Paleontologen zijn ook maar mensen. Zelfs zij lijken moeilijk te ontsnappen aan de neiging onze soort als bijna bovenmenselijk voor te stellen.
...

Paleontologen zijn ook maar mensen. Zelfs zij lijken moeilijk te ontsnappen aan de neiging onze soort als bijna bovenmenselijk voor te stellen. Het blad Science News rapporteerde onlangs dat de vroegste fossiele evidentie voor geweld tussen moderne mensen amper 13.000 jaar oud is. Dat is dus heel recent. Maar voor Neanderthalers, die tussen 200.000 en 30.000 jaar geleden leefden, bestaat er fosssiele evidentie dat ze elkaar meer dan 100.000 jaar geleden al te lijf gingen. Exemplaren van Homo erectus, de voorloper van de moderne mens (die zelf als Homo sapiens staat gecatalogiseerd), zouden elkaar vele honderdduizenden jaren geleden al de kop hebben ingeslagen. Het is onduidelijk wat men met deze opsomming wil bewijzen. Personen die in de toekomst op goed uitgekozen plaatsen in Bosnië of Rwanda graven, zullen niet lang moeten zoeken naar een fossiele schedel met tekenen van mensengeweld. Nauwkeurige analyse van fossiele schedelwonden kan echter ook andere inzichten geven. Wetenschappers beschreven in een recent nummer van het vakblad Proceedings of the National Academy of Sciences dat een ongeveer twintigjarige Neanderthaler-man die 36.000 jaar geleden leefde, een zware klap met een scherp stenen voorwerp op zijn hoofd kreeg. Hij overleefde, wat alleen kon als soortgenoten hem verzorgden. Dat gaf de Neanderthalers meteen een 'menselijker' aura. Het inzicht past in een nieuwe trend die zegt dat de Neanderthaler, die in Europa een tijdlang samenleefde met modernere mensen (de Cro-Magnons), helemaal niet de domme bruut was voor wie hij de voorbije decennia werd versleten. Onze wetenschappelijke soortgenoten verlaten stilaan de vooringenomen houding dat wij (en onze rechtstreekse voorouders) eigenlijk de enige mensen met verstand en cultuur waren. Zo groeit de visie dat de Neanderthaler niet alleen creatief en flexibel was, maar ook een vrij gesofisticeerde vorm van cultuur had. Het vakblad Current Anthropology vatte een tijdje geleden nieuwe gegevens samen. Neanderthalers (en hún voorouders) zouden honderdduizenden jaren geleden al aparte speer- en pijlpunten voor diverse soorten wild hebben gemaakt. Ze kenden drijfjacht en waren dus niet, zoals lang werd aangenomen, vooral aaseters. Ze zouden op een efficiënte manier dieren hebben geslacht. Het topvakblad Science rapporteerde over een grot in Gibraltar, waarin evidentie werd gevonden dat Neanderthalers zeehonden en dolfijnen doodden. Uit vondsten in een Franse grot bleek dat ze daarenboven mooie juwelen maakten, zoals hangers van tanden en ringen van ivoor. 'Wij hebben de neiging onszelf te zien als het enige wezen ooit dat symbolen kon produceren,' vertelde een Franse wetenschapper aan Science News. 'Maar vanuit cognitief oogpunt verschilde de Neanderthaler niet zo veel van ons.' De meeste antropologen menen dat de Neanderthaler een andere soort (in de biologische betekenis) was dan wij. Het verschil tussen een stukje intact teruggevonden Neanderthaler-DNA en hetzelfde stukje bij de mens was drie keer groter dan de verschillen tussen moderne mensenpopulaties. Toch stierf de Neanderthaler een paar honderd mensengeneraties geleden uit en veroverden wij de wereld. Parallel met het model van de succesvolle nieuwe mens die 200.000 jaar geleden in Afrika ontstond en via het Midden-Oosten Europa koloniseerde, werd de hypothese gelanceerd dat wij de simpele bruten die hier toen leefden al dan niet actief in de vernieling dreven. Maar die denkpiste wordt stilaan verlaten. Dat andere topvakblad, Nature, vatte onlangs nieuwe gegevens samen, waaruit bleek dat de Neanderthalers niet zo plotseling van de aardbol verdwenen als lang werd gedacht. Wij kunnen ons dat nu moeilijk voorstellen, maar de populatiedichtheid van de moderne mens zou toen veel te laag zijn geweest om een verwante soort weg te concurreren. Er duiken zelfs aanwijzingen op dat Neanderthalers en Cro-Magnons hybriden maakten. De twee soorten zouden duizenden jaren naast elkaar geleefd hebben, en er zijn schedels gevonden die kenmerken van beide groepen lijken te dragen. Dit sluit aan bij de algemene indruk dat de meeste mensen eerder tot seks zullen overgaan dan tot geweld. 'Ons begrip van de oorsprong van de moderne mens wordt sterk beïnvloed door wat we op basis van onze vooroordelen uit de beschikbare informatie plukken,' stelde een wetenschapper in Science. De stelling wint veld dat de Neanderthaler minder aangepast was aan de snel wisselende klimatologische omstandigheden in het Europa van de ijstijden dan wij. Moderne mensen zouden, volgens Science, over betere (lees: complexere) sociale netwerken hebben beschikt om de gevolgen van een hard klimaat op te vangen. Neanderthalers zouden meer sedentair zijn geweest dan de toenmalige immigranten, en dus minder weerbaar tegen de gevolgen van populatieschommelingen gelinkt aan plotse temperatuursveranderingen. Te gehecht zijn aan lokale condities kan (letterlijk) dodelijk zijn voor een soort. Anderen counteren met de stelling dat, als uitsluitend het klimaat een rol had gespeeld, de Neanderthaler al eerder was uitgestorven. Sommigen maken daarom de combinatie van het hardere klimaat met de intense competitie om voedsel met de nieuw-aangekomen mens. Die zou hebben beschikt over technieken zoals het koken van voedsel om het efficiënter te verteren, wat in moeilijke omstandigheden een verschil kan hebben gemaakt. Dat strookt dan weer niet met recente vaststellingen over de herseninhoud van Neanderthalers, die in absolute termen groter was dan de onze - de Neanderthaler was gemiddeld zwaarder dan wij - en in relatieve termen minstens even groot. 'We zouden de Neanderthaler moeten beginnen zien als die andere moderne mens,' poneerde een antropoloog in Science. 'De grote hersenen van beide soorten zouden parallelle evolutionaire verwezenlijkingen kunnen zijn, die weliswaar in een ander type schedel werden verpakt.' Eenzelfde 'vermenselijking' wordt ook voor periodes verder in het verleden naar voren geschoven. 'Zelfs onze vroege voorouders kunnen best even intelligent geweest zijn als wij,' meldde iemand anders in Science. 'Maar ze misten wel de schouders van reuzen om op te staan. Wij zijn ook niet ineens van de eerste werktuigen naar de eerste kunstvoorwerpen (momenteel vastgepind op 77.000 jaar oud) en de eerste maanreizen gegaan.' Men gaat er nu vanuit dat de moderne mens zich gradueel ontwikkelde, in Afrika, in een proces van geleidelijke fysieke aanpassing aan klimaats- en andere omgevingsomstandigheden. Een studie gepubliceerd in de Proceedings of the National Academy of Sciences wees uit dat belangrijke verschillen tussen oude en moderne schedels kunnen worden teruggebracht tot enkele kenmerken, die voortvloeien uit kleine veranderingen in de embryonale ontwikkeling van aangezichtsbeenderen. Die kleine verschillen zouden zo'n 50.000 jaar geleden hebben geleid tot de 'culturele explosie' die ons uiteindelijk maakte tot wat we vandaag zijn. Hoe verder weg in de tijd, hoe mistiger het beeld wordt van wat de toenmalige mensachtigen deden. Het is ondertussen wel duidelijk dat onze voorlopers, toen ze zo'n vijf miljoen jaar geleden door veranderingen in het Afrikaanse landschap de wouden moesten verlaten, als een soort prooi op de savannes - met hun leeuwen en hyena's - terechtkwamen. Ondanks de Lion King uit de Disney-studies blijven kinderen zelfs vandaag nog instinctief bang van leeuwen. Onze voorouders waren helemaal geen 'dodende apen die jagers werden', zoals de mythe die we zelf creëerden ons lang voorhield. Het vakblad New Scientist schreef dat er in Afrika fossiele vindplaatsen bestaan met aanwijzingen dat sommige roofdieren zich specialiseerden in het jagen op australopitheken, zoals de voorouders van het geslacht Homo gemeenzaam genoemd worden. Sommige vorsers menen dat ze door die slachtofferrol gedwongen werden om zich 'geestelijk' te ontwikkelen, om samen te werken en efficiënt te communiceren. Anders zouden ze geen kans hebben gemaakt. Wat niet strookt met de stelling dat de belangrijkste Afrikaanse antilope, de impala, al meer dan zeven miljoen jaar lang quasi ongewijzigd op diezelfde savanne overleeft, ondanks haar gegeerdheid als prooi. Maar de mensachtigen waren met hun bosverleden waarschijnlijk te gespecialiseerd om zonder meer te blijven bestaan. Ze moesten zich dus aanpassen. In groep leven was een eerste vereiste. Mobbing van roofdieren - een soort lastigvallen vergelijkbaar met het pesten van nu - een tweede. Het is niet uitgesloten dat de druk van rovers het werktuigengebruik, te beginnen met het gooien van stenen en takken, versnelde. Het vakblad Discovering Archaeology publiceerde enkele jaren geleden een opvallend artikel over het gebruik van vuur door de eerste mensen - het is bekend dat vuur roofdieren afschrikt. Fossiele aanwijzingen suggereerden dat de mens al minstens 1,6 miljoen jaar lang vuur gebruikt. Wat impliceert dat het niet zo moeilijk kan zijn om vuur te maken - een stelling die iedereen die het eens probeert niet zomaar zal aanvaarden - óf dat onze voorouders minder dom waren dan wij denken. Meer bepaald onze onmiddellijke voorganger, Homo erectus, zou een actieve vuurgebruiker geweest zijn, wat hem onder meer toeliet zijn warme continent te verlaten. Extrapolerend wordt nu aangenomen dat erectus geen hersenloze aapmens was die af en toe per toeval eens een scherpe steen oppikte, maar een min of meer ontwikkeld wezen dat met groot succes moeilijke ondernemingen aanpakte. Zo'n 400.000 jaar geleden zou erectus al op grote schaal haardvuren gemaakt hebben. De basis van de slimme mens werd veel vroeger dan 50.000 jaar geleden gelegd. Ook hiervan is niet iedereen overtuigd. Controle over vuur is geen bewijs van het feit dat erectus méér aankon dan een soort 'vijftien-minutencultuur', waarbij werktuigen voor onmiddellijk gebruik werden gemaakt, maar niet voor de lange termijn. 'Als de mens al 1,6 miljoen jaar lang vuur kan maken, waarom zijn onze handen dan niet zo hard als pannenlappen, of is het maken van vuur niet iets dat we instinctief kunnen?' vroeg een criticus zich in New Scientist af. De man bleef volhouden dat de ontwikkeling van taal essentieel was om de dagelijkse praktische activiteiten van hominiden (mensachtigen) om te zetten in iets waarbij zelfs de kleinste daad 'sociaal expressief en persoonlijk betekenisvol' werd. Een groot deel van de evolutie omhelst het uitproberen van kleine variaties op een algemeen thema. Maar af en toe treden er beduidende veranderingen op die gehandhaafd blijven (zoals de ontwikkeling van onze taal). Iets vergelijkbaars moet zo'n twee miljoen jaar geleden zijn gebeurd, toen de volgens de meest recente modellen eerste échte Homo ontstond: de nog altijd niet door alle paleo-antropologen erkende ergaster. Dit was de eerste mens met een vrij groot lichaam, kleine verschillen tussen de geslachten en een skelet dat wijst op bijna permanent rechtop lopen. Er werd altijd aangenomen dat belangrijke jachtaanpassingen de doorbraak waren die ergaster realiseerde, dit ongetwijfeld in het licht van de overheersende visie dat de man (de Machtige Jager) van groot belang was in de overleving van de mensenfamilie. Een stelling die in 1999 werd bijgestuurd door een publicatie in de Journal of Human Evolution, waarin werd geopperd dat de cascade van veranderingen die tot de moderne mens leidde, begon met de systematische exploitatie van voedselbronnen in de grond (zoals wortels en noten) en de inzet van grootmoeders om kleinkinderen op te voeden zodat hun dochters gemakkelijker aan nieuwe kinderen konden beginnen (de geweldige hypothese van oma's als drijvende kracht achter de mensenevolutie). Het lichaam van ergaster was in ieder geval zo aangepast dat het waarschijnlijk voor de eerste keer een vrij lang verteringskanaal huisde, in tegenstelling tot de australopitheken die hun voedsel meer zoals de huidige apen zouden hebben verteerd. De smallere kaken en kleinere tanden zouden wijzen op een veranderend dieet, dat minder bijt- en kauwkracht vereiste dan vroeger. In ieder geval zou het eten van vlees alvast in die fase van de evolutie niet de belangrijke rol hebben gespeeld die er aanvankelijk aan werd toegeschreven. Nog verder terug in de tijd verbleekt het beeld helemaal. Lange tijd was Lucy, het bekendste fossiel, dé voorouder van de mens: een meisje van de soort Australopithecus afarensis die zo'n 3,5 miljoen jaar geleden leefde en quasi rechtstreeks in de moderne mens zou zijn uitgemond. Maar in de eerste helft van de jaren negentig bracht Nature gegevens over Ardipithecus ramidus, die 4,5 miljoen jaar oud was en eigenlijk niet veel menselijke kenmerken meer had. Sindsdien is het allemaal redelijk ingewikkeld geworden. Zelfs paleontologen zien door de bomen het bos niet meer. De oorspronkelijke dikke tak van de menselijke evolutie werd een onoverzichtelijk kluwen van twijgjes die niet noodzakelijk ergens naar leiden. Daarenboven wordt er behoorlijk ruzie gemaakt tussen verschillende onderzoeksgroepen die claimen dat zij dé doorbraak hebben opgedolven. De prehistorie produceert geregeld prehysterie. Vorig jaar meldde Nature dat er in Ethiopië 5,8 miljoen jaar oude sporen van ardipitheken werden ontdekt. Iets eerder hadden Franse vorsers in de Comptes Rendus de l'Académie des Sciences de Paris aangekondigd dat ze in Kenia Orrorin tugenensis hadden gevonden: met zijn 6 miljoen jaar heel dicht in de buurt van de gemeenschappelijke voorouder van de mens en de Afrikaanse apen die zo'n 6 tot 8 miljoen jaar geleden moet hebben geleefd. De twee groepen die deze fossielen opdolven, koppelden nogal zware claims aan hun ontdekking, zoals de stelling dat hun 'geesteskinderen' rechtop zouden hebben gelopen. Er werd ook al geopperd dat 7 tot 9 miljoen jaar oude aapachtigen op twee benen zouden hebben kunnen lopen. Wat de controversiële suggestie met zich meebrengt dat bipedaliteit - iets dat wij tegenwoordig als exclusief menselijk beschouwen, hoewel ook bonobo's het aankunnen - ooit veel algemener was dan nu. En dat het helemaal niet gebonden was aan een leven in de savanne. Men dacht aanvankelijk dat de mens rechtop begon te lopen om in open grasland beter te kunnen rondkijken, maar indien de nieuwe ideeën bevestigd worden zal die mening moeten worden bijgesteld. In ieder geval lopen ook bonobo's in hun woud probleemloos op twee benen, zodat ze onder meer gemakkelijk vruchten kunnen meedragen. Om het helemaal ingewikkeld te maken rapporteerde Nature een dikke maand geleden dat in Tsjaad een schedel van 6 tot 7 miljoen jaar oud uit het zand werd opgedolven. Interessant, al was het maar omdat het de eerste aapmensachtige zou zijn die niet ten oosten van de Afrikaanse Rift-vallei leefde. Hij werd toegeschreven aan een nieuwe soort, Sahelanthropus, die kenmerken van chimpansees en de eerste mensen zou hebben gecombineerd. Het lijkt er stilaan op dat het miljoenen jaren geleden alvast in Afrika wemelde van de chimpansee-achtige aapmenssoorten. Critici blijven echter volhouden dat de veelzijdigheid die nu wordt opgetekend, niet meer is dan wat variatie op een algemeen thema, en dat er tussen 6 en 2,5 miljoen jaar geleden slechts één hominide bestond, die in een rechtstreekse lijn bij de mens belandde. Wat op zijn beurt wordt gecounterd met de stelling dat zo'n 'adaptieve radiatie', waarbij verwante soorten een lichtjes verschillende levensstijl aankleven, in vele zoogdierfamilies voorkomt. Wat er ook van zij, slechts één hominide kwam met succes uit de evolutionaire ontwikkelingen: wij. Dirk DraulansEvolutie is grotendeels het uitproberen van kleine variaties op één thema. De mens kwam als een soort prooi voor roofdieren op de savanne terecht.