Kevin Lambeets zet de zeis in het gras: ‘Het is onze morele plicht om de biodiversiteit te verzorgen’

Kevin Lambeets: ‘Om te weten of een blad scherp genoeg is, doen we de vingernageltest.’ © JONAS LAMPENS

De man met de zeis bestaat. Hij woont in Geetbets en doet geen vlieg kwaad. Au contraire: met zijn haarscherp tuig maakt Kevin Lambeets de baan vrij voor ontelbare planten en beestjes.

Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten

Wel zestig zeisbladen heeft Kevin Lambeets in zijn bezit, verspreid over zijn atelier en woonvertrekken, maar een verzamelaar wil hij zichzelf niet noemen. Als hij weer ‘s wordt benaderd door collectioneurs uit Italië of Oostenrijk die uit zijn op een ruildeal of een uniek stuk, antwoordt Lambeets altijd dat hij in de eerste plaats ‘een gebruiker’ is, maar ook ‘een ambassadeur’.

Lambeets, van boven tot onder bekleed met kleurrijke tatoeages, is voorzitter en enige werknemer van de sympathieke firma Zeis en Bijl, die mensen weer warm wil maken voor het handwerktuig. Elk jaar leidt hij 250 tot 300 mensen op in de edele kunst van het zeisen. In lezingen en webinars zet hij boompjes op over de kennis van weleer, die door de industrialisering en vooral de commercialisering na de Tweede Wereldoorlog verloren is gegaan. Hij begint dan altijd met de echo’s uit het eigen verleden.

Kevin Lambeets: ‘Mijn grootouders hadden een kleine boerderij, zoals er zoveel waren hier in het Hageland: een paar koeien, een boerenpaard en wat varkens en konijnen om zelf op te eten. Op gezette tijdstippen trok mijn grootvader met paard en kar naar de vallei om er een lap uit een grasland te maaien. Iedereen kon dat, je leerde dat van vader op zoon. Zeisen was deel van het leven.’

De zeis is een geweldig alternatief voor de grasmaaier. Zowel in grote als in kleine tuinen.

Hebt u het metier ook van uw vader geleerd?

Kevin Lambeets: (schudt het hoofd) Bij mij is dat pas later gekomen. Ik heb wel altijd een passie gehad voor handwerktuigen. Van kleins af aan liep ik op de boerderij rond met een bijltje in mijn handen. Daar slingerde veel rond, maar jammer genoeg is er ook veel verdwenen.

Gaandeweg raakte ik in de ban van de zeis. Ik heb het eerst op mijn eentje proberen te leren, maar dat lukte van geen kanten. Ik heb toen mijn eerste cursus georganiseerd, en heb mezelf ingeschreven als deelnemer. Ik kreeg het onder de knie en raakte meer en meer begeesterd: ik besefte dat ik die passie met de wereld wilde delen. Niet alleen de techniek: ik wilde ook duidelijk maken dat de natuur haar plaats heeft in de tuin.

Die interesse voor natuur is pas laat gekomen: op mijn eenentwintigste had ik nog nooit van een gaai gehoord, ik kende het verschil niet tussen een pimpelmees en een koolmees. En dan zat ik al in mijn derde jaar biologie aan de UGent. (lacht) Ik heb een raar parcours afgelegd. Ik kom uit een technische familie: mijn vader is lasser-monteur en mijn broer heeft automechanica gedaan. Het lag in de lijn van de verwachtingen dat ik een technische richting zou volgen. Maar ik was vooral geboeid door chemie en biologie. Ik heb de waterval in de omgekeerde richting afgelegd: in het vierde jaar ben ik naar het aso gegaan, en later heb ik me ingeschreven aan de universiteit in Gent. Daar leerde ik Dries Bonte kennen, onze begeleider tijdens veldexcursies en later ook de promotor van mijn doctoraat: hij heeft mijn liefde voor de natuur aangewakkerd.

Een blik op zijn uitgestrekte en weelderige tuin, 45 are groot, volstaat om vast te stellen dat Lambeets de daad bij het woord voegt. In een klein notitieboekje maar ook online op waarnemingen.be houdt hij nauwgezet een lijst bij, met elke inheemse planten- en diersoort die hij tot nu toe in zijn tuin heeft aangetroffen. De teller staat op 1187. Daar zitten planten, vogels, nachtvlinders en andere insecten tussen, maar ook de vos die hij op een ochtend op een kat zag jagen.

De lijst langer maken: is dat uw ultieme ambitie?

Lambeets: Ik zit in een Facebookgroepje – 1000 soorten-tuinen – waar iedereen nieuwe waarnemingen post. Als ik mijn nachtvlinderval span en een lindepijlstaart aantref, ben ik blij.

© JONAS LAMPENS

‘Wie heeft de langste?’ staat er trots in de groepsomschrijving.

Lambeets: Noem het een gezonde vorm van competitie. (lacht)

Op welke waarneming bent u het trotst?

Lambeets: Ik heb dit jaar een gevlamde uil gevangen, een heel fraai getekende nachtvlinder. Jaarlijks trekken vluchten kraanvogels laag over het huis. En ik zag tijdens de appelpluk ook ‘s drie zwarte ooievaars. Maar het strafst van al was een troep van 45 vale gieren. Ik stond (wijst) daar opleiding te geven, toen ik plots iets zag bewegen in mijn ooghoek. Ik draaide mijn hoofd en slaakte een kreet van verrukking. Mijn cursisten dachten dat ik zot was geworden.

Het echte belang van dit notitieboekje is dat ik met eigen ogen vaststel dat er in mijn tuin veel leven is, terwijl wij omgeven zijn door monocultuur. Laagstammige fruitbomen en maïs. Ik beschouw het als onze morele plicht om de biodiversiteit te verzorgen. Dat is de reden waarom ik al achttien jaar natuurbeschermer ben. Wij hebben veel kapotgemaakt als soort. Het maakt dan niet uit of het de schuld is van Jefke of Joske: we kunnen als soort nu ook veel goedmaken.

Begin bij uzelf, luidt de zegswijze: maar u doet het wel, met uw paradijselijke tuin.

Lambeets: Wij wonen in een oude boerderij uit 1905. Aan de voorkant lag de mestvaalt. Nadat we ze gekocht hadden, ben ik te weten gekomen dat mijn oom hier vroeger zijn mest kwam ophalen. Wat nu de tuin is, was vroeger een akker. Toen we het huis kochten, was er tien jaar lang niets mee gebeurd: dat was een ruigte van brandnetels, distels, bramen en kleefkruid van soms drie meter hoog. Omdat er geen doorkomen aan was, ben ik er eerst met de bosmaaier op los gegaan. Ik heb zeventien uur gemaaid. Vanaf het tweede jaar heb ik alles met de zeis gedaan. Stap voor stap zijn we geëvolueerd naar wat je vandaag ziet.

Wat zien we?

Lambeets: Heel veel voornamelijk inheemse planten. Daar was het ons om te doen: het soortenrijk grasland dat zo typisch is voor de streek herstellen. Met ons kleine erf dragen we bij aan een gezondere en biodiverse leefomgeving.

© JONAS LAMPENS

Als dit vroeger een akker was, dan is de bodem wellicht doordrongen van de meststoffen?

Lambeets: Ik heb nooit stalen genomen, maar aan de hand van de soorten die er elk jaar bij komen, merk ik dat de voedselrijkdom – nitraten en fosfaten vooral – gestaag afneemt. Het blijft raar klinken, maar hoe rijker de bodem, hoe minder soorten er groeien.

We wandelen een eind de tuin in, houden halt op een willekeurige plek. Ik vraag Lambeets bij wijze van experiment hoeveel verschillende planten hij kan ontwaren vanaf deze ene plek. Hij somt zonder dralen de ene soort na de andere op, en eindigt voorbij de twintig. Dat er madeliefjes, boterbloemen en paardenbloemen tussen zitten, mag niet verbazen, maar Lambeets spot ook zeldzamere soorten, met wonderlijke namen als het spits havikskruid, muizenoor en rapunzelklokje.

Is die rijkdom het resultaat van uw uitgekiende maaibeleid?

Lambeets: Ja, je kunt sturen door heel gericht te maaien. Ik beheer mijn tuin als een lappendeken, wat eigenlijk niets anders is dan gefaseerd maaien. Je creëert structuur en volume in ruimte en tijd. Dat is essentieel om een lange bloeiboog te genereren. Dat wil zeggen dat ik het aanbod van bloeiende planten zo lang mogelijk rek. Hier bloeit bijna altijd wel iets, het jaar rond. Die gaspeldoorn daar is bijvoorbeeld een winterbloeier. Als die is uitgebloeid, breekt de tijd van madeliefjes en paardenbloemen aan. Die laatste krijgen hier trouwens heel veel kansen, want het zijn de eerste nectarleveranciers van het jaar, en ze leveren ook de eerste zaden voor zangvogels.

Ik durf het haast niet te vragen, maar u maait dus wel degelijk in mei?

Lambeets: Ik maai ononderbroken van april tot november. Ik schat dat ik tot nu toe al vijf procent van mijn oppervlakte heb gemaaid. Maar sommige vlekken maai ik pas in juni, andere maai ik dit jaar zelfs helemaal niet. Dat is die structuur waar ik eerder over sprak.

© JONAS LAMPENS

Die verschillende maaihoogtes zijn helemaal niet tegenstrijdig met de filosofie van Maai Mei Niet.

Lambeets: Nee, dat klopt. Op sommige plekken moet je nu eenmaal sneller ingrijpen. Dat stuk ginder, bijvoorbeeld, heb ik vorige week nog gemaaid, en nu staat de rode klaver alweer in bloei. Maar het is inderdaad wel grappig: als ik in deze periode foto’s op Facebook post van mijn maaiwerk, krijg ik de wind van voren: ‘Weet je dan niet dat Maai Mei Niet bezig is?’ Dat zijn dan wellicht types met een kiezeltuin, maar ik vind het schitterend hoe het fenomeen ‘bloemenrijk grasland’ in een jaar tijd een eigen leven is gaan leiden. (Lambeets speurt met zijn arendsblik de bodem af en declameert: zachte dravik, glanshaver, de gewone engelwortel.) Ze zeggen altijd dat het Amazonewoud het meest biodiverse stuk van de planeet is, maar er zit relatief gezien evenveel leven in kalkrijke graslanden. In Tsjechië en Roemenië, bijvoorbeeld, waar nog veel gemaaid wordt met de zeis, vind je op een kleine oppervlakte relatief gezien meer soorten dan op een vergelijkbare oppervlakte in het Amazonewoud.

Het BK zeisen

De meerderheid van de reacties op Maai Mei Niet is positief. Al is natuurlijk niet iedereen gediend van wildere bermen en parken. En zelfs sommigen van de meest enthousiaste deelnemers zaten achteraf met de handen in het haar, omdat ze niet wisten hoe ze hun hoog opgeschoten grassen weer met de grond gelijk konden maken. Frank Vander linden, zanger-gitarist van De Mens, postte een foto op Instagram van zijn grasmachine, schijnbaar buiten strijd: ‘En als je nu dacht dat die bijen ook maar één keer “dankuwel” zoemen…’ De oplossing ligt voor het grijpen, en wel in het atelier van Kevin Lambeets, waar tegen de muur een arsenaal aan zeisen staat opgetuigd, met stelen en bladen in alle vormen en formaten. Lambeets: ‘De zeis is een geweldig alternatief voor de grasmaaier. Zowel in grote als in kleine tuinen.’

Wat moet zo’n zeis kosten?

Lambeets: Voor een zeis in de continentale stijl, zoals deze, betaal je vijftig, zestig euro voor het blad en nog eens tachtig euro voor de steel. Tel daarbij nog enkele wetstenen en ander gereedschap om het blad scherp te houden, en je belandt net boven de tweehonderd euro. Dat is in elk geval veel minder dan een bosmaaier. En ik maai sneller met de zeis dan met de bosmaaier. Het is echt geen verkooppraatje, maar ik raad iedereen aan om er niet aan te beginnen zonder opleiding. Het zou mij ook niet gelukt zijn zonder, er komt veel bij kijken. De techniek op zich, maar je moet het blad ook scherp houden. Dat is niet simpel. En vaak zijn blad en steel niet eens op elkaar afgestemd. Dit is bijvoorbeeld een zeis die specifiek bedoeld is voor een rotsachtige ondergrond. Andere zeisen zijn dan weer geschikt voor ruigtes of voor taaie grassen. Het is zoals met Japanse messen: voor elke groente een ander mes. (lacht) De langste bladen zijn 115 centimeter lang, maar die zijn vaak bedoeld voor competitie. Eind mei vindt het Belgisch Kampioenschap plaats. Maar competitie is niet mijn ding. Verleden jaar zat ik wel in de jury, en nam ik deel met de bosmaaier, tegen twee kampioenen. Een keer was het ex aequo, de tweede keer heb ik grandioos verloren.

© JONAS LAMPENS

En dan bereidt Lambeets zich voor op een korte demonstratie van zijn kunnen. Hij houdt een ander exemplaar voor zich uit: een met een kort, sterk gebogen blad. Met een sigaarvormige wetsteen laat hij het glimmende metaal van het blad zingen tot het weer op snee is. Lambeets heeft al snel een lap gras in het vizier: met sierlijke, korte draaibewegingen maakt hij het al korte gras nog korter: ‘Ik kan korter dan een grasmaaier dat kan.’

Lambeets: ‘Zeisen is verslavend, je wordt er rustig van. Gisteren ben ik een hele dag gaan maaien in de Plantentuin Meise, van zeven uur ‘s ochtends tot drie uur ‘s middags. Ik denk dat ik een marathon loop op zo’n dag. Maar het is ook een inspannende ontspanning: als ik een hele dag achter de computer heb gezeten, maai ik wat harder, om mijn rust en ritme terug te vinden. Ik ga ook wel ‘s lopen, maar als ik moet kiezen, kies ik voor de tuin en de zeis.’

Wie komt er op uw cursussen af?

Lambeets: Alles en iedereen. Mijn oudste deelneemster was achtenzeventig: een topmadam die er meteen mee weg was. De jongste deelnemer was tien, maar toen heb ik wel geëist dat zijn ouders hem zouden begeleiden. Kinderen zijn er doorgaans sneller mee weg dan volwassenen: ze zijn een onbeschreven blad, terwijl veel volwassenen denken dat ze het al kunnen voor ze begonnen zijn. Dat valt dan meestal tegen.

De zeis is Bokrijk al lang ontstegen. Ik heb hier al mensen in een Mercedes of BMW cabrio zien aankomen, family time met de bedrijfswagen. Iedereen is welkom, en het is toen overigens een zalige dag geworden. (Lambeets haalt weer een ander blad tevoorschijn, van Slowaakse makelij. Tovarna Kos is een van de laatste zeissmederijen die in Europa nog actief zijn) Weet je waaraan je een zeiser kunt herkennen? Aan de streepjes in de nagel van zijn duim. Om te weten of een blad scherp genoeg is, doen wij de vingernageltest: je zet je nagel dwars op het snijvlak, en beweegt dan voorzichtig van boven naar onder – nóóit van links naar rechts – en als je blad meegeeft als zilverpapier, is het oké.

Hebt u zichzelf ooit al verwond?

Lambeets: Één keer. Ik was de roest van mijn zeis aan het halen, toen ik werd afgeleid door mijn vrouw en met het topje van mijn duim over de snede ging. Resultaat: een snijwonde tot op het bot. Maar het was een propere wonde, vijf minuten later was ik al een haarcursus aan het geven.

Een haarcursus?

Lambeets: Haren is de belangrijkste techniek die gebruikt wordt om een zeis scherp te maken, slijpen komt er niet bij kijken. Aan het uiteinde van de snede, waar het blad het scherpst is, zit een klein gootje, hol van boven en vlak onderaan: die vorm kloppen we er letterlijk in met een hamer op een klein aambeeld, het haarspit. Zo krijg je een zeis haarscherp. Dat is ook weer een techniek die uit het collectieve geheugen is verdwenen en opnieuw opgevist moest worden. Mijn grootvader haarde voor de zeisers uit de omgeving. Toen was het al een specialisatie, maar twintig jaar eerder kon iedereen het. Zeker in Wallonië.

© JONAS LAMPENS

Tijd om af te ronden, een glas appelsap van eigen kweek en een laatste mijmering over de ecologische ramp die zich niet in deze tuin maar erbuiten voltrekt.

Lambeets: ‘Natuurverenigingen zetten vaak in op verwondering. Maar ik vind verontwaardiging minstens even belangrijk. Als mensen hier bewonderend naar mijn tuin kijken, neem ik de gelegenheid te baat om uit te leggen hoe dramatisch het gesteld is met de insecten. Verontwaardiging kan mensen bijeenbrengen, en samen kun je de koe bij de horens vatten: wij gaan het tij keren, rebelleren en tegen de stroom ingaan.’

Zijn uw tatoeages ook een daad van rebellie?

Lambeets: Nee, helemaal niet. Dat is een kunstvorm die ik enorm waardeer. En het is ook een restant van vroeger, ik kom uit de scene.

Juist: in het Hageland had je vroeger een erg actieve hardcore punkscene. Terwijl je punk toch eerder associeert met de stad?

Lambeets: Hier is het een fenomeen van de boerenbuiten. (lacht) Elk dorp had een eigen band. De leden van Scarrots kwamen onder andere uit Hoeleden en Heide-Linter. Bunsbeek en Tienen hadden Oversized. In het begin was dat alleen hardcore punk, later zijn daar skate punk en ska bij gekomen. Dat was een hechte kliek, het sociale aspect was de lijm. We hielden gelijkwaardigheid hoog in het vaandel, maakten geen onderscheid naar geslacht, kleur of afkomst. Dat is vandaag belangrijker dan ooit, en ik trek die filosofie ook door in de tuin: ik probeer tolerant te zijn voor alle bloemekes. (lacht)

SNELCURSUS ECOLOGISCH MAAIEN

Voor wie (nog) niet met de zeis aan de slag kan: 8 tips van Frederik Houssin, voorzitter van Het Ministerie voor Natuur, om uw lange Maai Mei Niet-gras ecologischer te maaien.

Evalueer
Heb je wel zo veel gazon nodig? Misschien kun je een stukje ervan omzetten naar een bloemenweide (hooilandje), ruigte of struiken. Wie een robtotmaaier heeft, hoeft daar niet vanaf: geef hem gewoon wat minder werk en een kleiner stuk om te maaien.

Maai gefaseerd
Dieren hebben het jaar rond voedsel en schuilplaatsen nodig. Als je plots alles wegmaait, zitten ze minstens twee weken zonder.

Zorg voor diverse hoogtes
Die verschillen zijn een enorme biodiversiteitsboost. Combineer lapjes wekelijks gemaaid gazon met stukken die je om de drie à vier weken maait of slechts één à twee keer per jaar. Zo voorzie je voedsel én beschutting en creëer je een grotere soortenrijkdom: madelief en klaver in het regelmatig gemaaide gazon, beemdkroon en margriet in het bloemenrijk grasland.
Maai op de hoogste stand

Te kort maaien, verzwakt je gras en droogt je bodem uit. Langer gras is sterker gras, en beter bestand tegen droogte.

Spaar je grasmachine
Lang gras weer korter zetten? Maai kleine stukjes om je grasmachine niet te overbelasten: 3 meter vooruit en dan weer achteruit. Of leen/deel een bosmaaier voor de eerste maaibeurt.

Maai op tijd
Kies het juiste tijdstip om te maaien. Het heetste moment van de dag is dat niet: je droogt je gazon onnodig uit. Maai niet op warme of zonnige dagen, of tijdens periodes van droogte.

Zorg voor snee
Een scherp maaimes is een must. Botte messen rukken je gras kapot in plaats van het mooi af te snijden.

Verwerk je afgemaaide gras
Laat geen gras liggen op je gazon, dat verstikt bloemen. Leg een fijn laagje gras in je moestuin, bloemenborder of tussen struiken om daar de bodem vochtig te houden en ongewenste kruiden tegen te gaan. Je kunt het ook, met mate, kwijt in de compostbak.

Bonustip
Waar kale plekken ontstaan kun je proberen om wat bloemen in te zaaien of te planten.
 

Kevin Lambeets

– 1982 geboren in Tienen

– 2000 studie biologie UGent.

– Schrijft een doctoraat over de invloed van overstromingen op spinnen en loopkevers

– 2018 richt Zeis en Bijl op

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content