'Een boom heeft altijd de functie gehad om gekapt te worden', zei de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw vorig jaar. Een studie in het vakblad eLife lijkt haar in zekere zin gelijk te geven, alvast voor bomen in het Centraal-Afrikaanse regenwoud. Bose...

'Een boom heeft altijd de functie gehad om gekapt te worden', zei de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw vorig jaar. Een studie in het vakblad eLife lijkt haar in zekere zin gelijk te geven, alvast voor bomen in het Centraal-Afrikaanse regenwoud. Bosexperte Julie Morin-Rivat van het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika en haar collega's ontdekten namelijk dat bepaalde soorten in het regenwoud het minder goed doen nadat menselijke woudbewoners vertrokken zijn. Vroeger waren grote stukken van het woud meer bewoond dan nu. Vanaf het midden van de negentiende eeuw verhuisden nogal wat woudbewoners, onder druk van de kolonisatie, naar dorpen in de buurt van wegen en rivieren. Dat was administratief en commercieel interessanter. Nogal wat mensen stierven door eindeloze conflicten en bezweken aan ziektes waartegen ze geen weerstand hadden. Delen van het woud raakten daardoor verlaten. De volksverhuizing leidde ertoe dat er plaatselijk minder gekapt werd, waardoor er minder open plekken in het bladerdak overbleven. Bepaalde boomsoorten die licht nodig hebben, kregen het daardoor moeilijk. De populatie van minstens vier voor de houtindustrie belangrijke soorten veroudert sterk, en dat zou ongunstig zijn voor de bosbouw.