Opinie

Mieke Van Houtte

‘Compenseren van armoede behoort tot de kerntaken van onderwijs’

Mieke Van Houtte Professor sociologie aan de UGent en lid van KVAB
Mathijs Lamberigts Gewoon hoogleraar aan de Faculteit Theologie en Religiewetenschappen, KU Leuven en lid van KVAB

Mieke Van Houtte en Mathijs Lamberigts, beiden lid van de KVAB, pleiten ervoor dat nog meer middelen naar onderwijs gaan om de gevolgen van armoede voor jonge mensen beter op te vangen. Lees hier alle andere bijdragen van onze zomerreeks De doordenkers van Knack.be: Waarheen met ons geld?

Onderwijs vormt de grootste investeringspost in de Vlaamse begroting. Terecht, want onderwijs heeft de sleutels voor de toekomst in handen. En daarom pleiten wij ervoor dat nog meer middelen naar onderwijs gaan om de gevolgen van armoede voor jonge mensen beter op te vangen. Armoede heeft immers een impact op de kwaliteit van het onderwijs, en het compenseren van armoede behoort dus tot de kerntaken van onderwijs.

1. De coronaspiegel

De corona-crisis heeft ons op een pijnlijke wijze laten zien hoezeer armoede in het onderwijs zijn tol heft. Afstandsonderwijs zou in een periode van gedwongen afzondering de lessen continueren. Iedereen heeft immers een eigen computer. Snel werd duidelijk dat in vele families er slechts één computer voorhanden was om aan twee, drie of meer kinderen de kans te bieden lessen te volgen. Beklijvende acties, zoals bij het begin van het schooljaar 2020-2021 met leerkrachten die per fiets computers thuis gingen afleveren, leerden dat er nog steeds gezinnen zijn waar er geen computer voorhanden was, of zeker geen computer die de soms geavanceerde schoolsystemen aankon. Zwakkere studenten haakten af. Het verplichte thuiswerken van ouders zorgde voor extra spanningen, zeker bij klein behuisde families, want een eigen bureau was niet voorhanden.  Schooldiscipline bleek plots een positief woord.  

2. Armoede in het onderwijs: een economisch, cultureel en sociaal probleem

Het afstandsonderwijs drukte de samenleving met de neus op de armoedefeiten. Scholen kennen het probleem nochtans al lang: het aankopen van schoolboeken, het betalen van voorstellingen, uitstappen, de naschoolse opvang, het vervoer van en naar school, turn- en zwemkledij, toch allemaal essentiële elementen in het onderwijs van vandaag, zorgen in heel wat gezinnen voor gigantische kopzorgen. We spreken dan nog niet over het probleem van de lege brooddozen, of over de afwezigheid van ouders met materiële problemen bij oudercontacten,  ofschoon de schoolresultaten pover zijn.

Schooldirecteuren en leerkrachten zijn vertrouwd met de penibele situatie waarin leerlingen zich kunnen bevinden omwille van een gebrek aan financiële middelen thuis. Wanneer het geld voor uitstappen dient te worden opgehaald, zijn het vaak dezelfde leerlingen die (moeten) zeggen dat ze het “vergeten” zijn. Legio zijn de initiatieven die scholen nemen om de kas voor de minderbegoeden te spijzen zodat men leerlingen toch volwaardig kan laten meedoen aan extra-curriculaire activiteiten, ook als deze leerlingen niet zelf de  uitstap kunnen betalen. Deze situaties kunnen zwaar inhakken op het zelfbeeld van leerlingen en hun ouders. Ze hebben vaak  een emotionele impact op leerkrachten, want ze weten ook wel dat het nodige geld er niet is.

Men onderschat nog steeds de grote afstand tussen de culturele verwachtingen van scholen ten overstaan van hun leerlingen en de mogelijkheden van ouders uit lagere sociale milieus. Lezen of voorlezen of het gebruik van computers ter bevordering van intellectuele competenties is in families met lager opgeleide ouders minder evident. Het heeft een impact op de zin voor initiatief en creativiteit bij de kinderen. Men stelt vast dat arme ouders weinig tot niet deel uitmaken van oudercomités en schoolraden. Een school is meer dan studieresultaten. Elke school heeft een eigen profiel en daarmee verbonden eigen verwachtingen. De school verwacht, impliciet of expliciet, dat de leerlingen zich hieraan conformeren. Tegelijk verwachten leerkrachten minder van leerlingen uit lagere sociale klassen en dit zowel wat betreft wat men deze leerlingen kan onderwijzen als wat men ermee kan bereiken. In een school wordt niet alleen geleerd, maar ook geleefd en dat heeft zijn impact. Onderzoek toont aan dat naar een school gaan met vooral leerlingen uit sociaaleconomisch zwakkere gezinnen een weerslag heeft op de studieresultaten van leerlingen. Het heeft ook een impact op de wijze waarop de vriendenkring is samengesteld.

Dit sociaal kapitaal is een belangrijke factor. Hogere sociale klassen kunnen terugvallen op netwerken, bijvoorbeeld voor studieadvies, bijlessen. Het doorlopen studietraject en ook de gelukte carrières van ouders in deze klassen stimuleert hun kinderen vaak om eenzelfde weg te gaan. Het spreekt voor zich dat in milieus waarin de ouders zelf weinig of geen onderwijs hebben genoten, zulke ondersteunende omkadering minder aan bod zal en kan komen.

Het is duidelijk dat zowel de financiële, culturele als de sociale situatie een impact hebben op de school- en studiekeuzes en de schoolprestaties van kinderen uit lagere sociale milieus. Kinderen uit deze milieus krijgen te maken met leerachterstand. Hun ouders zijn vanuit hun eigen achtergrond minder vertrouwd met het onderwijssysteem en de wijze waarop men het beste parcours voor kinderen uitstippelt. Hun kinderen  gaan niet naar scholen die (terecht of ten onrechte) bestempeld worden als scholen voor begoede burgers en die vaak een sterke reputatie hebben qua slaagkansen in het voortgezet onderwijs. Nog altijd heerst het beeld dat voortgezette studies duur en voor bepaalde groepen onbetaalbaar zijn en daarenboven “niet voor mensen zoals wij”.

3. Het raakt ons allemaal

Alle kinderen moeten kunnen dromen van een mooie toekomst. Alle ouders moeten hopen op een mooie toekomst voor hun kinderen. Alle scholen moeten geloven dat ze daarin een belangrijke rol te spelen hebben. Als potentieel talent verloren gaat, verliest iedereen. Dat is het uitgangspunt bij alle theorieën rond ideaal en optimaal onderwijs. Elk maatschappijmodel in een geciviliseerde samenleving zal dit onderschrijven. En wij kunnen er iets aan doen. De problemen zijn benoemd. De onderwijsnetten kennen hun scholen in hun grote verscheidenheid. Kansarmoedeorganisaties en gezinsorganisaties beschikken over belangrijke veldexpertise. Het is dus tijd om de tekentafel te verlaten en de  belangrijke veldexpertise te koppelen aan concrete en haalbare oplossingen.

De democratisering van het onderwijs, ingezet in de jaren ‘50-60 van de vorige eeuw, heeft er zeker voor gezorgd dat talentvolle jongeren uit verschillende sociale milieus de weg naar het secundair onderwijs, hogescholen en universiteiten hebben gevonden. Zestig jaar later is het tijd om dit verhaal op een andere wijze en in andere contexten nog eens over te doen. De democratisering is er, nu nog de optimalisering van de beschikbare mogelijkheden en middelen. Elk kind heeft het recht een fier kind te zijn. Dat realiseren is de opdracht van de “vorige” generaties: ouders en scholen. Het faciliteren is de taak van de overheid.

Mieke Van Houtte (UGent) en Mathijs Lamberigts (KU Leuven) zijn beiden lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Wetenschappen en Kunsten (KVAB).

Partner Content