1. Hoeveel geven we uit aan gezondheid?

In Vlaanderen geven we jaarlijks iets meer dan 30 miljard euro uit aan gezondheids- en welzijnszorg. Dat komt neer op 11 procent van het Vlaamse bruto binnenlands product, de waarde van wat we aan goederen en diensten produceren. Meer dan 22 miljard gaat naar de gezondheidszorg verstrekt door ziekenhuizen, artsen, tandartsen, kinesisten, thuisverpleging en noem maar op, zeg maar de medische zorg. De resterende 8,5 miljard overlapt het gros van de welzijnszorg, dat met zo'n 11 miljard vooral instaat voor ouderenzorg en zorg voor personen met een handicap.
...

In Vlaanderen geven we jaarlijks iets meer dan 30 miljard euro uit aan gezondheids- en welzijnszorg. Dat komt neer op 11 procent van het Vlaamse bruto binnenlands product, de waarde van wat we aan goederen en diensten produceren. Meer dan 22 miljard gaat naar de gezondheidszorg verstrekt door ziekenhuizen, artsen, tandartsen, kinesisten, thuisverpleging en noem maar op, zeg maar de medische zorg. De resterende 8,5 miljard overlapt het gros van de welzijnszorg, dat met zo'n 11 miljard vooral instaat voor ouderenzorg en zorg voor personen met een handicap. Uitgedrukt in geld is gezondheid een belangrijke sector in onze economie, qua werkgelegenheid is ze nog belangrijker. Gezondheidszorg en welzijnszorg zijn elk goed voor zo'n 215.000 arbeidsplaatsen, samen staan ze in voor 14 procent van de Vlaamse werkgelegenheid. Dat blijkt uit een nieuw rapport van de Leuvense professor Jozef Pacolet en Lynn De Smedt, dat Knack exclusief kon inkijken. De 22 miljard die we besteden aan gezondheidszorg komt overeen met 8 procent van het Vlaamse bbp. Meer dan 30 jaar geleden was de gezondheidszorg goed voor 6,5 procent van het bbp. Het belang van de gezondheidszorg nam de voorbije decennia dus toe, dat is geen verrassing. Wel opmerkelijk is dat het aandeel sinds 2003 stagneert rond 8 procent. De gezondheidszorg groeit sinds begin deze eeuw niet meer ten opzichte van de rest van de economie. Een heel ander verhaal is dat van de welzijnszorg, dat van 1,5 procent van het Vlaamse bbp in 1987 steeg tot 4 procent vijf jaar geleden. Anders gezegd: terwijl het belang van de gezondheidszorg ongewijzigd blijft, neemt dat van de welzijnszorg steeds toe. De gevolgen van de vergrijzing van de bevolking zijn vooral in de welzijnszorg te zien. Als we kijken naar de publieke en de eigen bijdragen wordt er in Vlaanderen jaarlijks 3212 euro per inwoner uitgegeven aan gezondheid. Dat is een verdubbeling in dertig jaar, rekening houdend met de inflatie. Maar ook de Vlaamse economie groeide natuurlijk: het bbp nam in die periode toe van 24.000 euro tot 39.000 euro per inwoner, een stijging met pakweg 60 procent. Dus terwijl het bbp per hoofd in Vlaanderen klom met 60 procent, namen de uitgaven voor gezondheidszorg per hoofd met 100 procent toe. Voor welzijnszorg geven we per Vlaming 1615 euro uit, een verviervoudiging in dertig jaar. We halen duidelijk steeds meer geld uit onze portemonnee voor onze gezondheid.Ziekenhuizen waren tot nu toe de belangrijkste aanbieder van gezondheidszorg, zowel volgens de werkgelegenheid als naar het geld dat er circuleert. Er zijn daar zo'n 100.000 voltijdse banen en er gaat een dikke 9 miljard euro in om. De verleners van ambulante zorg, zoals huisartsen en thuisverpleging, volgen op de tweede plaats met 75.000 banen en juist 9 miljard euro omzet. Vooral in de ambulante zorg gaat steeds meer geld om. Als die evolutie zich doorzet, neemt de ambulante zorg dra de rol van belangrijkste speler in de gezondheidszorg over van de ziekenhuizen, zeker wat de geldstromen betreft. Van de iets meer dan 30 miljard die wordt uitgegeven aan gezondheid, circuleert afgerond 35 procent in de private commerciële sector, 48 procent in de private niet-commerciële sector en 18 procent in de publieke sector. De niet-commerciële gezondheidszorg is dus goed voor twee derde van de totale sector. Opvallend is dat het belang van de private niet-commerciële sector de voorbije 30 jaar met 16 procentpunt toenam, terwijl het belang van de private commerciële en de publieke sector elk met pakweg 8 procentpunt afnam. Onder de ziekenhuizen zijn er zo'n 10 procent commerciële ondernemingen. 30 procent behoort tot de publieke sector en wordt uitgebaat door bijvoorbeeld een OCMW, 60 procent zijn private niet-commerciële ziekenhuizen, dus vzw's of eigendom van universiteiten, kloostergemeenschappen, ziekenfondsen en dergelijke. Van de ruim 30 miljard die omgaat in de Vlaamse gezondheidszorg komt 16 miljard of ruim de helft van de verplichte sociale zekerheid. De Vlaamse overheid zorgt voor 6 miljard. De eigen bijdragen, bijvoorbeeld remgelden, zijn goed voor zo'n 5 miljard. Dan komt er nog 1 miljard euro van de vrijwillige hospitalisatieverzekeringen. De federale overheid draagt meer dan 700 miljoen bij, de lokale overheden ook nog eens 700 miljoen, waarvan bijna 600 miljoen via de OCMW's. En waar gaat het geld naartoe? Het grootste deel, namelijk 12 miljard, gaat naar 'curatieve gezondheidszorg', dus de ziekenhuizen en huisartsen. Zo'n 9 miljard gaat naar langdurige zorg voor ouderen of mensen met een handicap. Zo'n 4 miljard is voor 'medische goederen', waartoe de geneesmiddelen horen, en bijna 2 miljard voor revalidatiezorgverlening. Iets meer dan 300 miljoen euro of slechts één procent van het totaal gaat naar preventieve zorg.Nog opvallend: 1 miljard euro gaat naar administratieve kosten om het hele verzekeringssysteem in onze gezondheidszorg te laten draaien. Er blijkt 625 miljoen euro nodig om administratieve kosten allerhande bij de verplichte sociale zekerheid te betalen. Voor de hospitaalverzekeringen is dat 275 miljoen. Voor de verplichte sociale zekerheid komen de administratieve kosten neer op 4 procent van de uitgekeerde bedragen, voor de hospitaalverzekeringen zelfs op 33 procent. De financiële situatie van de ziekenhuizen is onrustwekkend, blijkt uit de jaarlijkse MAHA-studies van Belfius. Al vóór corona maakte een op de drie Vlaamse ziekenhuizen verlies, voor de meeste andere is de winstmarge van nauwelijks 0,50 procent van de omzet flinterdun. Zo'n 40 procent van de omzet van de ziekenhuizen komt van de bijdragen van de artsen, 35 procent van de verpleging en 20 procent dankzij de verkoop van farmaceutische producten, een aandeel dat de laatste jaren sterk toeneemt. De rest komt bijvoorbeeld van parkeergeld. De winst die de apotheek boekt is cruciaal voor een ziekenhuis, net als de bijdrage van medisch-technische diensten als radiologie, want consultaties en verplegingsactiviteiten zijn verliesgevend. Corona dreef de ziekenhuizen nog meer in het verlies. Ze moesten meer geld uitgeven aan onder andere beschermingsmateriaal, terwijl de inkomsten afnamen omdat er minder consultaties en operaties plaatsvonden, de farmacie minder opbracht en de betaalparkings leegstonden. Om de extra verliezen op te vangen en te voorkomen dat de ziekenhuizen financieel zouden kapseizen, keerde de overheid 2 miljard uit. Experts schatten nu dat corona de ziekenhuizen 1,8 miljard euro heeft gekost. Dat zou betekenen dat de ziekenhuizen in totaal 200 miljoen moeten terugstorten. In ieder geval is de financiële gezondheid van de ziekenhuizen op lange termijn onhoudbaar. Minister van Volksgezondheid Frank Vandenbroucke (Vooruit) liet al weten dat hij de financiering van de ziekenhuizen wil wijzigen.