Over de wonderjaren van dit blad doen veel oud-strijdersverhalen de ronde. Weinigen kunnen ze nog navertellen. Nu ook Jan Moriaux niet meer, een van de laatste overlevenden van de oerredactie van Knack.
...

Over de wonderjaren van dit blad doen veel oud-strijdersverhalen de ronde. Weinigen kunnen ze nog navertellen. Nu ook Jan Moriaux niet meer, een van de laatste overlevenden van de oerredactie van Knack. Zelf was Jan ook een beetje een oud-strijdersverhaal: hij was de eerste journalist van dit magazine én pater. Over zijn Knack-jaren praatte hij graag in zijn fauteuil in zijn geboortedorp Vissenaken, met een sigaar tussen de lippen. Sympathieke, bescheiden man. Talent voor pretentie of het sterrendom had hij niet. Als kind had Jan twee grote dromen: pastoor worden en journalist worden. Hij maakte ze allebei waar. In 1958 werd hij tot priester gewijd en al gauw werd hij ook hoofdredacteur van het blad van de franciscanen. 'Dat magazine moet goed zijn', zei hij tegen zijn overste. 'Daarvoor heb je iemand nodig die weet wat journalistiek is.' Jan trok naar Utrecht om er journalistiek te studeren. Een van zijn vrienden daar was een Belg die voor De Weekbode schreef. Op een dag zei die: 'Willy De Nolf, de uitgever van Roularta, wil met u spreken.' Jan volgde het bevel uit Roeselare. Op 2 november 1970 wachtten Willy De Nolf en zijn zoon Rik hem op. Ze vertelden hem dat ze plannen hadden om met een nieuw blad te beginnen. Uren hadden ze die avond gepraat, tot Willy De Nolf zei: 'Blijf maar bij ons slapen.' Hij was aangenomen, sinds die nacht was Jan van Roularta .Een pater die journalist was, dat was in die tijd nu ook weer niet zo uitzonderlijk. Het tweede Vaticaans Concilie was net voorbij en er veranderde enorm veel in de kerk. Ook in zijn eigen orde, de franciscanen: de tijd van de grote missiepreken was voorbij. Iedereen moest gewoon werk zoeken. Eén probleem: Jan was aangenomen voor een blad dat nog niet bestond, er was zelfs nog geen redactie. Hij kreeg de opdracht om thuis na te denken over hoe dat blad eruit moest zien. 'Af en toe overlegde ik dan met de De Nolfs', vertelde hij me ooit. 'Vader De Nolf vond dat het iets moest worden als Reader's Digest: een verzameling van artikels. Zijn zoon Rik was ambitieuzer. Hij zag meer iets in een Vlaamse versie van L'Express. Een echt nieuwsmagazine dus, dat bestond niet in Vlaanderen. Vandaag wordt beweerd dat er een gat in de reclamemarkt was en dat Knack daarin gesprongen is. Natuurlijk zal dat wel hebben meegespeeld - die eerste jaren stond Knack vol reclame. Maar ik heb in die dagen vaak genoeg met Rik De Nolf gepraat om te weten dat dat niet de enige reden was. Rik was toen nog een ambitieuze student rechten: dat blad zou zijn eerste grote project worden. Hij wou zich bewijzen.' Maar er was niet veel, behalve een redactielokaal aan de Tervurenlaan in Brussel. Op een dag presenteerde een lay-outer een paar ontwerpen voor de cover. Op een daarvan stond Knack, naar de toen populaire film The Knack ...and How to Get It. Bijna iedereen zei: 'Ja, dat is het.' In februari 1971 stelde Willy De Nolf het eerste nummer van Knack voor in het Osterriethhuis in Antwerpen. Het werd een ramp: het blad was slecht gedrukt, en de inhoud was niet veel beter. Ook op de redactie rommelde het. De hoofdredacteurs volgden elkaar op: de ene bleef een paar weken, de andere een paar maanden. Knack zwalpte, maar pater Jan hield het meer dan eens recht. Altijd was hij op post. Zelfs 's nachts, want hij bleef geregeld slapen aan de Tervurenlaan. Alleen op zondag hield hij niet trouw de wacht, want dan moest hij de mis opdragen. Jan corrigeerde teksten, deed de lay-out, schreef de buitenlandpagina's vol. Op maandag reed hij met een Citroën Dyane - met in grote letters Knack erop - naar Roeselare om daar de teksten af te leveren. Op vrijdag ging hij naar Amsterdam om er de blauwdrukken van Elsevier te bekijken, want misschien zat er iets tussen dat Knack kon overnemen. Uiteindelijk kreeg hij van de bazen van dit blad een grotere bedrijfswagen die sneller reed, zodat hij minder tijd zou verliezen. Na vier hoofdredacteurs werd Sus Verleyen in 1972 baas van het magazine. Hij gaf Knack een gezicht en haalde grote journalistieke kanonnen als Johan Struye en Johan Anthierens binnen. Niet bepaald fanatieke gelovigen, maar dat deerde pater Knack niet. 'Een team waren we toch niet. Het is zo organisch gegroeid en het is nooit veranderd: geen enkele Knack-redactie is ooit een team geweest. Knack is altijd een verzameling van mensen geweest die anders dachten over het leven. En dus ook over hun eigen blad.' Toch hadden ze veel gelachen in die jaren. Na de vergadering op dinsdagnamiddag gingen de anderen op de lappen, maar hij niet. 'Ik was te serieus.' Zijn overste maakte zich desondanks zorgen: 'Al die zotten daar bij Knack. Zorg er maar voor dat ge ook niet zot wordt.' 'Ik zag Knack als mijn job. Ik heb daar nooit in paterskleren rondgelopen of gepreekt op de redactie. Misschien was ik wel wat pater Knack, maar dan in de vaderlijke betekenis van het woord. Ik was vooral een flandrien, de man op de achtergrond die er altijd was.' Eén keer greep hij in, toen een journalist een stuk geschreven had over 'het einde van het gezin'. Jan censureerde het omdat het niet strookte met zijn overtuiging, maar ook omdat de redacteur in kwestie het was komen afgeven met een air van 'Hier zie, paterke, publiceer dit nu ook maar.' 'Hoelang ga je nog bij die zotte Anthierens blijven zitten?' vroeg zijn overste hem in 1978. Jan keek rond op de redactie, zag de veelkleurige bende en vond dat zijn overste zo stilaan gelijk begon te krijgen. Hij besefte ook dat hij nooit carrière zou kunnen maken onder Verleyen. Dat stak. 'Als Sus in die zes jaar vijf artikels van mij gelezen had, zal het veel zijn. In tegenstelling tot Anthierens kon hij ook nooit eens zeggen dat het goed was.' Pater Knack bood zijn ontslag aan en kreeg van de redactie een bijbel als afscheidscadeau. Hij reed van Brussel naar zijn oude dorp Vissenaken, waar hij pastoor werd. Hij gaf ook les en liet de parochies van Attenrode en Wever draaien. Drie jaar geleden gaf hij daar de fakkel door. 'De geestelijke wereld verschilt niet eens zo hard van de Knack-redactie', zei hij me ooit. 'Alsof er tussen pastoors geen concurrentie is. Wie geeft de beste preek? Wie lokt het meeste volk? Het is iets menselijks.'