Hoe bouw je de industrie om? ‘Statiegeld op plastic is een makkelijke maatregel met een grote impact’

Staalfabriek van ArcelorMittal in Gent. © Getty
Tine Hens
Tine Hens Journaliste voor Knack

Het is een van de meest complexe uitdagingen van klimaatbeleid: hoe bouw je je industrie om? ‘Bovendien moet het snel gaan’, benadrukt Tomas Wyns, onderzoeker aan de VUB. ‘Er is geen tijd om te wachten tot de markt er klaar voor is.’

Als natuurkundige specialiseerde Wyns zich in internationale relaties en beleidsvoering, hij woonde sinds 2007 meerdere klimaattoppen bij, bereidde onderhandelingen voor en belandde zo bij het heetste hangijzer van klimaatbeleid: de omschakeling van industriële sectoren die gegroeid zijn uit de schier eindeloze beschikbaarheid van fossiele brandstoffen. Hij is verbonden aan de Brussels School of Governance van de VUB waar hij focust op de transitie van energie-intensieve industrieën naar emissievrije of koolstofarme praktijken.

‘Technologische innovatie is een aspect van de ombouw van onze industrie, maar we moeten ook onze modellen en onze infrastructuur herdenken. Het lineaire model waarbij we grondstoffen ontginnen, omzetten in basismaterialen en afgewerkte producten die dan in de vuilnisbak belanden is niet langer houdbaar. De industrie van morgen is circulair en produceert zonder fossiele brandstoffen.’

‘Bedrijven en sectoren die hun zakenmodel op fossiele brandstoffen hebben gebouwd, zullen daardoor onder druk komen te staan. Neem bijvoorbeeld raffinage. Zelfs al geef je die bedrijven toestemming om te blijven doen wat ze altijd doen – diesel en benzine produceren – als de hele wereld rond die bedrijven verandert, het transport grotendeels elektrificeert, dan verschrompelt hun afzetmarkt. Voor de verwarming van gebouwen geldt hetzelfde. Hoe meer we renoveren en stookolie- en gasketels vervangen door warmtenetten of warmtepompen, hoe minder nood er zal zijn aan stookolie en gas. Als fossiele bedrijven willen blijven bestaan, zullen ze moeten diversifiëren en een ander bedrijfsmodel uitwerken. Nu investeren ze beperkt in hernieuwbare energie, te weinig en te traag, maar het is wel een teken aan de wand. Ze weten dat ze hun businessmodel moeten herdenken en zichzelf heruitvinden. Welke kennis, welke expertise hebben ze en hoe kunnen ze die gebruiken in een klimaatneutrale samenleving? In de olieraffinage zit heel wat essentiële know-how die we nodig hebben voor de klimaattransitie. De sector zo maar overboord gooien, is geen goed idee.’

Dat we nog altijd geen statiegeld hebben, is een gigantisch verlies.

Voorlopig lijkt in energie-intensieve sectoren de kloof tussen theorie en praktijk erg groot. In de vergunningsaanvraag voor de raffinaderij in de Antwerpse haven gaf het Franse energiebedrijf Total bijvoorbeeld aan dat ‘klimaatneutraal zijn tegen 2050’ niet zou lukken voor de installatie.

Wyns: Tja, het zal wel moeten. Is dat eenvoudig? Nee. Het is een van de meest complexe problemen van klimaatbeleid: hoe bouw je je industrie om? We moeten en kunnen een scenario zoals met de mijnsluitingen vermijden. Dat was een schok waar sommige streken nog steeds de gevolgen van dragen. Het goede nieuws is dat we nu twintig, dertig jaar op voorhand weten dat er een transitie moet gebeuren en dat we veel van de basismaterialen als staal, cement, ja zelfs plastics nodig blijven hebben. Ze zullen anders gemaakt worden, dat wel. Als we het slim aanpakken, kunnen we die hele conversie grondig plannen zodat ze ook sociaal verantwoord is. Maar daarvoor heb je strategieën nodig en moet je vooral op tijd beginnen. Het zal niet lukken zonder een sturende overheid, zonder een planning en zonder de vraag wat we wel en niet nodig hebben.

Welke maatregelen zijn op korte termijn essentieel om die omslag te maken?

Wyns: Als we kijken naar de milieu-impact van plastics, dan is de invoering van statiegeld met hergebruik van verpakkingen een eenvoudige maatregel die niet alleen noodzakelijk is, maar ook een groot verschil kan maken. Dat we nog altijd geen statiegeld hebben, is een gigantisch verlies. Het grootste deel van de petrochemie in Antwerpen is gericht op de productie van polymeren en plastics. Het gros van dat plastic wordt na gebruik verbrand, of uitgevoerd om elders te worden verbrand. In een klimaatneutrale samenleving kan dat niet meer. Het zijn fossiele brandstoffen die we omzetten in polymeren om daarna de verbranden en de opgeslagen CO2 in de atmosfeer te jagen. Als je je plasticgebruik volledig circulair krijgt en de levensduur van een fles met tien of twintig keer verlengd, dan stockeert zo’n fles koolstof. Als we in Vlaanderen ergens voorloper in willen zijn, dan moeten we die volledige petrochemische en plasticindustrie strategisch herdenken. We zullen heel rigoureus en zuinig moeten omspringen met die basismaterialen. Ik zeg soms – en men hoort dat niet graag – dat Vlaanderen het Bangladesh van Europa kunnen worden. We zouden grote plastic stromen kunnen verwerken in Antwerpen en daar iets nuttigs mee doen. We zullen heel rigoureus en zuinig moeten omspringen met die basismaterialen. Toch zie je dat de investeringen niet hier, of in onvoldoende mate hier gebeuren.

Tomas Wyns. © GF

Ineos wil wel investeren in nieuwe plasticproductie.

Wyns: Op basis van schaliegas, ja. Dat laatste kan echt niet. Alle installaties waarvoor we vergunningen geven zouden nu al 2050-proof moeten zijn en uiteindelijk ook hun bevoorradingsketen. Dat is essentieel. En daarnaast zou er op termijn geen gram polymeer meer verbrand mogen worden. Als je dat polymeer niet nuttig kan inzetten in een circulaire economie dan moet je je de vraag durven stellen: hebben we dat wel nodig? Maar daarvoor moeten de zakenmodellen anders. Nu verdient een verpakkingsproducent aan de verkoop van zo veel mogelijk verpakkingsmateriaal. Stel dat hij geen product aanbiedt maar een dienst en hij aan pakweg Coca-Cola de dienst verkoopt om hun drank te verpakken, dan heeft hij er alle baat bij om zo lang mogelijk diezelfde verpakking te gebruiken. Dat is slechts één voorbeeld van hoe de omschakeling van de industrie ook een omschakeling van praktijken en modellen betekent.

U benadrukte daarnet het belang van een sturende overheid. Op welke manier kan die de lijnen voor een klimaatbestendige industrie uitzetten?

Wyns: We hebben geen tijd te verliezen en daarom hebben we meer nodig dan enkel de prijsprikkels waar we nu op rekenen. We zullen ook standaarden voor het gebruik van bepaalde materialen moeten invoeren, zoals de Europese Unie nu al overweegt voor textiel. Nu bepaalt de Europese Unie hoeveel CO2 auto’s mogen uitstoten, maar je kan ook opleggen dat ze gemaakt moeten worden van koolstofneutraal staal. Uit onderzoek weten we dat de prijs van zo’n wagen niet zo veel hoger wordt, misschien 100 of 200 euro, maar als je van groen staal de norm maakt, creëer je een markt voor klimaatvriendelijke materialen. Hetzelfde is mogelijk voor plastics, voor gebouwen. Standaarden is een van de weinige manieren waarmee we op korte tijd de noodzakelijke versnelling kunnen realiseren. De moet op Europees niveau gebeuren en heeft als voordeel dat Europese standaarden ook buiten de EU zullen worden toegepast, al was het maar om toegang tot de Europese markt te behouden. Zo dwing je ook de rest van de wereld in dezelfde richting te gaan.

Kunnen energie-intensieve industrieën draaien op hernieuwbare energie?

Wyns: Als we echt succesvol willen zijn, dan moeten we de industrietransitie koppelen aan de energietransitie en kan je een positieve wisselwerking krijgen tussen de industrie en de energiesector. De signalen dat dit gebeurt, zijn er. Ik denk bijvoorbeeld aan BASF dat mede-eigenaar wordt van een offshore windpark. Maar ook hier zijn veranderingen van processen noodzakelijk. De industrie zal flexibeler moeten werken en dat kan deel uitmaken van een nieuw businessmodel. Als er grote hoeveelheden groene stroom beschikbaar zijn, zullen fabrieken meer kunnen draaien en zelfs indirect energie opslaan. Nyrstar doet dat al. Dat zijn de systeemveranderingen waar we naartoe moeten en die ervoor zullen zorgen dat we tegen 2050 de uitstoot met negentig procent kunnen reduceren.

Ook cement moet circulair worden, door bouwafval te hergebruiken.

Er wordt veel verwacht van groene waterstof als energiedrager. Hoe moeten we dat inschatten?

Wyns: Ik vrees dat we voor een stuk met een hype zitten. Als je productieprocessen kan elektrificeren, en dat is mogelijk voor een groot deel van de industriële warmte, dan zal dat de optie worden. Ik zeg niet dat het eenvoudig is, maar het is voor de infrastructuur minder investeringsintensief dan het opvangen van CO2 via Carbon Capture and Storage (CCS) of het gebruik waterstof. Langs de andere kant is er zeker de principiële toepassing van waterstof in de industrie, als feedstock en voor sommige toepassingen waarvoor hoge temperaturen nodig zijn. Maar het is een fabeltje te geloven dat we onze huizen met waterstof zullen verwarmen of met waterstofauto’s zullen rondrijden. Daarvoor is de efficiëntie van waterstof te klein omdat het eerst met behulp van elektriciteit gemaakt wordt. Dan is het meestal zinvoller om rechtstreeks te elektrificeren in plaats van de omweg via waterstof te maken.

Cement is een andere CO2-intensieve en moeilijk te decarboniseren sector. Welke mogelijkheden en innovaties ziet u daar?

Wyns: Op wereldschaal is cement het meest gebruikte materiaal. De energievoorziening van de productie zullen we kunnen vergroenen, maar de emissies die tijdens het proces vrijkomen, zullen we waarschijnlijk moeten capteren. Minstens zo belangrijk is om spaarzamer en efficiënter met het materiaal om te springen. Zo is het een opdracht voor ontwikkelaars en architecten om overdesign te vermijden. Maar ook cement moet circulair worden, door bouwafval te hergebruiken. Hetzelfde geldt trouwens voor glas. Zo lang mogelijk gebruiken wat er al is, is echt cruciaal. In die zin zijn antwoorden nooit zuiver technologisch, die andere praktijken zijn even belangrijk.

Toch legt de Vlaamse overheid graag de nadruk op het belang van nieuwe technologieën hoe we die dan aan de rest van de wereld kunnen verkopen.

Wyns: Soms probeert men op die manier het gebrek aan klimaatactie wat te verpakken. Inzetten op innovatie is uitstekend. Als onderzoeker zal je me niet anders horen beweren. Maar uiteindelijk leven we op een ruimteschip, planeet Aarde en zijn we bezig de levensondersteunende systemen te saboteren. Met alles wat we gebruiken, moeten we gewoon slimmer omspringen. Ik kijk bijvoorbeeld naar de bemande ruimtevaart als een interessant voorbeeld voor efficiënte en circulariteit. In het ISS trek je ook niet zo maar kabels uit de muur in de hoop dat alles blijft werken. Dat moeten we echt meer laten doorsijpelen in hoe we onze samenleving inrichten. De oplossingen zijn voor een belangrijk deel niet technologisch. Het gaat ook over hoe we de zaken organiseren.

Partner Content