Vrije Tribune

‘Universiteiten worden meer ter verantwoording geroepen dan vroeger: maar ook de pers mag in eigen boezem kijken’

Vrije Tribune Hier geven we een forum aan organisaties, columnisten en gastbloggers

‘Een schandaalsfeer kan een constructief debat en een aanpak van het probleem in de weg staan’, schrijven zeven academici over de verkrachtingszaak aan de KU Leuven. Ze leggen uit hoe de belanghebbenden best tot reflectie kunnen worden gebracht.

De verkrachting van een studente door een professor in 2016 roept terecht grote verontwaardiging op, binnen en buiten de universitaire gemeenschap. Ondanks, maar misschien net ook omwille van deze zeer emotionele context, willen we hierbij oproepen om ruimte te geven aan reflectie. Die moet helpen om uit de gruwelijke feiten en uit de behandeling ervan de juiste lessen te trekken over het voorkomen en aanpakken van eventuele nieuwe gevallen.

Voor alle duidelijkheid: het eerste doel is altijd om toekomstige gevallen te voorkomen. Alle grote organisaties kampen echter met gevallen van machtsmisbruik en grensoverschrijdend gedrag. Zelfs met een ideaal beleid, zal dit niet anders zijn voor onze universiteiten (die gezamenlijk tienduizenden werknemers hebben). Meer dan bij grote bedrijven zorgt machtsmisbruik bij universiteiten voor een publiek debat. Gezien de pedagogische rol van universiteiten is dit normaal. Tegelijk baadt dit debat in een sfeer van schandaal. Dergelijke sfeer kan een constructief debat en een aanpak van het probleem in de weg staan.

Opgeklopte sensatie is in het hele debat contraproductief. Onder ‘Het potje moest bedekt blijven’ schreef Het Belang van Limburg op 22 oktober over ‘een doofpotoperatie van de unief’. Op basis van deze berichten, reageerden velen waaronder ook vooraanstaande politici emotioneel en verontwaardigd. Dat is, gezien de teneur van het stuk, niet onbegrijpelijk. De grove en pijnlijke beschuldiging van een doofpotoperatie is intussen van tafel  (al zou u niet altijd die indruk krijgen als u latere koppen leest). Intussen is hiermee erg veel kwaad gedaan. Er bestaat namelijk een ankereffect, waarbij de manier waarop een verhaal in de markt wordt gezet nooit helemaal door latere rechtzettingen (en al helemaal geen halfslachtige) kan worden goedgemaakt.

Het allerbelangrijkst zijn uiteraard de negatieve gevolgen voor het slachtoffer in deze zaak, dat uitdrukkelijk publieke ruchtbaarheid vreesde. Dat kranten of een minister nog net niet de naam noemen van een slachtoffer is daarbij een schrale troost. Net de mensen uit de omgeving van wie een slachtoffer het minst wil dat ze pijnlijke intieme details kennen, zullen ongetwijfeld meteen het slachtoffer kunnen identificeren.

Het gevaar is dat slachtoffers die vrezen dat hun pijnlijke ervaringen op straat wordt gegooid, nu nóg terughoudender riskeren te worden voor ze een klacht neerleggen.  Andere slachtoffers vrezen, ten onrechte, dat klachten nooit gedegen en met respect worden behandeld.  Vertrouwensmedewerkers melden nu al dat de drempel hiervoor door de mediaheisa is verhoogd, zoals rector Luc Sels ook al in een radio-interview benadrukte.

De verdachtmakingen en de ongenuanceerde kritiek op de aanpak van deze zaak kunnen niet anders dan hard zijn aangekomen bij de vele beleidsmensen en medewerkers die in eer en geweten de slachtoffers zo goed als mogelijk met raad en daad bijstaan. Dit is demotiverend en oneerlijk. Het rapport van de Regeringscommissaris maakt duidelijk dat de bescherming van het slachtoffer als een rode draad doorheen de handelswijze van de KU Leuven liep. Laten we die inspanningen van de betrokken medewerkers erkennen en hen ervoor bedanken. Als zij zouden afhaken omwille van een sfeer van verdachtmakingen, zetten we stappen achteruit.

Binnen universiteiten kan een hitsige media-zoektocht naar een zondebok bovendien leiden tot een defensieve houding, waardoor de inderdaad broodnodige zelfreflectie wordt bemoeilijkt. Als de beschuldiging komt van een doofpotoperatie, kan een instelling dat niet zomaar laten passeren als de beschuldiging onjuist is. Een kritische bevraging van bestaande praktijken wordt ook veel moeilijker als elke stap naar verbetering wordt uitgelegd als een bewijs van de morele verantwoordelijkheid voor een verkrachting.

Niet alles is schuldig verzuim; er bestaat ook imperfectie die niet het resultaat is van kwaadwilligheid of morele luiheid, wel van incompatibele procedures, een gerecht dat tijd nodig heeft en toevallige omstandigheden. Er is ook de moeilijke verzoening van het vermoeden van onschuld met het voorkomen van verdere slachtoffers, in het licht van de beperkte en onzekere informatie die een universiteit kan krijgen. 

Het zoeken naar een correcte aanpak is binnen de bestaande juridische context zelden eenvoudig. Sommige opiniemakers en politici leken bijvoorbeeld geen oog te hebben voor het feit dat bewijsvoering soms veronderstelt dat een dader in het ongewisse blijft (bv. om een huiszoeking te kunnen doen). Dit alles kan niet worden weggezet als zich “verschuilen achter procedure”. Die procedures zijn net essentieel als we willen dat een dader effectief wordt gestraft. Uiteraard moeten maatschappij en universiteit zich grondig durven bevragen over verbeteringen in die gerechtelijke en tuchtprocedures. Maar laten we ook daar erkennen dat er vaak geen simpele oplossingen zijn.

Zoals de meeste instellingen wordt de universiteit meer ter verantwoording geroepen dan vroeger. Dat is zonder meer gezond.  Maar ook de pers mag in eigen boezem kijken. Ja, in latere stukken over de verkrachtingszaak gaven kranten vaak wel de juiste informatie: maar zelden wordt de lezer er duidelijk op gewezen dat de initiële berichten, toen nochtans ook al bekend en gecommuniceerd was dat de KU Leuven handelde in lijn met vragen van justitie, niet correct waren en de lezer mogelijk op het verkeerde been hebben gezet. De zware verontwaardiging – die initieel werd opgewekt met de suggestie van de hand boven het hoofd houden van een verkrachter – bleef later behouden voor aspecten die niet dezelfde verontwaardiging verdienen, zoals de toon en timing van de communicatie.

Als we echte structurele verandering willen, hebben we ook nood aan een pers die het belangrijker acht  wat écht in het belang is van slachtoffers, ook de toekomstige, dan goed klinkende sensatie. Maar ook in de media zal het, zelfs wanneer iedereen de beste bedoelingen heeft, af toe mis gaan. We willen vragen dat de media op zulke momenten getuigen van moed en deontologie en zelf die foute informatie expliciet corrigeert. Het zou bijdragen tot een veel sterker maatschappelijk debat waarin de feiten de plaats krijgen die ze verdienen.

Andreas De Block (wijsbegeerte, KU Leuven), Koen Lemmens (rechten, KU Leuven), Evelyne Terryn (rechten, KU Leuven), Joeri Vananroye (rechten, KU Leuven), Tine Vertommen (criminologie, Thomas More) Jogchum Vrielink (rechten, KU Leuven & USL-B), Kaat Wils (geschiedenis, KU Leuven).

 

Partner Content