Het gaat niet goed met China. De economie groeit met nog maar zeven procent, de consumptie met tien procent en er worden dit jaar slechts zestig nieuwe wolkenkrabbers neergepoot. Naar Chinese normen is dat een probleem. Daarbij komt dat deze cijfers de waarheid verdoezelen. Wat zoekwerk levert een veel zorgwekkender beeld van de Chinese economie op. De invoer: gekrompen met 15 procent in vergelijking met vorig jaar. Het goederentransport: gekrompen met 10 procent. De productie van elektriciteit: toegenomen met slechts 3 procent. Als je uitgaat van die indicatoren, door premier Li Keqiang een betrouwbaar alternatief voor het bruto binnenlands product genoemd, dan zit China al bijna in een recessie.
...

Het gaat niet goed met China. De economie groeit met nog maar zeven procent, de consumptie met tien procent en er worden dit jaar slechts zestig nieuwe wolkenkrabbers neergepoot. Naar Chinese normen is dat een probleem. Daarbij komt dat deze cijfers de waarheid verdoezelen. Wat zoekwerk levert een veel zorgwekkender beeld van de Chinese economie op. De invoer: gekrompen met 15 procent in vergelijking met vorig jaar. Het goederentransport: gekrompen met 10 procent. De productie van elektriciteit: toegenomen met slechts 3 procent. Als je uitgaat van die indicatoren, door premier Li Keqiang een betrouwbaar alternatief voor het bruto binnenlands product genoemd, dan zit China al bijna in een recessie. Verder zoekwerk leert dat ook de sectoren waarvan de overheid beweert dat ze de zeven procent groei schragen eigenlijk helemaal niet zo sterk zijn. De groei van de binnenlandse consumptie is haast volledig voor rekening van de Communistische Partij, die met zijn 90 miljoen leden flink wat geld kan laten rollen. De groei van de dienstensector werd bijna uitsluitend gecreëerd door de bankensector, die eveneens gecontroleerd wordt door de Communistische Partij. Met andere woorden: de twee pijlers waarop de huidige groei rust, zijn bijzonder fragiel. En de groeivertraging wijst er ook op dat, in tegenstelling tot wat Peking ons wil laten geloven, er geen sprake is van ingrijpende hervormingen. De situatie is dus zorgwekkend. Een kwart van de bedrijven in de maakindustrie zit in de rode cijfers. Het consumentenvertrouwen blijft hangen op het laagste peil in twintig jaar en er zijn aanwijzingen dat de sociale onrust toeneemt. Je kunt er gif op innemen dat de overheid een nog agressiever exportbeleid zal voeren om de fabrieken te laten draaien, nog meer krediet zal toestoppen aan Chinese fabrikanten om met een prijzenslag de concurrentie te wurgen, nog meer zal proberen om met prestigeprojecten als de nieuwe Zijderoute andere landen aan zich te binden en de Europese landen verder tegen elkaar uit te spelen. Nu al loopt het handelsoverschot voor dit jaar op tot een record van 305 miljard dollar. De haven van Antwerpen mag zich dus in de handen wrijven, want de containerstroom vanuit het Oosten zal niet meteen opdrogen. Maar voor de maakindustrie betekent deze uitputtingsslag een ongelofelijke uitdaging. Zij riskeert het kind van de rekening te worden, terwijl veel politici de goedkope goederen en het bijbehorende krediet aanprijzen als een zegen voor de koopkracht. Met zo'n tijdelijke consumptieopstoot riskeren we opnieuw een langdurige verzwakking van onze eigen economie. Het handelstekort met China wordt maar niet kleiner, hetgeen ons land jaarlijks zo'n 5 miljard euro kost. De Chinezen zullen dit proberen te rekken zolang ze kunnen, maar dat neemt niet weg dat zelfs met een agressief exportbeleid de binnenlandse uitdagingen zich zullen opstapelen. De groeivertraging maakt bijvoorbeeld het ongelijkheidsprobleem urgenter. Ondanks herhaalde beloftes om de kloof tussen het binnenland en de kust of tussen plattelanders en stadsbewoners te verkleinen, is die blijven groeien. Het grootste gevaar is evenwel dat Peking nog meer van de zuurverdiende spaarcenten die de Chinezen bij de staatsbanken hebben uitstaan zal versassen naar riskante investeringsprojecten. De inzet vergroot en de risico's ook. Op korte termijn moeten we ons dus voorbereiden op hardere concurrentie. Op langere termijn houden we het best rekening met een nog scherpere terugval van de Chinese groei, wat de wereld in een economische ijstijd kan storten, want geen enkele andere markt is in staat om zo'n schok op te vangen. In dat geval is het best mogelijk dat landen nog meer zullen trachten om hun bedrijven via muntoorlogen en allerlei vormen van subsidies overeind te houden. De problemen in China zouden ons moeten aanzetten om de positie van onze samenleving in de huidige wereldeconomie kritisch te bekijken. Het is hoegenaamd geen optie om onze industrie, die sinds 2009 nauwelijks is gegroeid, verder te laten platwalsen. Evenmin is het haalbaar om ons te laten meesleuren in een prijzenslag. De malaise in China kan enkel geïnterpreteerd worden als een zoveelste signaal dat we zelf werk moeten maken van een nieuwe maakindustrie, die concurrerend en duurzaam is, meer kansen schept, en ons vooral minder kwetsbaar maakt.