De Internationale Arbeidsorganisatie roept op tot volledige tewerk- stelling. De wereld moet meer economische groei scheppen. Een gesprek over dit appèl met directeur-generaal Michel Hansenne.
...

De Internationale Arbeidsorganisatie roept op tot volledige tewerk- stelling. De wereld moet meer economische groei scheppen. Een gesprek over dit appèl met directeur-generaal Michel Hansenne.DE Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), een instelling van de verenigde Naties, zend met haar rapport ?Werkgelegenheid in de wereld 1996/1997? een tegendraadse boodschap uit : noch de globalisering van de economie, noch de technologische revolutie, noch de inflatie zijn hinderpalen voor volledige tewerkstelling. Omdat de economie niet genoeg groeit, is de werkloosheid in de wereld zo dreigend hoog. Eén miljard mensen of een derde van de beroepsbevolking vindt namelijk geen job. Directeur-generaal Michel Hansenne van de IAO, voormalig Belgisch minister van Tewerkstelling en Arbeid, kant zich tegen het fatalistisch aanvaarden van hoge werkloosheid. ?Er is een nieuw engagement voor volledige tewerkstelling nodig. De politieke overheden moeten zich niet achter de nieuwe, globale economie verschuilen. Het zijn de landen zelf die het economisch beleid en de arbeidsmarkt uittekenen. De IAO biedt geen kant-en-klare politieke oplossingen, wij openen het debat.? Wat is volledige tewerkstelling ? MICHEL HANSENNE : De economische leer heeft volledige tewerkstelling nooit beschreven als de toestand waarbij iedereen aan het werk is. Er bestaat altijd een frictiewerkloosheid. Onder andere ten gevolge van het veranderen van job, het sluiten van bedrijven en het openen van nieuwe. Door belangrijke economische wijzigingen en gevarieerdere vormen van arbeid ligt die frictiewerkloosheid nu wat hoger dan vroeger. Volledige tewerkstelling, betekent maximum vijf tot zes procent werklozen. De Belgische werkloosheidsgraad schommelt om de negen procent, het Europees gemiddelde klimt over de elf en grote delen van de wereld zijn er nog veel slechter aan toe. Is volledige tewerkstelling realistisch ? HANSENNE : Zijn de staatshoofden en de regeringsleiders, die zich op hun Sociale Top in 1995 in Kopenhagen voor volledige tewerkstelling uitspraken dan geen realisten ? Ons rapport heeft niets ideologisch. De economisten van het Internationaal Arbeidsbureau hebben de cijfers gewogen en de analyses verfijnd en kwamen tot de conslusie dat volledige tewerkstelling mogelijk is. De globalisering van de economie is dramatisch voor de werkgelegenheid, heet het populair. Maar dat is niet correct, wie dat voorhoudt maakt onnodig bang. Die wereldoverspannende economie ontstond zeer recent en kan bijgevolg niet de oorzaak zijn van de hoge werkloosheid. Evenmin kan ernstig studiewerk de stelling bevestigen dat de technologische revolutie leidt naar een wereld zonder werk. En de bewering dat alleen een geweldige economische groei bijkomende werkgelegenheid kan scheppen, is ook fout. Het tegendeel is waar. Om nieuwe jobs te doen ontstaan, volstaat minder economische groei dan vroeger bijna de helft minder dan voorheen. Bijgevolg roept de Internationale Arbeidsorganisatie op om te werken aan de economische groei. HANSENNE : Steeds meer mensen, vooral in het erg door werkloosheid getroffen Europa, geraken ervan overtuigd dat de veranderde wereld evolueert naar stagnatie, soberheid en zelfs armoede. Dat er een fataliteit van werkloosheid bestaat en dat de enige hoop berust bij de herverdeling van de arbeid. Ik kan moeilijk geloven dat Europa veroordeeld is om met een zeer zwakke economische groei te blijven leven. Het rapport boodschapt krachtig : stel u in godsnaam niet tevreden met uw zwakke economische groei, onderzoek waarom u de taart niet groter kan bakken. Andere landen halen wel hoge economische groeicijfers. Ik hoor de jongste maanden meer gelijkgestemde oproepen. Van de voormalige Duitse kanselier Helmut Schmidt bijvoorbeeld en van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (Oeso), de club van de industrielanden. Kortom, de politiek moet het terrein herbezetten. HANSENNE : Ik ben bang van zulke uitspraken. Ze laten uitschijnen dat het ook in de politiek volstaat te willen om te kunnen. Dat is niet zo, de politiek kan weinig veranderen, ze kan alleen het maximum proberen te halen uit een gegeven situatie. Toch beschikt ze vandaag over een significante maneuvreerruimte. Dat is belangrijk in een land als België. Dat met handen en voeten gebonden ligt aan de Maastrichtnormen en de Europese Monetaire Unie (EMU). HANSENNE : De mensen verwerpen Maastricht niet, het aantal tegenstanders is klein. Zelfs de pleiters voor een economische groeipolitiek verwerpen Maastricht niet. Maar er rijzen toch een paar problemen. Geen dag gaat voorbij zonder dat de ene of andere autoriteit bedenkingen bij de Muntunie maakt : de EMU uitstellen ; de toegangsnormen verstrakken of afzwakken ; er wordt twijfel gezaaid over de deelnemers... De economische spelers geraken daardoor in de grootste onzekerheid. Met het gevolg dat Europa de voordelen die het nu al van de toekomstige EMU zou kunnen genieten, ziet vervliegen. Het gevoelen is ontstaan dat, in afwachting van de eenheidsmunt, niets anders te doen valt dan de Maastrichtnormen aanpakken. Politieke projecten, energie, arbeid, het gaat allemaal verloren. De Europese samenleving mist een consensus rond een vertrouwenwekkende Europese strategie. Wat ook gebeurt, niemand kan verwachten dat de miljoenen werklozen in Europa snel een baan vinden. HANSENNE : De mensen verwachten niet overdreven veel van de politieke wereld. Ze weten dat die niet bij machte is snel de werkgelegenheid te vergroten. Geen politicus belooft nog 200.000 nieuwe arbeidsplaatsen, zoals André Cools (PS) indertijd triomfalistisch deed. Integendeel, het gaat er nu in de stijl aan toe van we doen wat we kunnen. Bovendien hangt de Belgische economische relance volledig af van de groei in Duitsland, Frankrijk en bij andere Europese partners. Het debat is Europees. Vergen de nieuwe economie en de nieuwe technologie dat anders wordt gewerkt, met een flexibelere arbeidsmarkt en soepele arbeidsovereenkomsten ? HANSENNE : Het arbeidsleven is mobieler dan vroeger. Maar de cijfers tonen aan dat we niet te snel moeten gaan in die analyse. Is flexibele arbeid een overgangstoestand of definitief ? Zeker is dat de overgrote meerderheid nu nog voltijds werkt, met arbeidsovereenkomsten van onbepaalde duur, sedert vele jaren in dezelfde onderneming. Dat deel van het rapport verraste me het meest. In elk geval geloven we niet dat de deregulering van de arbeidsmarkt een belangrijke invloed op de werkgelegenheid heeft. De jongste jaren groeiden in de meeste Europese landen de flexibiliteit en de werkloosheid tegelijk. Amerika schept meer banen dan Europa. Is de keuze tussen weinig maar kwaliteitvolle jobs en de Amerikaanse toestand van massa's McDonald's-jobs onvermijdelijk ? HANSENNE : De jongste ontwikkelingen in de Verenigde Staten gaan richting betere jobs, terwijl ook de lonen stijgen. Maar Europa kiest traditioneel voor meer gereglementeerde arbeid en aanvaardt moeilijk de Amerikaanse ongelijkheden. Europa moet zijn eigen politieke mix brouwen om werk te scheppen binnen zijn model. Leidt de huidige, hoge werkloosheid tot politieke en sociale problemen ? HANSENNE : We hebben er al heel wat. Wij beleven nu geregeld situaties, reacties van de publieke opinie die ongewoon zijn. De staking van de routiers in Frankrijk is atypisch, de Witte Mars in België, de recente grote stakingen in Duitsland... De jongste verkiezingen in EU-landen geven een leunen naar rechts en anti-Maastricht te zien. Dat zijn geen goede signalen, ze wijzen op een malaise, op een ontevredenheid van de bevolking. Hoe zwaar zijn de problemen van de loonkosten ? HANSENNE : Daar kan ik als IAO-man niet op antwoorden. Dat moet elk land bekijken in het licht van zijn concrete concurrentiepositie. België is het enige land ter wereld met een norm voor concurrentievermogen. Het gaat om een verfijnde techniek, waarmee de overheid het sociaal overleg beschermt binnen de norm. Landen met minder stevige sociale tradities decentraliseren het loonoverleg naar de ondernemingen. Deregulering, verzwakking van de verenigingen van werkgevers en van werknemers, minder sociaal overleg... Tasten die evoluties de rol van de Internationale Arbeidsorganisatie aan ? HANSENNE : Het is niet onze taak een sociaal model te propageren. Onze opdracht bestaat in het bevorderen en het bewaken van de sociale rechtvaardigheid. Meer en meer globale ondernemingen vragen ons advies met betrekking tot de internationale arbeidsnormen, om niet beschuldigd te worden van kinderarbeid bijvoorbeeld. Zelfs de wereldvoetbalbond Fifa heeft na zijn recente problemen onze bijstand gevraagd. Om te vermijden dat zijn voetballen weer worden vervaardigd door kinderen, tegen een hongerloon, in een doodarm land. Dat stelt het probleem van de sociale clausules in de internationale handel. Hoe groot is de consensus over de basisconventies van de IAO ? HANSENNE : Zeer groot. Het verbod op dwangarbeid, de vakbondsvrijheid, de niet-discriminatie, het recht op collectief overleg, en het verbod op kinderarbeid zijn universele waarden, die de ondernemingen op de globale markt een minimum aan sociale fair play opleggen. Die waarden hebben niets te maken met concurrentievermogen of concurrentie van lagelonenlanden. Zij zijn uit zichzelf respectabel, onafhankelijk van de economische ontwikkeling van een land. Kinderarbeid blijft niettemin moeilijk in te perken. HANSENNE : Er bestaat twijfel over de snelheid waarmee kinderarbeid moet worden uitgesloten, net als over de toegelaten leeftijd. We onderzoeken daarom of het niet wenselijk is een internationale conventie op te stellen die de meest onaanvaardbare vormen van kinderarbeid uitsluit en voor de rest een marge laat naargelang van de economische ontwikkeling van een land. Als de betreffende landen maar op middellange termijn meespelen. Het concurrentievermogen geldt wel in de wijze waarop landen een minimumloon respecteren en een vorm van sociale zekerheid organiseren. Niemand betwist dat niet alle landen dat op dezelfde wijze kunnen doen. Maar als sommige ontwikkelingslanden een economische groei van vijf, zelfs acht procent kennen, verwachten wij toch dat de bevolking daarvan meegeniet. De Wereldhandelsorganisatie (WHO), die over de vrije wereldhandel waakt, lijkt niet erg opgezet met de sociale basisrechten van de Internationale Arbeidsorganisatie. HANSENNE : De WHO betwist onze basisconventies niet. Dat kan moeilijk anders, zij en wij hebben dezelfde leden. Het debat gaat over de sancties voor landen die ze niet respecteren. De Handelsorganisatie ziet dat niet goed zitten. In het vooruitzicht van de eerste jaarvergadering van de WHO, begin december in Singapore, ligt dat moeilijk en conflictueus. Zo is zelfs scherp betwist of ik als directeur-generaal van de Internationale Arbeidsorganisatie wel in Singapore kan spreken. Iedereen zegt dat ik er word verwacht, maar een uitnodiging heb ik nog niet gekregen. Blijft de verhouding tussen de Internationale Arbeidsorganisatie en de economische internationale instellingen moeilijk ? HANSENNE : We bouwen aan betere relaties. Op het terrein werken we samen met het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank, de G-7 de zeven rijkste landen betrekken ons bij hun sociale thema's. Idem voor de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (Oeso). Als die gunstige evolutie voortduurt, zullen we morgen een van de partners zijn. Keert de slinger terug van het absoluut economisch denken ? HANSENNE : Jawel. Men laat de vrije markt, die gevaarlijke ongelijkheden en onzekerheden kan scheppen, niet alleen beslissen. De ideologie verandert, maar de onzekerheid over de oplossingen blijft bestaan. Op sociaal vlak begint het pas. De jaarvergadering van de Wereldhandelsorganisatie in Singapore is het eerste serieuze en fundamentele, sociale debat onder economische verantwoordelijken. Ze praten daar niet met holle woorden, maar in termen van conflict en oplossingen. Dat is belangrijk. Guido Despiegelaere Met nieuwe economische groei is volledige tewerkstelling mogelijk.Directeur-generaal Michel Hansenne van de IAO : slinger keert terug van het absolute economische denken.