Waren ze vrijheidsstrijders of opportunistische moordenaars? De senatoren die Julius Caesar op 15 maart 44 v.Chr. met 23 messteken om het leven brachten, zagen zichzelf in elk geval als helden die een tiran uit de weg ruimden. Romeinse aristocraten hadden een gloeiende afkeer van de tirannie. Dat hun voorvaders 550 jaar eerder de laatste koning verdreven hadden en de Republiek gevestigd hadden, vervulde hen met trots.

Caesar leek echter komaf te maken met hun inspraakrecht. Nadat hij een bloederige burgeroorlog had gewonnen, liet hij zichzelf in 45 v.Chr. uitroepen tot dictator voor het leven. Formeel was hij geen koning, maar iedereen begreep dat zijn wil wet was. Toch redde zijn dood de Republiek niet. Integendeel. Zoals Caesar voorspeld had, brak er na zijn dood een nieuwe burgeroorlog uit. Die werd gewonnen door Augustus die definitief het keizerrijk vestigde.

Voor latere Romeinse schrijvers die met heimwee terugdachten aan de verloren gegane vrijheden, was Caesar met zijn buitensporige machtswellust de doodgraver van de Republiek. Ook heel wat hedendaagse historici schilderen Caesar af als een beroepsrevolutionair, een man die van jongs af aan de Republiek wilde omverwerpen en zichzelf tot koning uitroepen.

De Romeinse schrijver Lucanus had gelijk wanneer hij Caesar omschreef als iemand 'die gedreven werd door de ambitie om alle anderen te overtreffen en die niet kon accepteren dat er iemand boven hem stond'. Maar het was, en dat is een belangrijke waarschuwing voor onze gepolariseerde tijd waarin bij de vleet veto's worden gesteld tegen politieke partijen, de Republiek die zichzelf van binnenuit verziekt had. Dat Caesar een oorlog begon, hadden de senatoren in de eerste plaats aan hun gebrek aan compromisbereidheid te wijten. Caesar had geen groot, vooraf bedacht meesterplan om de Republiek omver te werpen, het was de onverzoenlijkheid van zijn tegenstanders die hem daartoe dwong.

Permanente burgeroorlog

Caesar werd geboren in 100 v.Chr., in een door en door gewelddadige tijd. Dertig jaar eerder waren een aantal hervormers en hun aanhangers gelyncht door de elite in de senaat. 'In de eeuw die daarop volgde, verkeerde Rome in een bijna constante staat van burgeroorlog en factiestrijd', stelt doctor in de Oude Geschiedenis en wetenschappelijk medewerker aan de KU Leuven Herbert Verreth.

Een eeuw lang verkeerde Rome in een constante staat van burgeroorlog.

Doctor in de Oude Geschiedenis Herbert Verreth

De Italiaanse bondgenoten van Rome hadden in de jaren negentig een verwoestende oorlog ontketend. Enkele jaren later was er een burgeroorlog uitgebroken tussen de generaals Marius en Sulla. Duizenden aristocraten waren vogelvrij verklaard en geëxecuteerd, soms omdat ze politieke tegenstanders waren, maar net zo vaak omdat het regime hun rijkdommen wilde confisqueren. Er waren verschillende kleinere opstanden en staatsgrepen van Romeinse senatoren of legerleiders geweest. De beruchtste was die van Catilina, die bekend is geworden door de redevoeringen van Cicero die elke latinist moet bestuderen. En in de jaren vijftig, enkele jaren voor Caesar zijn burgeroorlog begon, werd Rome geplaagd door politiek straatgeweld. Verkiezingen moesten steeds opnieuw uitgesteld worden en de legendarische generaal Pompeius de Grote, een van de machtigste mannen van het rijk, durfde bijna een jaar lang zijn huis niet uit te komen. Het is alsof de Amerikaanse president Donald Trump zich maandenlang in het Witte Huis zou verschansen omdat straatbendes over Washington heersen.

Toen Caesar in 49 v.Chr. met zijn troepen de Rubicon overstak en Rome in een nieuwe burgeroorlog stortte, was dat dus geen anomalie, maar het zoveelste conflict in een lange reeks. De verleiding is groot om de strijd in ideologische termen te verklaren. Aan de ene kant stonden dan de populares onder leiding van Caesar - de populares waren de senatoren die voor de rechten van het volk streden. Tegenover hen stond de senatoriale elite onder leiding van de Pompeius de Grote. In die interpretatie zit een grond van waarheid. Caesar wilde veroverde volkeren die geen Romeins burgerschap hadden meer rechten geven en hij pleitte voor landherverdelingswetten om de verpauperde bevolking van Rome een boerderijtje te geven. Veel senatoren huiverden bij die voorstellen.

'Maar met ideologie hebben al die conflicten weinig te maken', zegt Verreth. 'Ik zie een constante machtsstrijd tussen ambitieuze individuen. De gevestigde orde in de senaat wilde absoluut vermijden dat nieuwkomers politieke macht verwierven. Daartegenover stonden jonge politici zoals Caesar, die vaak militaire macht hadden en door hun veroveringen rijk waren geworden. Zij wilden absoluut hun plaatsje veroveren: de populares waren vooral bekommerd om hun eigen positie en gebruikten het volk om op te klimmen. Veel Romeinse politici begonnen als populares. Maar eens ze dankzij het volk de hogere regionen bereikten, veranderden ze van kamp.'

Republiek in nood

De Romeinse politiek was, nog veel meer dan onze, een bikkelharde machtsstrijd. Voor een Romeinse senator was niets zo belangrijk als zijn dignitas: zijn waardigheid en de plaats die hij innam in de maatschappelijke hiërarchie.

Het was alsof Bart De Wever vermoord werd door John Crombez en Theo Francken zich enkele dagen later met de socialisten verzoende.

Politieke partijen zoals vandaag, als een hecht gestructureerde groep mensen die dezelfde waarden delen en daar samen voor strijden, bestonden niet. Het idee een backbencher te zijn, een trouwe partijsoldaat die zijn hele carrière nuttig werk in de achtergrond verricht, zou veel Romeinse senatoren met afgrijzen vervuld hebben. Romeinse 'partijen' waren eerder losse verbanden, waarbij mensen die tijdelijk dezelfde doelstellingen hadden met elkaar samenwerkten. Een van de bekendste medestanders van Caesar was Marcus Antonius - de Marcus Antonius die met Cleopatra zelfmoord pleegde. Maar toen Caesar vermoord werd, sloot Marcus Antonius binnen de kortste keren vrede met de samenzweerders om zijn eigen positie te consolideren. Het bewijst hoe opportunistisch en weinig ideologisch de Romeinse politiek was. Kunnen wij ons voorstellen dat N-VA-voorzitter Bart De Wever door zijn SP.A-collega John Crombez vermoord wordt en dat Theo Francken (N-VA) zich na enkele dagen met de socialisten verzoent? (Al zouden ze achteraf wel een zoveelste burgeroorlog beginnen.)

Maar niet alleen persoonlijk aanzien was belangrijk. Dé nachtmerrie van de Romeinse aristocraat was dat een van hen zichzelf tot koning zou kronen. Bijgevolg moest iedereen die te succesvol was aangepakt worden, zelfs als dat de Republiek verlamde.

Dat ondervond ook Caesar, zelfs wanneer hij noodzakelijke hervormingen voorstelde. In 59 v.Chr. werd Caesar consul, de hoogste politieke functionaris in Rome. In de voorafgaande eeuw was de bevolking van de hoofdstad explosief gegroeid. Die grote bevolkingstoename was het gevolg van een verarming van het platteland, waardoor veel kleine boeren noodgedwongen hun boerderijen aan grootgrondbezitters hadden moeten verkopen. Omdat die het land lieten bewerken door slaven zat er voor de haveloze boeren en hun gezinnen niets anders op dan naar Rome te migreren waar ze in armzalige en onveilige woonkazernes terechtkwamen. Die proletariërs waren hun werk en trots kwijt, en konden enkel dankzij graanbedelingen in leven gehouden worden. Zo werden de sloppenwijken broeihaarden van ressentiment, dat beseften ook veel senatoren.

De Romeinse proletariërs waren degenen die Donald Trump vandaag the forgotten men noemt.

Daarom stelde Caesar, zoals verschillende populares hem voorgedaan hadden, enkele landhervormingswetten voor. Zelfs zijn tegenstanders gaven toe dat de wetten erg redelijk waren: alle gronden moesten geheel vrijwillig en tegen marktconforme prijzen opgekocht worden. En toch werd het voorstel in de senaat gekelderd. De reden? De populaire Caesar had het ingediend. Als hem dat succes gegund werd, zo vreesden de senatoren, zou de grote massa hem op handen dragen. En wie zou hem dan nog kunnen tegenhouden als hij zichzelf tot koning uitriep?

Zo verloor de Republiek haar legitimiteit. De proletariërs waren degenen die Trump vandaag 'the forgotten men' noemt: wat kon hen vrijheid of inspraakrecht nog schelen, als ze in bittere armoede leefden en de steenrijke elite lak aan hen had?

Democratische erosie

Door de onbuigzaamheid van de senaat groeiden ook de frustraties bij Caesar, tot hij uiteindelijk in 49 v.Chr. de wapens opnam. In 58 v.Chr. was Caesar begonnen aan zijn verovering van Gallië. Dat was een humanitaire ramp. Volgens Romeinse waarnemers waren er meer dan een miljoen Galliërs gestorven en minstens evenveel tot slaaf gemaakt. Maar Caesar, die als consul al populair was, werd een van de meest bewonderde mannen van Rome, ook al kwam hij negen jaar lang niet meer in de stad. Bovendien was hij door plundertochten en schattingen wanstaltig rijk geworden en had hij de loyaliteit van zijn 40.000 soldaten gekocht. De senatoren probeerden echter de macht van Caesar te breken: ze eisten dat hij zijn bevel zou neerleggen en in Rome terecht zou staan omdat hij een decennium eerder als consul de procedures in de senaat had omzeild.

Caesar ondernam enkele verzoeningspogingen, maar de senaat weigerde een strobreed toe te geven. In zijn monumentale Caesarbiografie schrijft de Britse historicus Adrian Goldsworthy: 'Caesar koos voor de gewapende strijd omdat wat hem betrof alle alternatieven slechter waren. De Romeinse wereld verzonk in chaos en bloedvergieten omdat één man vastbesloten was zijn dignitas te verdedigen, terwijl anderen al even vastbesloten waren die te vernietigen.'

Maar als Caesar had ingebonden, was dat vermoedelijk niet meer dan uitstel van executie geweest voor de Republiek. Het gebrek aan compromisbereidheid had Rome tot in haar kern vermolmd. 'Er was maar een manier om die conflicten permanent op te lossen', stelt Verreth vast. 'De heersende klasse had de nieuwe rijken moeten laten delen in de macht. Ze had verder moeten kijken dan haar neus lang was. Maar de elite was ervan overtuigd dat ze superieur was. Veel belangrijke families geloofden dat er goddelijk bloed door hun aders stroomde of dat hun afstamming terugging tot de tijd van Romulus, de legendarische stichter van Rome. Als je dat vijfhonderd jaar lang aan je familie hebt wijsgemaakt, is het heel moeilijk om opeens een stapje terug te zetten om vrede te bewerkstelligen.'

De toegenomen polarisatie had de Republiek doodziek gemaakt. Bij elke nieuwe opstand of bloederige repressie, had de geloofwaardigheid van de Republikeinse instellingen een klap gekregen. Veel historici hebben de oorlog tussen Caesar en de senaat beschreven als een strijd tussen slavernij en vrijheid. De meer lucide Cicero daarentegen schreef dat het een strijd was tussen twee vormen van slavernij. Cicero begreep dat democratische instellingen en gebruiken niet oneindig levensvatbaar waren. Bij elke nieuwe gewelddaad was de Republiek wat meer verbrokkeld, tot er uiteindelijk slechts een ruïne achterbleef.

Concentratie van de macht

In de vierhonderd jaar tussen de stichting van de Romeinse Republiek en het begin van de burgeroorlogen had Rome goed gefunctioneerd. Natuurlijk waren er interne strubbelingen geweest, maar de staat had die behoorlijk weten op te vangen. Waarom liep het mis in de eerste eeuw v.Chr.?

Het succes van Rome leidde tot de ondergang van de Republiek. Dat ooit klein stadje was in de tweede eeuw v.Chr. de dominante macht geworden in het Middellandse Zeegebied. In de volgende eeuw breidden generaals als Pompeius de Grote en Caesar het rijk nog gevoelig uit. Die veroveringen vervulden de Romeinen met trots, want ze bewezen dat ze uitverkoren waren door de goden. Maar toen al begrepen scherpzinnige Romeinse waarnemers de gevaren van de expansie.

Consuls werden aangesteld voor een jaar. Na hun ambtstermijn werden ze naar de provincies gestuurd om die als gouverneur te besturen. Daar konden ze zich door corruptie en machtsmisbruik enorm verrijken. Door de toename van het aantal provincies, zeker na de inlijving van een aantal rijke gebieden in het oosten, was dat probleem nog verergerd. En wie, zoals Caesar, een nieuwe provincie veroverde, kreeg een privéleger en werd een staat in de staat.

Het succes van Rome leidde tot de ondergang van de Republiek.

Door de toegenomen winstkansen werd de concurrentie om de topfuncties niet alleen moordend, de kloof tussen de winnaars en de verliezers werd steeds groter. Wie een belangrijk buitenlands commando binnenhaalde, torende torenhoog boven de andere senatoren uit en kon dromen van de ultieme macht. De Britse historica Mary Beard verwoordt het in haar boek SPQR treffend: 'Het imperium creëerde de keizers en niet andersom.'

Maar ook de prijs van de nederlaag werd steeds groter. Verkiezingen in Rome werden gewonnen door met steekpenningen te zwaaien en door kiezers te overladen met geschenken, beloften en spectaculaire spelen of bouwwerken. Ambitieuze jongemannen die carrière wilden maken, moesten zich zwaar in de schulden steken. Ook Caesar, die tot een oude maar enigszins verarmde familie behoorde, moest aanvankelijk een beroep doen op geldschieters die toekomst zagen in de ambitieuze jongeman.

Die schulden konden maar op een manier afbetaald worden. Goldsworthy schrijft: 'Veel kandidaten gingen ervan uit dat ze na hun ambtstermijn wel een rijke provincie zouden krijgen. Dan zouden ze hun schulden kunnen voldoen met het geld dat ze afpersten van de ongelukkige bevolking en de steekpenningen die ze kregen.'

Een bekend grapje in Rome luidde dat je drie jaar gouverneur moest zijn. Het eerste diende om je schulden af te betalen, het tweede om je een fortuin bijeen te plunderen en het derde om genoeg te sparen zodat je de jury en rechters kon omkopen bij het onvermijdelijke corruptieproces.

Herhaalde pogingen om de corruptie aan banden te leggen waren weinig succesvol. Integendeel, aangezien er door de veroveringen steeds meer geld naar Rome vloeide, nam de corruptie nog toe. In 54 v.Chr., vijf jaar voor Caesar een burgeroorlog ontketende, hadden twee kandidaten voor het consulaat tien miljoen sestertiën uitgegeven enkel om de stemmen van de rijkste kiezers te kopen. Met dat bedrag kon je 20.000 arme gezinnen een jaar lang onderhouden.

© Houtekiet

Wie een belangrijke verkiezing verloor - en dus geen buitenlands commando kreeg - zat aan de grond. Op de ochtend van een cruciale stemming zei Caesar met gepast gevoel voor drama tegen zijn moeder: 'Vanavond keer ik terug als Pontifex Maximus, of helemaal niet.' De eerder vermelde Catilina begon zijn staatsgreep omdat hij geruïneerd was na het verliezen van enkele verkiezingen en bij het begin van de burgeroorlog kreeg Caesar veel steun van jonge, bijna failliete aristocraten die hoopten dat de oorlog de kaarten zou herschudden.

Zo werd de politiek steeds meer een alles-of-niets spel. Wie verkiezingen verloor, was bankroet en wie won, mocht ongebreidelde ambities koesteren. Het is een cruciale les die de late Republiek ons leert: de mogelijke winsten van (politiek) succes moeten beperkt blijven. Toch gebeurt tegenwoordig het omgekeerde. De Amerikaanse onderzoeksjournalist Bob Woodward zei onlangs in Knack dat Trump een veel groter gevaar is dan zijn voorganger Richard Nixon, omdat de president vandaag veel meer bevoegdheden heeft dan veertig jaar geleden. Misschien zien we ook in eigen land die tendens: veel commentatoren vonden de gemeenteraadsverkiezingen van oktober de vuilste in lange tijd. In onze particratie, waar de macht steeds meer bij partijvoorzitters en een select clubje vertrouwelingen ligt, is dat misschien niet zo verwonderlijk. Voor partijleiders, die machtiger zijn dan ministers en parlementsleden al helemaal in de schaduw stellen, is het belang van de verkiezingsoverwinning en de prijs van de nederlaag te groot. De val van de Republiek leert ons dat geen fatsoensnorm of wet is opgewassen tegen de lokroep van ongebreidelde macht.