuigen van patiënten dat ze beter niet gaan werken met koorts, hoesten,... Bij politieke onderhandelingen houdt elke partij uiteraard rekening met de belangen van de "eigen achterban": op zich is daar niets mis mee, maar men zou toch mogen verwachten dat het 'algemeen belang' en de wetenschappelijke kennis mee het debat stoffeert. Indien men argumenteert, dat 'de huisartsen de afschaffing van het attest niet willen', zou dit best met feiten worden gedocumenteerd: in België is de meerderheid van de huisartsen voor afschaffing: in Vlaanderen is de overgrote meerderheid van de huisartsen voor, in Wallonië is dat niet het geval. Een andere belangengroep in het debat is de ondernemersorganisatie Unizo: 'Als je voor de eerste dagen ziekte het verplicht ziektebriefje afschaft, zet je de deur wagenwijd open voor de maandagochtendziekte.' De veronderstelling is, dat de huisarts dit probleem zal oplossen door te weigeren een attest te schrijven? Op welke wetenschappelijke gronden zou de huisarts dit kunnen doen? Het is absoluut onmogelijk om in een eerste consultatie rond pijn, vermoeidheid, ongemak,... de symptomen te objectiveren en tot een sluitende diagnose te komen. En overigens is het niet de rol van de huisarts om het probleem van de "maandagochtendziekte" (een weinig respectvolle term naar de werknemers toe) op te lossen. Resultaat van het politiek overleg: er komt een afschaffing van het attest arbeidsongeschiktheid voor één dag, en dit enkel voor de 'grote bedrijven' niet voor de KMO's. Er is in ons land veel kennis over ziekte en gezondheid, gedrag van patiënten, interventies van artsen,... Het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg, opgericht door Minister Frank Vandenbroucke in 2002, heeft intussen meer dan 340 degelijke, onderbouwde rapporten afgeleverd. Van de conclusies van die rapporten naar de politieke onderhandelingstafel, is blijkbaar niet altijd een eenvoudige weg.Misschien moeten we - zoals in Nederland - ook in ons land een Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid(actief sinds 1975) oprichten, die wetenschappelijke adviezen geeft over wat op de politieke beslissingstafel ligt. Men zou deze adviezen kunnen opnemen in de Memorie van Toelichting van wetten, besluiten, decreten,..., met de afspraak dat, wanneer men afwijkt van deze adviezen - wat uiteraard soms om goede redenen (b.v. ontoereikende budgetten) nodig is - dit transparant wordt gemotiveerd. Zo een Raad zou wellicht een aantal 'spanningen' kunnen helpen oplossen.