Volgende week: De grondwet
...

Volgende week: De grondwetVan alle aanvallen op Brussel waren er amper twee, die via de Schaarbeekse Poort en een andere via de Naamse Poort, gedeeltelijk gelukt. Maar in beide gevallen waren de koninklijke troepen van prins Frederik vastgelopen in het park van Brussel, langs de uitgestrekte Koningstraat. En zelfs die straat was na de passage van de geregelde troepen voor het grootste deel opnieuw in handen van de Belgische opstandelingen. De bezetting van het nabijgelegen Koningsplein, een belangrijk strategisch punt zou naderhand blijken, hadden de bevelhebbers verzuimd, omdat ze zich al te nauwgezet aan de bevelen van de staf hielden. De stad huis na huis heroveren, laat staan een regelrecht bombardement, was uitgesloten. In zijn kamp in Schaarbeek beseften prins Frederik en de officieren die hem omringden dat Brussel verliezen gelijkstond met het verlies van het Zuiden. Hij probeerde tot een staakt-het-vuren te komen, om zo van de opstandelingen te verkrijgen dat de 'wettige autoriteiten zich weer van de macht meester maken'. In het Brusselse heerste inderdaad anarchie. De burgerij was er ook niet gerust op, met al dat gepeupel dat gewapend door de stad liep. Een van Frederiks opmerkelijkste initiatieven was het uitsturen van de pas-toor van Laken. Die arriveerde met een processiekruis voorop aan de stadspoort met een verzoenend voorstel van de prins. Maar hij werd zonder antwoord teruggestuurd. De prins en zijn omgeving hadden gehoopt in het hoofd van de burgerwacht, de gematigde Emmanuel van der Linden d'Hooghvorst, een man van de rede te vinden. Maar d'Hooghvorst had zich vrij snel aan de kant van de opstandelingen geschaard. Op 24 september 1830 verscheen in Brussel opeens een eerste proclamatie van een zogeheten Commission administrative. Die commissie beweerde te zijn gevormd 'door burgers die alleenlijk werden gedreven door de liefde voor het vaderland'. Eigenlijk ging het om een comité gevormd door slechts drie kopstukken: Emmanuel van der Linden d'Hooghvorst, de Luikse advocaat Charles Rogier en gewezen legerofficier André Jolly. Zij lieten zich bijstaan door twee secretarissen: Feuillen de Coppyn en Joseph van der Linden d'Hooghvorst. De drie commissieleden noemden zich bereid, wanneer de omstandigheden zich daartoe leenden, 'het gezag in waardiger handen over te dragen'. De vorming van dat comité, dat zichzelf twee dagen later al Voorlopig Bewind zou noemen, was een slimme zet van Charles Rogier. Die verloor tijdens de woelige septemberdagen op geen enkel moment de greep op de gebeurtenissen. Heel even maar, op 23 september, bij de inval van de Hollanders, was hij in paniek geraakt. In de vooravond was hij de stad ontvlucht. Hij bracht de nacht door bezuiden Brussel, in de buurt van Lasne, maar keerde meteen terug toen hij vernam dat de opstandelingen, ' zonder leiding, zonder plan', de koninklijke troepen tot stilstand hadden gebracht. Vier dagen later, terwijl de Hollanders gebruik makend van de duisternis de stad ontvluchtten, werd in het Brusselse stadhuis een Gouvernement Provisoire, later vertaald als Voorlopig Bewind, geïnstalleerd. Meteen na 'de bevrijding' van Brussel begint het natievormende werk. Dan blijkt snel dat zij die op de barricades hebben gevochten daarvoor totaal ongeschikt zijn. Onverbeterlijke houwdegens zoals Don Juan van Halen, Anne-François Mellinet en Charles Niellon krijgen daarom soms vage missies, zoals het achtervolgen van de Hollanders, die er vooral voor moeten zorgen dat ze uit Brussel weg gaan. Andere helden van de glorieuze vierdaagse in Brussel worden uitgestuurd om legereenheden die elders in het land waren gekazerneerd te overtuigen zich niet tegen de revolutie te keren. En dat lijkt te werken. Een voor een scharen de troepen in Ath, Mons, Menen en Doornik zich aan de kant van de opstandelingen. Elders trekken generaals, zoals de uit Gent afkomstige Joseph Van Geen in Namen en Cornelis Van Boecop in Luik, zich met hun Hollandse manschappen terug richting Noorden. In Brussel tracht het Voorlopig Bewind na de aftocht van de Hollanders de talloze wapens die in omloop zijn, terug te kopen. Op politiek en militair strategische posten, maar ook in de magistratuur worden betrouwbare medestanders benoemd. Zo kan het Voorlopig Bewind, ongehinderd door opstootjes allerhande, aan de slag. In Brussel moet het puin worden geruimd, en voor tal van problemen moet dringend een oplossing worden gezocht. De bevoorrading van Brussel heeft de Commission administrative tijdens de Brusselse onlusten in stand kunnen houden. Veel erger is het gesteld met de openbare financiën. Officieel heeft het Voorlopig Bewind 10 gulden in kas. Het bankbiljet, zo zou Alexandre Gendebien later vertellen, was in veiligheid gebracht in een kast in het Brusselse stadhuis. De Belgen hebben evenwel geen inzage in de openbare financiën: de centrale directie zit in Den Haag. Er moet dus dringend een bolleboos worden gevonden om orde op zaken te stellen in de financiën en vooral ook om een massale kapitaalvlucht te voorkomen. Iemand suggereert de naam van Jacques Coghen, een 38-jarige Brusselse zakenman en financier die zich graag laat voorstaan op zijn Ierse origines. Een delegatie wordt uitgestuurd naar het buitenhuis van Coghen. Die wacht daar, met zijn familie, het einde van de vijandelijkheden af. Coghen aarzelt, vraagt bedenktijd. Als de Hollanders zouden terugkeren, wacht hem in het beste geval de inbeslagname van zijn bezit, in het ergste geval de doodstraf. Uiteindelijk aanvaardt hij toch, met als enige voorwaarde dat hij de vrije hand krijgt. Het Voorlopig Bewind heeft geen andere keus. Het duurt niet lang of Coghen bezet als ' administrateur général des finances' samen met zijn bedienden de bureaus van het ministerie van Financiën. En hij steekt meteen de handen uit de mouwen. Er wordt een tollijn tot stand gebracht tussen Noord en Zuid. Het personeel van de belastingendiensten in de provincie wordt opnieuw ingeschakeld om de inning te versnellen. Een aantal heffingen die recent door het Hollandse regime waren opgelegd, zoals de verhoging van de zegeltaks op kranten en affiches, worden afgeschaft, net zoals de verhoogde lasten voor brouwerijen en stokerijen. Dat moet de belastingbetalers gunstig stemmen tegenover het nieuwe regime. Stilaan, en met goed gevolg voor het Voorlopig Bewind, krijgt Coghen de openbare financiën in kaart. De zelfverzekerdheid van de nieuwe bewindvoerders stijgt. Op 4 oktober, amper een week nadat de Hollanders uit Brussel zijn vertrokken, roept het Voorlopig Bewind de onafhankelijkheid uit. Charles Rogier, Alexandre Gendebien en Louis de Potter beseffen dat een gematigde factie een zuiver administratieve scheiding, waarbij mogelijk kroonprins Willem op de Belgische troon zou plaatsnemen, niet ongenegen is. Het moet dus snel gaan. Daarom wordt twee dagen later al een commissie in het leven geroepen die een nieuwe grondwet moet opstellen, die vervolgens aan het nog te kiezen grondwetgevende Nationaal Congres zal worden voorgelegd. De commissie, voorgezeten door Etienne de Gerlache, raadsheer bij het hof van Luik, bestaat verder onder meer uit de gouverneur van Brabant Pierre Van Meenen, advocaat Jean-François Tielemans, een republikeins medestander van Louis de Potter, pleitbezorger Paul Devaux en Charles de Brouckère. Zij laten er geen gras over groeien. Op één stem na, die van Tielemans, kiest de commissie meteen voor een constitutionele monarchie. Niet eens drie weken heeft ze nodig om te komen tot wat lange tijd ' een radicaal en liberaal baken' zal worden genoemd. En dan hebben de heren eerst nog de kiesbesluiten voor het Nationaal Congres geschreven, dat het Voorlopig Bewind zo snel mogelijk wil samenroepen. Met op de achtergrond de gevechten in Antwerpen werken de leden van het Voorlopig Bewind zich uit de naad om de verkiezingen, die voor 3 november zijn gepland, voor te bereiden. Op 16 oktober, de grondwetscommissie is dan volop aan de slag, publiceert kroonprins Willem in Antwerpen zijn Proclamatie waarin hij zich aan het hoofd stelt van de Belgische volksbeweging. Het is de ultieme poging van de kroonprins, die naar eigen zeggen ' zijn bloed vergoot voor de onafhankelijkheid van uwen grond, en die zich met uwe pogingen wil vereenigen om uwe staatkundige Nationaliteit te vestigen', om 'zijn' Zuiden te behouden. Veel bloed had Willem overigens niet vergoten. De blessure die hij in Waterloo had opgelopen - want daarop doelde hij - was niet veel meer dan een schampschot. In Brussel, waar de sympathie voor Napoleon altijd groter was dan die voor Wellington, zijn ze niet onder de indruk. Willems voorstel wordt weggehoond. In Den Haag, waar duidelijk is dat de kroonprins zonder voorafgaand overleg met zijn vader handelde, weten ze niet wat ze horen. De afkeuring voor diens demarche is er zo groot dat de prins meteen wordt teruggeroepen. Terwijl de vernietigende bombardementen van de Hollandse generaal David Chassé op Antwerpen in het hele Zuiden nog pijnlijk nazinderen, maken de Belgen zich op voor de eerste vrije verkiezingen. Volgens het decreet van het Voorlopig Bewind worden de leden van het Nationaal Congres rechtstreeks verkozen door de burgers. Dus geen getrapte verkiezingen zoals onder het Hollandse regime, waarbij drie verschillende kiescolleges de leden van de Tweede Kamer aanwezen. Op die manier behield de koning een stevige controle. Maar dat 'rechtstreeks verkiezen door de burgers' klinkt mooier dan het in werkelijkheid was. Niet alle Belgen waren gelijk voor de nieuwe grondwet en lang niet iedereen mocht gaan stemmen. Alleen de mannen die de leeftijd van 25 jaar hadden bereikt en die naargelang hun woonplaats 13 tot 150 gulden rechtstreekse belasting betaalden, mochten naar de stembus. Dat waren de zogeheten cijnskiezers. Er waren ook 'capaciteitskiezers': zij die door hun functie of scholingsgraad in aanmerking kwamen, zoals juristen, artsen, doctors in de wetenschappen, wijsbegeerte en letteren, hogere officieren vanaf de graad van kapitein, bedienaren van de erediensten. De stemmen werden uitgebracht in de hoofdplaats van elk bestuurlijk arrondissement. Veel procedureregels kwamen aan de verkiezingsoperatie niet te pas. Om de zetel te behalen, moest de kandidaat de volstrekte meerderheid veroveren. Lukte dat niet, dan volgde een tweede stemronde waarbij een gewone meerderheid volstond om de zetel binnen te halen. De stembusgang zelf verliep nogal chaotisch. Er circuleerden vaak verschillende lijsten met allerlei namen. Bovendien beschikten ze slechts in een klein aantal steden en gemeenten over min of meer betrouwbare richtlijnen. Toch gaan de verkiezingen gewoon door. Eind 1829 telde België net geen vier miljoen inwoners. Daarvan kwamen er amper 46.099 in aanmerking om te gaan stemmen. In een stad als Brussel mochten nagenoeg 2000 inwoners een stem uitbrengen, of 500 meer dan in Luik. Van de in totaal 46.099 stemgerechtigden brachten uiteindelijk iets meer dan 30.000, nauwelijks tweederde, een geldige stem uit. Dat komt neer op 0,75 procent van de bevolking. Tot de onthoudingen, maar vooral tot de wegblijvers, werden de orangisten gerekend. Toch blijken naderhand een twintigtal van de 200 verkozen leden van het Congres aanhangers van de prins van Oranje. Tot diep in de 19e eeuw zal het orangisme in België overeind blijven, vooral in steden als Gent en Antwerpen. De groep van de orangisten in het Congres is nagenoeg even sterk als die van de Fransgezinden, aangevoerd door vader en zoon Gendebien. Maar het grootste deel van de wetgevende vergadering wordt ingenomen door de burgerij. Die telt een vijftigtal vertegenwoordigers. De geestelijkheid stuurt 13 leden uit, onder wie twee West-Vlamingen: de toen nog sociaal bewogen pastoor Désiré De Haerne, een Ieperling, en de woelige priester Leon de Foere, afkomstig uit Tielt, die onder het Hollandse regime achter de tralies was beland op beschuldiging van aansporen tot tweedracht en beroering. Een zuiver ideologische opdeling maken tussen liberalen en katholieken in het nieuwe Nationaal Congres, is vrijwel onmogelijk. De verkozenen durven naargelang van het onderwerp immers al eens van kamp te wisselen. Bij de bespreking over de vrijheid van eredienst en onderwijs, bijvoorbeeld, valt het iedereen op dat pastoor De Haerne zeer liberale standpunten inneemt. Het heilige unionisme heeft nog de bovenhand in het Nationaal Congres. De Haerne zal, onder meer daarom, later verbod krijgen van zijn kerkelijke oversten om zich nog langer verkiesbaar te stellen. Als een dag na de plechtige opening van het Nationaal Congres het bureau wordt gekozen, neemt de adel de touwtjes helemaal in handen. Voorzitter wordt de plechtstatige maar onbetekenende schapenboer Erasme-Louis baron de Surlet de Chokier, bijgestaan door de ondervoorzitters Etienne de Gerlache en de dichter-baron Goswin de Stassart. Op 10 november opent het Nationaal Congres onder voorzitterschap van Jean-François Gendebien, vader van Alexandre Gendebien van het Voorlopig Bewind, de werkzaamheden. Wanneer het begin 1831 de nieuwe grondwet goedkeurt, blijkt het capaciteitskiesrecht afgeschaft. En dat blijft zo tot die volgende Europese sociale beroerte, in 1848. De dag van de opening van het Nationaal Congres legt de burgerij helemaal beslag op de Belgische onafhankelijkheid die door het volk op de barricades van Brussel was afgedwongen. 'Die dag', zal de linkse publicist Lucien Jottrand later in een van zijn artikelen schrijven, 'werd het democratische elan van de Omwenteling van 1830 tenietgedaan.'Ook Louis de Potter, lid van het Voorlopig Bewind, heeft dat begrepen. Hij geeft toe dat hij zich in zijn opzet heeft vergist en trekt zich terug uit het politieke leven. Wat getuigt van een ijzeren consequentie, die naderhand in het Belgische parlement nog zelden is vertoond. Door Rik Van CauwelaertPrins Frederik en de officieren die hem omringden beseften dat Brussel verliezen gelijkstond met het verlies van het Zuiden. Het heilige unionisme heeft nog de bovenhand in het Nationaal Congres.