Voormalig ombudsman KU Leuven: ‘Luc Sels wordt ten onrechte een slappe houding verweten’

Luc Sels © Belga
Han Renard
Han Renard Han Renard is redacteur bij Knack

‘Het slachtoffer is deze week nog eens geslachtofferd,’ zo reageert gewezen ombudsman van de KU Leuven Jozef Corveleyn op de kwestie rond de wegens verkrachting veroordeelde professor F.D.

De zaak rond F.D., hoogleraar Pedagogiek aan de KU Leuven, die vorige week is veroordeeld voor de verkrachting van één van zijn studentes tijdens een congres in Barcelona, heeft veel stof doen opwaaien. Groot was de verontwaardiging dat na de eerste geruchten over ongewenst gedrag het kennelijk twaalf jaar wachten was tot het tot een definitieve veroordeling kwam.

Vlaams N-VA-minister Zuhal Demir zette subsidies on hold met de mededeling: ‘We moeten keihard zijn voor een instelling die een verkrachting niet meteen veroordeelt. Je kunt het als grootste universiteit van het land niet maken om wel op de eerste rij te staan voor Vlaamse subsidies, maar je te verstoppen voor je maatschappelijke verantwoordelijkheid.’

Het slachtoffer liet namens haar advocaat echter weten dat de KU Leuven volgens haar in deze zaak correct heeft gehandeld. En ook de regeringscommissaris van de Vlaamse regering verklaarde, op grond van interne documenten en mailverkeer, dat de KU Leuven had gedaan wat ze moest doen.

Jozef Corveleyn, hoogleraar Klinische Psychologie op rust, was begin 2010 pas aangesteld als ombudsman van de KU Leuven. Hij kreeg snel de vraag van de toenmalige departementsvoorzitter van Pedagogiekafdeling van de faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen of er al voortgang en opvolging was over de eerste meldingen in verband met grensoverschrijdend gedrag van F.D.? Die waren eind 2009 bij Corveleyns voorganger gedaan.

Naar verluidt was de reputatie van F.D. binnen zijn faculteit al lang gekend? Anonieme collega’s noemen hem in de kranten ‘een cowboy’, en dat al van in de jaren 1990, toen hij werd benoemd.

Jozef Corveleyn: Over de jaren 1990 en de geruchten die toen de ronde zouden hebben gedaan, heb ik nooit iets geweten, ook niet in mijn periode als decaan van de faculteit tussen 2001 en 2007. Maar de faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen was ook een groot huis. Ik heb pas gehoord van het gedrag van F.D in 2010 toen ik ombudspersoon van het personeel ben geworden.

Wat hebt u toen precies vernomen?

Corveleyn: Dat heb ik eind 2020, op vraag van de juridische dienst van de KU Leuven en rector Luc Sels, die nu ten onrechte stilzwijgen en een slappe houding wordt verweten, zo precies mogelijk proberen op te schrijven in een e-mail. Die e-mail is kennelijk in het gerechtelijk dossier beland en daarin staat het volgende.

Begin 2010, toen ik net begonnen was als ombudspersoon, heeft de toenmalige departementsvoorzitter Pedagogiek, Bea Maes, mij gezegd dat een voormalige studentenvertegenwoordigster die intussen personeelslid was geworden, een gesprek had gehad over F.D. met mijn voorganger. Dus nog vóór 2010. Ze had opnieuw contact opgenomen met departementsvoorzitster Maes, omdat ze zich zorgen maakte over nog andere klachten die ze over F.D. had opgevangen. Mij is toen gevraagd om daarover een gesprek te hebben met die voormalige studente van F.D., die samen met andere vrouwelijke studenten zijn vervelende gedrag, terecht, als grensoverschrijdend had ervaren.

Ik heb dat gesprek onmiddellijk gevoerd, eerst met de studentevertegenwoordigster. Zij was dus inmiddels personeelslid en voelde zich daardoor waarschijnlijk wat veiliger om te spreken. Maar zij sprak dus ook namens een aantal andere studenten en ex-studenten van F.D. Voor mij leed het geen twijfel dat het hier ontoelaatbaar grensoverschrijdend gedrag betrof, waarover ons personeelsreglement heel duidelijk is.

Over wat voor gedragingen ging het?

Corveleyn: Ongewenste aanrakingen tijdens lessen en practica, opmerkingen over het uiterlijk van de studentes, werkvergaderingen die eigenlijk niet nodig waren maar die hij opdrong, langskomen op het kot van studentes – allemaal manieren om binnen te dringen in de intimiteit van de studenten. Ik heb toen gevraagd of er nog klagers waren, om een en ander nog kracht bij te zetten, en toen is er nog één iemand over soortgelijke feiten komen getuigen. Anderen weigerden. Ze hadden geen last meer van F.D. omdat ze geen student meer waren, en wilden er, ondanks mijn aandringen, niet op terugkomen. Ik heb de melders ook onmiddellijk gevraagd, verwijzend naar het tuchtreglement voor het academisch personeel, of ze een klacht wilden indienen. Dat had immers het startpunt kunnen zijn van een interne klachtenprocedure en een eventuele sanctie tegen het personeelslid.

Maar dus geen van de studentes wilden op dat moment een klacht indienen?

Corveleyn: Geen van hen heeft dat willen of durven doen. Wel heb ik toen een aantal ernstige gesprekken met F.D. gevoerd. Daarin heb ik hem nadrukkelijk gewezen op het volstrekt ontoelaatbare van zijn gedrag, en verwezen naar de interne reglementen en de mogelijke consequenties voor zijn carrière. Hij ontkende de feiten in alle talen. Ik heb hem gezegd dat dit soort gedrag nooit meer mocht plaatsvinden. In september 2010, een half jaar later, heb ik aan de departementsvoorzitter gevraagd of er nieuwe meldingen waren gekomen. Dit bleek niet het geval. Op het eind van mijn mandaat als ombudspersoon, in 2015, heb ik dat bij de voorzitter nog eens expliciet nagevraagd. Opnieuw waren er geen nieuwe meldingen gekomen.

Zegt u dan: meer kon de universiteit bij afwezigheid van klachten in die jaren niet doen om studentes te beschermen?

Corvelyn: Wat had men meer kunnen doen op dat moment? Dat vraag ik aan alle mensen die nu schreeuwen dat er niet kordaat genoeg is gereageerd. Moeten we terug naar de schandpalentijd?

Kwam F.D. in die gesprekken waarin hij alles ontkende, op u geloofwaardig over?

Corveleyn: Ik geloofde hem nauwelijks, zal ik eerlijk zeggen, dat is ook de reden waarom ik ben blijven controleren of er nieuwe meldingen kwamen. Maar of ik iemand geloof of niet, is een subjectieve inschatting. Of hij authentiek overkwam op mij, niet dus, doet eigenlijk niet ter zake. Een ombudsman heeft bovendien geen juridische maar een bemiddelende functie, tussen personeelsleden onderling en tussen personeel en studenten. In die functie moet je voortgaan op wat mensen zeggen. Het is een vertrouwensrol.

Duidt het feit dat slachtoffers destijds geen klacht wilden indienen niet op een gebrek aan vertrouwen in interne meldpunten en een klimaat van angst binnen het departement? En hoe kan het beter?

Corveleyn: Of er een klimaat van angst heerste, weet ik niet. Dat wordt zo geschreven, maar dat is geen vastgesteld feit. Wel is er natuurlijk het gegeven dat studenten, zeker doctoraalstudenten, in een afhankelijkheidsrelatie van een professor staan. Ze zijn ook bang dat ze bij een formele klacht de confrontatie met de vermoedelijke dader moeten aangaan. Dat zag je bijvoorbeeld ook in het dossier-Bart De Pauw. De vrouwen die daarin hebben getuigd, waren ook heel terughoudend. Ook natuurlijk omdat ze niet wilden dat hun namen in de openbaarheid zouden komen.

Dat geldt in deze zaak natuurlijk ook. Die moedige vrouw die uiteindelijk een klacht heeft ingediend, wil vooral met rust gelaten worden om die akelige ervaring te kunnen verwerken en achter zich te laten. Maar iemand als minister Zuhal Demir veegt dat van tafel. En dan staan er bijna letterlijk journalisten aan de deur van het slachtoffer, want die hebben in het vonnis gelezen wie ze is. Zo is het slachtoffer deze week nog eens geslachtofferd. Los daarvan: dankzij #Metoo zijn mensen gelukkig waarschijnlijk geneigd om sneller een klacht in te dienen. Maar ik moet het toch nog zien gebeuren. Overigens, zal het externe meldpunt, zoals velen in de pers en de politiek nu als oplossing aanbevelen, de drempel echt verlagen?

De psychologische drempel blijft?

Corveleyn: Er blijft altijd een drempel, het is heel lastig als slachtoffer te gaan getuigen, welke procedures er ook zijn, en al zijn die procedures dan beter en toegankelijker dan vroeger.

Met wat er is gebeurd, denkt u soms niet: we hadden F.D. kunnen stoppen destijds?

Corveleyn: Dat is een terechte, maar moeilijke vraag. Als er geen duidelijke klachten zijn, en het dus alleen om geruchten of vermoedens gaat, kun je als instelling niet veel doen, behalve de man confronteren met die geruchten en hem terechtwijzen. Herinner u in diezelfde tijd, in 2012, het geval Walter Vandereycken, psychiater en deeltijds hoogleraar aan de Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen. De man had zelf verteld in een televisie-interview dat hij seksueel grensoverschrijdend gedrag had gepleegd met cliënten en dat hij daar ‘enorm mee in de knoei zat’. Toen is de KU Leuven onmiddellijk gestart met een tuchtprocedure en die collega is niet alleen bijna onmiddellijk geschorst door toenmalig rector Mark Waer, maar een jaar nadien uiteindelijk ook ontslagen. Dus men zit op het rectoraat niet zomaar met de vingers te draaien in de hoop dat dit soort zaken vanzelf overwaaien. Als er feiten zijn, is het reglement snedig genoeg om in te grijpen. En in deze recente zaak is het natuurlijk ook zo dat, toen er eenmaal een klacht is ingediend, de universiteit op vraag van het parket heeft gewacht met tuchtmaatregelen tot het onderzoek was afgerond. Helaas heeft dat vier jaar moeten duren.

Minister Demir zei ter verdediging van het slachtoffer te spreken, toen ze besloot subsidies achter te houden zolang de KU Leuven geen voldoende opheldering gaf over de gang van zaken.

Corveleyn: Als het gerecht zijn werk al heeft gedaan, en goed zijn werk heeft gedaan – de dader is veroordeeld en zit in de gevangenis – is het slachtoffer voldoende beschermd en verdedigd. Wat moet een minister, iemand van de uitvoerende macht, daar nog aan toevoegen? Het slachtoffer heeft genoegdoening gekregen en hopelijk helpt dit om toekomstige daders af te schrikken. En wat betreft de universiteit: na de eerste melding van de verkrachting in 2016 van het slachtoffer, met steun van de vertrouwenspersoon, en de formele klacht in 2018, heeft het parket de universiteit gevraagd om zich gedeisd te houden zodat er geen bewijsmateriaal – er zouden met name nogal wat Whatsapp-berichten tussen de studente en de prof zijn uitgewisseld – zou worden vernietigd. Als het parket zegt: KU Leuven, stilhouden die zaak, anders kunnen wij ons werk niet doen, dan doe je dat. Anders breng je heel de gerechtelijke procedure in gevaar.

Stel dat de KU Leuven die vraag van het parket naast zich neer had gelegd en mogelijk wel de procedure in gevaar had gebracht?

Corveleyn: Dan had men geschreven: zitten er soms geen juristen aan de KU Leuven?

Partner Content